APV

DONDERDAG 5 SEPTEMBER 2019 Elke gemeente heeft een Algemene Plaatselijke Verordening (APV), vroeger Algemene Politie Verordening geheten. Deze verordening is een wet die gemaakt is door de gemeenteraad. Zoals elke wet van enige omvang bestaat de APV uit bepalingen die over hoofdstukken zijn verdeeld. De APV-bepalingen houden verboden en geboden in voor burgers en bedrijven. De rechter kan bij overtreding veroordelen tot een geldboete of hechtenis (soort van gevangenisstraf). Een gemeente is tot op zekere hoogte vrij in wat ze verbiedt of gebiedt. Toch zijn veel verboden en geboden in bijna alle APV’s hetzelfde. Bijna alle APV’s hebben het hoofdstuk maatregelen tegen overlast en baldadigheid. Ook voor dit hoofdstuk geldt dat de meeste ge- en verboden in zo’n beetje elke APV voorkomen. Maar er zijn ge- en verboden die slechts in een of enkele APV’s voorkomen. Van die laatste hieronder een selectie.

BLAFFEN Het Overijsselse Hengelo eist van hondenbezitters dat geblaf niet leidt tot hinder voor omwonenden of omgeving. Het Gelderse Nijkerk lijkt de lat iets minder hoog te leggen, want hier hoeft de hondenbezitter slechts aanhoudend geblaf en gejank te voorkomen als dat tot hinder voor de omgeving leidt. Het Limburgse Brunssum legt de lat juist iets hoger en wil dat geen enkel huisdier geluidhinder veroorzaakt.

PLASSEN Groningen, Breda en Middelburg verbieden mensen het doen van een buiten plas. Middelburg verbiedt dit ook buiten de bebouwde kom. Groningen en Middelburg verbieden het alleen op plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Het Bredase verbod is er ook op plaatsen die niet voor het publiek toegankelijk zijn (maar die wel zichtbaar zijn vanaf plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn).

VLOEKEN Het Gelderse Elburg verbiedt het vloeken in het openbaar, althans voor de vloek waarbij Gods naam wordt gebruikt.

VECHTEN Het Zeeuwse Sluis verbiedt vechten op of aan de weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats. Ook het Brabantse Bergeijk, Bladel en Eersel verbieden vechten in het openbaar. Deurne verbiedt bovendien om iemand in het openbaar lastig te vallen.

CAVIA’S Het Gelderse Oude IJsselstreek bindt het begraven in eigen tuin van katten, kanaries, konijnen, cavia’s, schildpadjes, honden en dergelijke aan regels. Er zijn bijvoorbeeld regels voor diepte (minstens 75 cm), gewicht (hooguit 10 kg) en aantal (hooguit twee). Andere dieren mogen helemaal niet in eigen tuin worden begraven.

PLANTEN Het Friese Ferwerderadeel gebiedt mensen om de berenklauw uit hun tuin te verwijderen, als de gemeente dat verlangt.

GLASWERK Het Zuid-Hollandse Capelle aan den IJssel verbiedt om op een speelweide of speelplaats glas bij je hebben, bijvoorbeeld een glas om uit te drinken. Het Limburgse Heerlen verbiedt glazen drinkgerei op elke openbare plaats.

LACHGAS Boxmeer en Oosterhout in Noord-Brabant verbieden de consumptie van lachgas in het openbaar, althans als daardoor hinder ontstaat.

SPELEN Het Overijsselse Kampen en het Zeeuwse Middelburg verbieden kaartspelen (en andere spelletjes) op of aan de openbare weg, althans als er om geld wordt gespeeld.

MASKERS Het Brabantse Dongen verbiedt mensen om in het openbaar een masker te dragen. Zou dit verbod ook tijdens carnaval worden gehandhaafd?

ZOEKEN Het Groningse Westerwolde schrijft de amateurarcheoloog voor gebruik van een metaaldetector een gemeentelijke vergunning voor.

LANTAARNPALEN Het Noord-Hollandse Diemen verbiedt het vastmaken van fietsen aan bomen of lantaarnpalen die op of aan de weg staan.

VISSEN OP ZONDAG? De vrijheid van de gemeenteraad om in de APV ge- en verboden te stellen is niet onbeperkt. Er zijn grenzen aan de strafbare feiten die de raad in het leven kan roepen. Als een ge- of verbod daaroverheen gaat, is het niet verbindend en heeft de overtredende burger niets strafbaar gedaan. Zo stond in de jaren twintig van de vorige eeuw in de APV van de gemeente Wilnis (tegenwoordig deel van het Utrechtse De Ronde Venen) het verbod om op zondagen te vissen met hengel. Het was zelfs verboden als anderen dat niet konden zien vanaf een openbare plaats. Dit verbod ging de rechter te ver. De meneer die wegens het vissen op zondag voor de rechter was gedaagd, werd daarom ontslagen van alle rechtsvervolging. Wat hij had gedaan, was namelijk geen strafbaar feit.

Amsterdam en straatnamen: hebben de watergeuzen toch nog verloren!

DINSDAG 5 MAART 2019 In het Amsterdamse IJburg is een nieuwe woonwijk bijna opgeleverd, maar over de namen die de nieuwe straten gaan krijgen, is nog geen besluit genomen. De officiële straatnamencommissie heeft al enige tijd geleden geadviseerd om de straten te vernoemen naar hoofdrolspelers van de Slag op de Zuiderzee, het tegenwoordige IJsselmeer. Bij deze slag in het najaar van 1573 stonden de watergeuzen en de Spaanse Vloot tegenover elkaar. Alva’s Spanjaarden verloren, mede dankzij de heldendaden van Cornelis Dirkszoon en Jan Haring. De burgemeester wil het advies niet overnemen – geen Jan Haringstraat dus – omdat witte mannen minder moeten gaan domineren in de wereld van straatnamen. Hoe is de bevoegdheid geregeld voor het geven van officiële straatnamen?

Raad Het geven van namen aan straten en wegen in de gemeente is een bevoegdheid van de gemeenteraad.

College De gemeenteraad mag die bevoegdheid overdragen aan het college van burgemeester en wethouders. Dan is de bevoegdheid gedelegeerd aan het college. Wat de gevolgen van delegatie zijn, is in de wet geregeld. Het gaat hier om de Algemene wet bestuursrecht. Daarin staat bijvoorbeeld dat de verkrijger – de delegataris: hier het college – de bevoegdheid onder eigen verantwoordelijkheid gaat uitoefenen. Degene die overdraagt – de delegans: hier de gemeenteraad – mag die bevoegdheid niet meer zelf uitoefenen. De delegans mag wel beleidsregels geven over hoe de delegataris de verkregen bevoegdheid moet uitoefenen. Delegatie mag alleen als een wet dit expliciet toelaat. De Gemeentewet laat delegatie van de straatnaamgeving expliciet toe.

Amsterdams college In Amsterdam heeft de gemeenteraad de bevoegdheid om straten van een naam te voorzien daadwerkelijk overgedragen aan het college van burgemeester en wethouders. Dat is al jaren geleden gebeurd.

Mannen De Amsterdamse gemeenteraad mag dus beleidsregels geven over hoe het college zijn verkregen bevoegdheid moet uitoefenen. Afgelopen donderdag heeft het college in de raad gezegd dat het heeft beslist om het advies van de straatnamencommissie niet over te nemen, omdat de politiek al in 2016 heeft besloten dat straatnamen minder het domein moeten zijn van witte mannen. Ik heb het besluit uit 2016 niet gevonden, maar wellicht dat het hier gaat om een beleidsregel van de gemeenteraad. Het college is gebonden aan zo’n beleidsregel en hoeft zijn beslissing niet verder te motiveren als die conform de beleidsregel is.

Burgemeester In de krant staat dat het de burgemeester was die in de raadsvergadering het woord voerde over de straatnaamgeving. Daaruit kan worden afgeleid dat zij portefeuillehouder is voor straatnaamgeving. Dat betekent dat zij het is die binnen het college over de straatnaamgeving gaat. Maar het betekent niet dat het college die bevoegdheid aan haar heeft overgedragen/gedelegeerd: de bevoegdheid kan haar slechts zijn gemandateerd. Collegebevoegdheden mogen namelijk niet worden gedelegeerd aan een wethouder of burgemeester. Mandatering of machtiging van de burgemeester door het college is uitdrukkelijk wél toegestaan, namelijk in de Gemeentewet. Anders dan de delegataris bij delegatie oefent een mandataris (gemachtigde) de bevoegdheid uit namens en onder verantwoordelijkheid van de mandans/volmachtgever. Hier doet de gemachtigde burgemeester dat dus namens en onder verantwoordelijkheid van het college.

Raadsleden Over de namen die zij aan de straten geeft moet de burgemeester zich bij de gemeenteraad verantwoorden en vragen beantwoorden van een raadslid.

Amsterdam De wet maakt de gemeenteraad trouwens niet alleen bevoegd om namen te geven aan nieuwe straten of om bestaande straatnamen te wijzigen, maar ook om de naam van de gemeente te wijzigen. Er zijn geen aanwijzingen dat de Amsterdamse raad dat in gedachten heeft.

BRONNEN:

”Raad”

Artikel 1 van de Wet Besluit basisregistraties adressen en gebouwen (Wet BAG) luidt (gedeeltelijk): In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: j. openbare ruimte: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig aangewezen en van een naam voorziene buitenruimte die binnen één woonplaats is gelegen; n. woonplaats: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig aangewezen en van een naam voorzien gedeelte van het grondgebied van de gemeente.

Artikel 6 luidt (gedeeltelijk): De gemeenteraad deelt het grondgebied van de gemeente in een of meer woonplaatsen in, stelt de openbare ruimten vast en kent nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen.

”College”

Artikel 156 van de Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De raad kan aan het college en aan een door hem ingestelde bestuurscommissie bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

Artikel 10:13 van de Algemene wet bestuursrecht luidt: Onder delegatie wordt verstaan: het overdragen door een bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten aan een ander die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent.

Artikel 10:15 luidt: Delegatie geschiedt slechts indien in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien.

Artikel 10:16 luidt: Het bestuursorgaan kan ter zake van de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid uitsluitend beleidsregels geven. Degene aan wie de bevoegdheid is gedelegeerd, verschaft het bestuursorgaan op diens verzoek inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheid.

Artikel 10:17 luidt: Het bestuursorgaan kan de gedelegeerde bevoegdheid niet meer zelf uitoefenen.

De delegatieartikelen uit de Algemene wet bestuursrecht zijn niet rechtstreeks van toepassing maar zijn van overeenkomstige toepassing: Artikel 10:21 luidt (gedeeltelijk): (Bovenstaande artikelen zijn) van overeenkomstige toepassing indien een bestuursorgaan zijn bevoegdheid tot het verrichten van andere handelingen dan besluiten overdraagt aan een ander die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent.

Uit de Algemene Toelichting op de Verordening basisinformatie 2018 van de gemeente Amsterdam: (..) het vaststellen van een openbare ruimte of het toekennen van een naam daaraan, zijn geen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (..) De openbare ruimte omvat (..) straten, dijken en wegen.

”Amsterdams college”

Verordening de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent basisinformatie 2018 (in voorafgaande verordening was praktisch hetzelfde geregeld). Artikel 1 luidt (gedeeltelijk): In deze verordening en de hierop gebaseerde regels wordt verstaan onder: g. naambord: bord met een of meer door de gemeenteraad of het college toegekende namen aan een woonplaats, stadsdeel, wijk, buurt of openbare ruimte; j. openbare ruimte: buitenruimte als bedoeld in artikel 1, onder j, van de Wet BAG. Artikel 7 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Het college: b. stelt de openbare ruimten vast, kent namen daaraan toe en kent nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen. Lid 2. Voordat het college een naam toekent aan een een openbare ruimte als bedoeld in het eerste lid, onder b, vraagt het advies aan de Commissie naamgeving openbare ruimten. Lid 3. Onder vaststellen, indelen en toekennen, als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan.

”Mannen”

Artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht luidt (gedeeltelijk): Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een door hem gedelegeerde bevoegdheid.

Artikel 4:82 luidt: Ter motivering van een besluit kan slechts worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel.

Artikel 4:84 luidt: Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

”Burgemeester”

Artikel 168 Gemeentewet luidt: Het college kan een of meer leden van het college machtigen tot uitoefening van een of meer van zijn bevoegdheden, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt zich daartegen verzet. Een krachtens machtiging uitgeoefende bevoegdheid wordt uit naam en onder verantwoordelijkheid van het college uitgeoefend. Het college kan te dien aanzien alle aanwijzingen geven die het nodig acht.

”Raadsleden”

Artikel 155 van de Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): Een lid van de raad kan het college of de burgemeester mondeling of schriftelijk vragen stellen.

Artikel 169 luidt: Het college en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan de raad verantwoording schuldig over het door het college gevoerde bestuur. Zij geven de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Zij geven de raad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.

”Amsterdam”

Artikel 158 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De raad kan de naam van de gemeente wijzigen.

Eerste Rotterdamse veroordeling voor straatintimidatie (2): het uitjouwverbod en het lastigvallenverbod

DINSDAG 8 JANUARI 2019 Half december heeft de rechtbank Rotterdam iemand veroordeeld wegens straatintimidatie. Dat was de eerste keer. Straatintimidatie is een nieuw strafbaar feit. Het staat echter niet in het Wetboek van Strafrecht. Het staat in de APV van de gemeente Rotterdam. Mág een gemeente het wel strafbaar stellen? De bijdrage van vandaag is het vervolg op die van gisteren. De bijdrage van gisteren is hierin helemaal opgenomen en een beetje uitgebreid.

APV Elke gemeente heeft een algemene plaatselijke verordening (APV) waarin ze haar huishouding naar eigen inzicht regelt. In de Rotterdamse APV zijn bijvoorbeeld regelingen opgenomen over betogingen, veiligheid op de weg, evenementen, overlast, vuurwerk en de openbare orde. Onder Openbare orde is de straatintimidatie geregeld. De APV wordt vastgesteld door de gemeenteraad.

Straatintimidatie Sinds vorig jaar kent de Rotterdamse APV een artikel over straatintimidatie. Het luidt als volgt: Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.

Uitleg Hoe dit artikel uit te leggen? De rechtbank zegt dat zowel uitjouwen als lastigvallen hierin worden strafbaar gesteld en dat aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen slechts een invulling zijn van het laatste begrip.

Feiten Wat is er feitelijk gebeurd? De rechtbank zegt hierover het volgende. Het gebeurde afgelopen zomer, in de openbare ruimte in het centrum van Rotterdam. Feit 1. De dader roept tegen enkele vrouwen die hem passeren: ‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ Hij brengt zijn linkerhand in de richting van zijn mond en tuit zijn lippen en maakt kusgebaren in de richting van de vrouwen. Een van de vrouwen zegt: ‘Kom we gaan weg hier’. Hierop lopen de vrouwen terug in de richting van het Binnenwegplein. De verdachte roept hen na: ‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’ De vrouwen reageren niet en lopen door. Een andere vrouw komt uit de richting van het Binnenwegplein. De verdachte zegt tegen haar: ‘Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’. De vrouw reageert niet en loopt door. Feit 2. De dader kijkt in de richting van een vrouw die ergens zit. Hij gaat naast de vrouw zitten en blijft in de richting van de vrouw kijken. De vrouw schuift een meter op. De dader spreekt de vrouw aan en roept: ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit.’ De vrouw reageert en zegt: ‘Dankjewel’ en negeert hem. Hij tuit zijn lippen en maakt kus- en handgebaren in de richting van de vrouw. Hij loopt weg en spreekt drie andere vrouwen aan. De vrouwen reageren niet. Hij tuit zijn lippen en maakt kus- en handgebaren in de richting van de vrouwen en zegt: ‘Doei schatjes, fijne avond’. De rechtbank zegt dat de dader zich door deze feiten heeft schuldig gemaakt aan straatintimidatie, en – preciezer gezegd – aan lastigvallen.

Bovengrens 1Terug naar de APV. Een artikel in de APV of een gedeelte daarvan mag niet in strijd zijn met een hogere regeling, zoals een parlementaire wet of de Grondwet. Maar wanneer is dat het geval? Wanneer wordt met andere woorden de bovengrens geschonden? De rechtbank zegt hierover dat een APV-bepaling in strijd is met een parlementaire wet als – onder andere – die wet hetzelfde onderwerp regelt, dat vanuit hetzelfde motief doet en bovendien geen ruimte laat voor aanvulling met een regeling zoals die van dit gemeentelijk APV-artikel.

Uitjouwen De rechtbank zegt dat het gemeentelijk verbod van uitjouwen in strijd is met de wet. Het is namelijk met enkele artikelen uit het Wetboek van Strafrecht in strijd. Te weten de wetboekartikelen over opzettelijke belediging (zoals artikel 266) en bedreiging (zoals artikel 285). Deze artikelen regelen namelijk hetzelfde onderwerp en vanuit hetzelfde motief als het gemeentelijke APV-artikel over straatintimidatie en bovendien laten ze geen ruimte voor aanvulling. Het uitjouwverbod in de Rotterdamse APV is daarom in strijd met een parlementaire wet, en daarmee onverbindend (ongeldig).

Lastigvallen De rechtbank zegt dat dit niet het geval is met het Rotterdams verbod van lastigvallen. Dit gedeelte van het APV-artikel over straatintimidatie is dus niet in strijd met een parlementaire wet. Echter, dat betekent niet automatisch dat het geldig is en dat mensen die het hebben overtreden strafbaar zijn.

Bovengrens 2 Parlementaire wetten – zoals het Wetboek van Strafrecht – zijn niet de enige bovengrens van een APV. Alle hogere regelingen zijn bovengrens voor een APV. Een APV mag bijvoorbeeld evenmin in strijd zijn met de provinciale verordening, de Grondwet en een verdrag.

Grondwet De rechtbank gaat na of het onderdeel lastigvallen uit het APV-artikel strijdt met een verdrag (het Europees mensenrechtenverdrag) of de Grondwet. En concludeert dat er geen strijd is met het verdrag, maar wél met de Grondwet. Het onderdeel lastigvallen is namelijk in strijd met de vrijheid van meningsuiting. Dat is een grondrecht of te wel mensenrecht dat is geregeld in artikel 7 (lid 3) van de Grondwet. Daarin staat onder andere: Voor het openbaren van gedachten of gevoelens (..) heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De rechtbank zegt dat met mondelinge uitlatingen (zoals die van de dader) gedachten of gevoelens worden geuit. Die uitlatingen vallen daardoor onder de vrijheid van meningsuiting. Het Rotterdamse straatintimidatieverbod beperkt dus de vrijheid van meningsuiting. Een beperking van deze vrijheid levert niet per se strijd op met het grondrecht. Het grondrecht geldt namelijk niet onbeperkt. Het mag beperkt worden: dat volgt uit de woorden behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Met wet wordt hier bedoeld een parlementaire wet: de vrijheid van meningsuiting mag dus alleen beperkt worden in een parlementaire wet. Een APV is géén parlementaire wet. De Rotterdamse APV waarin het straatintimidatieverbod staat, is géén geldige beperking van de vrijheid van meningsuiting. De rechtbank concludeert dat het in strijd is met de Grondwet. Voor zover een APV-artikel in strijd is met de Grondwet, is het onverbindend, anders gezegd: geldt het niet.

Toch veroordeeld En toch komt de rechtbank in deze rechtszaak tot een veroordeling en een strafoplegging wegens overtreding van het straatintimidatieverbod uit de APV. Is hier sprake van een foutje van de rechtbank? Een bureaucratische verschrijving? Neen. Hij wordt namelijk niet veroordeeld voor zijn mondelinge uitlatingen, want die vallen onder het openbaren van gedachten en gevoelens. Hij wordt wél veroordeeld voor zijn kus- en handgebaren, want die vallen in deze situatie niet onder het openbaren van gedachten of gevoelens. De kus- en handgebaren zijn hier dus geen beperking van het grondrecht vrijheid van meningsuiting. Het Rotterdamse straatintimidatieverbod verbiedt niet alleen mondelinge uitlatingen maar ook dergelijke kus- en handgebaren.

Dus het mag slechts beetje wel Is het Rotterdams straatintimidatieverbod geldig? Het uitjouwverbod is ongeldig. Het lastigvallenverbod is ongeldig voor wat betreft mondelinge uitlatingen; het is echter geldig voor wat betreft andere uitlatingen. Kusgebaren zijn (hier) geen mondelinge uitlatingen!

BRONNEN:

”APV”

Artikel 108 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente wordt aan het gemeentebestuur overgelaten.

Artikel 149 luidt: De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.

”Uitleg”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: De eerste twee begrippen, ‘uitjouwen’ en ‘lastigvallen’, vormen de kern van het verwijt en zijn daarmee de kwalificerende begrippen in de tenlastelegging. Het derde begrip ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ vormt een invulling van het begrip ‘lastigvallen’.

”Bovengrens”

Artikel 121 Gemeentewet luidt: De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Bij de uitleg van alle drie de begrippen moet steeds in het oog worden gehouden dat het in artikel 2:1a APV strafbaar gestelde gedrag een begrenzing vindt in strafbare feiten die al op andere wijze (bij wet in formele zin) zijn strafbaar gesteld.De gemeentelijke wetgever heeft namelijk een relatief ruime, maar wel slechts aanvullende verordenende bevoegdheid. Uit de toelichting wordt afgeleid dat het motief van de strafbaarstelling van straatintimidatie primair is gelegen in de bescherming van het openbare leven in de openbare ruimte en daarmee de openbare orde. In het verlengde daarvan moet de strafbaarstelling de personen die de straatintimidatie rechtstreeks ondergaan en de personen die het waarnemen beschermen. Bij de duiding van de begrippen moet van deze motieven van de gemeentelijke regelgever worden uitgegaan.

”Uitjouwen”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Toch laat het begrip uitjouwen zich lastig duiden wanneer daarbij wordt bedacht dat die uitlatingen dan bijvoorbeeld niet beledigend of bedreigend van aard mogen zijn. Dan zou immers dat gedrag al in het Wetboek van Strafrecht zijn strafbaar gesteld en is er geen ruimte voor strafbaarstelling door de gemeentelijke regelgever.

Het kwalificerende begrip uitjouwen is een smal begrip. Dit vindt zijn oorzaak in de betekenis die aan het begrip moet worden toegekend waardoor het begrip zijn begrenzing vaak zal vinden in andere strafbaarstellingen.

Artikel 266 Wetboek van Strafrecht luidt: Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 285 luidt (gedeeltelijk): Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met enig misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

”Lastigvallen”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Lastigvallen als kwalificerend begrip is juist breed en ziet vooral op het (be)naderen met oneerzame bedoelingen. Die oneerzame bedoelingen zullen dan moeten volgen en/of worden ingekleurd door de ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ waarmee iemand of meerdere personen worden benaderd. Het moet dan gaan om uitlatingen of handelingen die ergernis veroorzaken. Van deze betekenissen van de begrippen zal bij de verdere beoordeling worden uitgegaan.

”Grondwet”

Artikel 7 Grondwet. Lid 1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Lid 2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending. Lid 3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Het tweede zinsdeel van artikel 7 lid 3 Gw luidt: ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Dit zinsdeel duidt erop dat dit grondrecht mag worden beperkt maar alleen bij wet in formele zin. De vraag die zich hier opdringt is daarom of de strafbaarstelling zoals deze in artikel 2:1a van de APV is geformuleerd niet op gespannen voet staat met dit uitgangspunt. Dat is het geval als in een concrete zaak de ten laste gelegde handelingen als het openbaren van gedachten of gevoelens moeten worden aangemerkt. Het gevolg daarvan is dat artikel 2:1a APV – voor dat deel – onverbindend is en bewezenverklaarde feiten (deels) niet strafbaar zullen zijn.

Conclusie artikel 7 Grondwet

Voor zover onder de strafbaarstelling van artikel 2:1a APV het openbaren van gedachten of gevoelens wordt gebracht is dat artikel onverbindend omdat de APV geen wet in formele zin is. Dit betekent overigens helemaal niet dat het uiten van bepaalde gedachten of gevoelens niet moreel verwerpelijk kan zijn of dat strafbaarstelling van dergelijke uitspraken onmogelijk zou zijn. Het betekent niet meer en niet minder dan dat de manier waarop het nu is geregeld een zekere beperking met zich meebrengt.

De bewezenverklaarde mondelinge uitlatingen van de verdachte vallen onder de vrijheid van meningsuiting. Die uitlatingen zijn te beschouwen als het uiten van een gedachte of gevoelen zoals omschreven in artikel 7 lid 3 Gw.

Uitingen die vallen onder de vrijheid van meningsuiting mogen alleen worden beperkt bij wet in formele zin. De APV is geen wet in formele zin en daarom is artikel 2:1a APV niet-verbindend. Gevolg daarvan is dat de bewezenverklaarde uitspraken van de verdachte als zodanig niet strafbaar zijn en de verdachte in zoverre zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

”Toch veroordeeld”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: De bewezenverklaarde kus- en/of handgebaren vallen daarentegen niet onder vrijheid van meningsuiting (..) Ook zijn de kus- en handgebaren binnen de vastgestelde context niet onmiskenbaar te beschouwen als het uiten van een gedachte of gevoelen (..)

25-kilometerscooter zit op Amsterdams fietspad niet meer snor

WOENSDAG 19 DECEMBER 2018 De gemeente Amsterdam gaat het 25-kilometerscooters verbieden om nog langer van de fietspaden gebruik te maken. Het verbod gaat niet gelden voor alle fietspaden, maar wel voor heel veel fietspaden. De motivering is divers, zoals: het is al zo druk op de Amsterdamse fietspaden; deze scooters hebben moeite met het inhalen van fietsers omdat ze nogal breed zijn; veel fietsers schrikken ervan; de maximumsnelheid van deze scooters is veel hoger dan die van fietsers en bovendien houden ze zich zelfs niet aan die maximumsnelheid.

Snorfiets = bromfiets De wettelijke term voor de 25-kilometerscooter is snorfiets. De wet ziet de snorfiets als een bijzondere bromfiets.

Snorfiets = fiets Desondanks zijn de wettelijke regels voor fietsen en fietsers van toepassing op snorfietsen en snorfietsers, en dus niet de wettelijke regels voor bromfietsen en bromfietsers. Snorfietsers mogen (en moeten) dus net als fietsers zowel het verplichte fietspad als het fiets/bromfietspad gebruiken;bromfietsers mogen (en moeten) alleen het fiets/bromfietspad gebruiken.

VerkeersbesluiGemeenten mogen snorfietsers weren van de verplichte fietspaden, tenminste als ze daarvoor goede redenen hebben. Dat is anders met fietsers: zij mogen daarvan niet geweerd worden. Amsterdam gaat de snorfietsers weren van veel verplichte fietspaden. Dat kon echter niet zonder meer gebeuren: de gemeente moest er een verkeersbesluitover nemen.

B&W Het is binnen het gemeentebestuur het college van burgemeester en wethouders dat bevoegd is om zo’n verkeersbesluit te nemen. Het is dus geen bevoegdheid van de gemeenteraad of van de burgemeester(alleen). Natuurlijk kan er wel over worden gesproken in de gemeenteraad.

Ontwerpbesluit Het Amsterdams college van B&W heeft in juli van dit jaar het ontwerpbesluit genomen. Dat was nog geen definitief besluit. In augustus en september kon iedereen de officiële stukken inzien en bezwaren (zienswijzen) indienen over dit ontwerp besluit. Uit de krant begrijp ik dat daarvan veel gebruik is gemaakt.

Definitief besluiDesondanks heeft het Amsterdams college het ontwerpbesluit onlangs omgezet in een definitief besluit, zo begrijp ik uit de krant. Tal van verplichte fietspaden in Amsterdam zijn door dit verkeersbesluit straks verboden voor de 25-kilometerscooters; in plaats daarvan zullen ze gebruik moeten maken van de rijbaan. Op de rijbaan rijden ook auto’s.

Helmplicht Aan het gebruik van de rijbaan verbindt de wet voor 25-kilometerscooters de verplichting om een helm te dragen. Op fietspaden is er voor hun geen helmplicht.

1 juli 2018 Gemeentebesturen kunnen pas sinds kort zo’n verkeersbesluit nemen. Tot 1 juli van dit jaar was er voor hen geen wettelijke mogelijkheid om zo’n verkeersbesluit te nemen. Tegelijkertijd is een nieuw verkeersbord ingevoerd: een verbodsbord dat 25-kilometerscootersverbiedt om van het verplichte fietspad gebruik te maken.

BRONNEN:

Kop:

Uit het ontwerp-besluit van 17 juli 2018 van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam: De snorfiets is op veelplaatsen een specifieke hinderlijke factor voor het volledig kunnen benutten van de capaciteit van het fietspad, door de grotere breedte van het voertuig en het snelheidsverschil met fietsen. Andere weggebruikers ondervinden veel overlast: stank, hinder en gevaarzetting door snorfietsers. De drukte op de fietspaden leidt ook tot verkeersonveilige situaties, bijvoorbeeld doordat er te weinig ruimte is voor inhalende snorfietsen of door schrikreacties die ontstaan doordat gebruikers van het fietspad onvoldoende afstand kunnen houden. De groeiende drukte en de grote diversiteit aan voertuigen op de relatief smalle fietspaden vormen een steeds groter probleem voor de verkeersveiligheid en bereikbaarheid van de stad per fiets. (..) Uit onderzoek is gebleken dat het aantal snorfietsers in Amsterdam de afgelopen jaren is gegroeid van 11.000 in 2008 naar35.000 in 2016 (groei van 223%). Ondanks het feit dat al jaren minimaal 20% van de handhavingscapaciteit van het team Verkeershandhaving van de nationale politie eenheid Amsterdam gericht is op snelheidsovertredingen van snor- en bromfietsen, moet worden geconstateerd dat anno 2016 nog altijd 87% van de snorfietsen te hard rijdt. Meer inzet van de politiecapaciteit is disproportioneel en gaat ten koste van andere verkeersveiligheidsprioriteiten zoals alcoholgebruik in het verkeer, roodlichtnegatie, te hoge snelheid van auto’s, afleiding door de smartphone en de aanpak van veelplegers.

Snorfiets = bromfiets:

Artikel 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV): In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

snorfiets: bromfiets die blijkens de gegevens in het kentekenregister is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 25 km per uur, met uitzondering van de speed-pedelec, of bromfiets als bedoeld in (..);

rijbaan: elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden;

wet: Wegenverkeerswet 1994;

Snorfiets = fiets:

Artikel 2b Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV): De regels van dit besluit betreffende fietsen en fietsers zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen en bromfietsers, mede van toepassing op snorfietsen en snorfietsers, tenzij anders is bepaald.

Artikel 5 RVV luidt (gedeeltelijk): Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad. Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.

Artikel 6 RVV luidt: Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad. Zij gebruiken de rijbaan indien een fiets/bromfietspad ontbreekt.

Verkeersbesluit:

Artikel 5 lid 8 RVV luidt (per 1 juli 2018): Bestuurders van snorfietsengebruiken de rijbaan indien dit bij verkeersbesluit, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet is bepaald en bij het verkeersteken dat het verplichte fietspad aangeeft een onderbord dit aanduidt.

(Het RVV is een algemene maatregel van bestuur.)

Artikel 15 Wegenverkeerswet 1994: De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

B&W:

Artikel 18 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) luidt (gedeeltelijk): Verkeersbesluiten worden genomen: voor zover zij betreffen het verkeer op andere wegen door burgemeester en wethouders, of krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde bestuurscommissie.

Artikel20 WVW luidt (gedeeltelijk): Een belanghebbende kan tegen een verkeersbesluit tot plaatsing of verwijdering van verkeerstekens en onderborden of tot het treffen van maatregelen op of aan de weg ter regeling van het verkeer beroep instellen bij de rechtbank.

Ontwerp besluit:

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-45691.html

Helmplicht en 1 juli 2018:

Artikel 60 Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) luidt (gedeeltelijk): Lid 1. De bestuurder en de passagiers van bromfietsen, brommobielen zonder gesloten carrosserie, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen zonder gesloten carrosserie moeten een goed passende helm dragen, die door middel van een sluiting op deugdelijke wijze op het hoofd is bevestigd en die is voorzien vaneen goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 22, zesde lid van de wet.Lid 2. Het eerste lid geldt niet voor: a. de bestuurder en de passagiers van een snorfiets, behoudens wanneer artikel 5, achtste lid, van toepassing is;

Artikel 5 achtste lid RVV luidt (per 1 juli 2018): Bestuurders van snorfietsen gebruiken de rijbaan indien dit bij verkeersbesluit, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet is bepaald en bij het verkeersteken dat het verplichte fietspad aangeeft een onderbord dit aanduidt.

Artikel 8 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) luidt (gedeeltelijk) (per 1 juli 2018): Onder verkeersborden kunnen onderborden worden geplaatst. Deze onderborden kunnen: (…) bij het verkeersbord G11 van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, een aanduiding inhoudende dat het gebruik van het fietspad niet is toegestaan voor snorfietsen, waaronder hier niet begrepen worden bromfietsen die zijn aangewezen op grond van artikel 20b, eerste lid, van de wet.

Ondermijnen prefab woningen de rechtsbescherming?

DONDERDAG 22 NOVEMBER 2018 In de krant van vorige week staat een groot artikel over prefab woningen. Dat zijn woningen – eengezinswoningen maar ook appartementen – die in de fabriek worden gemaakt en vervolgens van daaruit naar de woningbouwlocatie worden vervoerd. In vergelijking met een gewone woning die op locatie wordt gebouwd, zijn ze snel klaar en een stuk goedkoper. De kwaliteit is ook niet ondermaats. De prefab woningen lijken daardoor een belangrijke bijdrage te kunnen leveren aan de woningnood die veel gemeenten in het land ervaren. In onder andere Den Bosch, Nijkerk, Amsterdam, Texel, Rotterdam, Weert en Purmerend staan sinds kort prefab woningen of bestaan daarvoor vergevorderde plannen. Bijkomend voordeel voor gemeentebesturen is dat omwonenden en anderen die tegen de komst van (zekere) woningen op een bepaalde locatie zijn veel minder rechtsbescherming hebben. Hoe is het gesteld met die rechtsbescherming bij de bouw van gewone huizen? En wat is het verschil met prefab woningen? Deze bijdrage wil hierop uiteraard geen uitputtend antwoord geven.

Bouwen Voor het bouwen van een bouwwerk zoals een woning is altijd een omgevingsvergunning nodig. Zonder omgevingsvergunning is bouwen van een woning wettelijk verboden. Een woning die is gebouwd zonder omgevingsvergunning moet weer worden afgebroken.

Bestemmingsplan Een omgevingsvergunning wordt geweigerd als het bouwen van de woning (op een zekere locatie) in strijd is met het bestemmingsplan.

Gemeenteraad Het bestemmingsplan is gemaakt door de gemeenteraad. Daarin staat per locatie (perceel) wat de bestemming is en wat de regels zijn voor het gebruik van de grond en de daarop staande bouwwerken. Een bestemming kan bijvoorbeeld zijn kantoren, groen (park of plantsoen), detailhandel, bedrijventerrein, natuur en ten slotte wonen. De gemeenteraad moet om de tien jaar besluiten over verlenging of wijziging van het bestemmingsplan.

Woningbouw Het bouwen van woningen op een locatie mag dus niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Als dat wel het geval is en de gemeenteraad wil toch woningbouw op die locatie mogelijk maken dan moet de raad zijn bestemmingsplan wijzigen, en wel zo dat het nieuwe plan woningbouw op die locatie wel mogelijk is.

Nieuw bestemmingsplan Voor een nieuw bestemmingsplan is natuurlijk een raadsmeerderheid nodig. Maar dat is niet het enige. Ten eerste moet een nieuw plan worden voorbereid. Dat houdt onder andere in dat een ontwerp daarvan gedurende zekere tijd ter inzage moet worden gelegd. Gedurende die tijd kan iedereen – bijvoorbeeld omwonenden – daartegen bij de gemeente bezwaren indienen, zienswijzen geheten. Enige tijd daarna neemt de gemeenteraad zijn definitieve besluit. Bezwaarmakers kunnen dan naar de rechter stappen. Die rechter is de (afdeling bestuursrechtspraak van de) Raad van State. De voorbereiding en vooral de rechtszaken kunnen enige tijd vergen, bijvoorbeeld meer dan een jaar. Weliswaar mag er ondanks de rechtszaak al worden begonnen met de bouw, tenzij om een zogenaamde voorlopige voorziening (bij de Raad van State) wordt gevraagd: dat verzoek zorgt ervoor dat er voorlopig toch niet mag worden gebouwd.

Prefab woning Dat kan kan volgens een gemeente allemaal te lang gaan duren. Dan biedt een prefab woning blijkbaar uitkomst, want blijkbaar wordt een prefab woning juridisch niet gezien als het bouwen van een bouwwerk, maar als het gebruiken van de grond. En dat maakt juridisch veel verschil. Weliswaar gelden de bestemmingen in het bestemmingsplan ook voor het gebruiken van de grond en mag ook voor het gebruiken van de grond dat in strijd is met het bestemmingsplan geen omgevingsvergunning worden afgegeven. Maar: de gemeente mag wél een omgevingsvergunning afgeven voor grondgebruik dat niet langer dan tien jaar in strijd is met het bestemmingsplan. En dat is het verhaal bij prefab woningen: de prefab woning zal hier niet langer staan dan tien jaar; hij wordt na die tien jaar weer verwijderd.

Praktijk Dat is het verhaal bij de prefab woning, maar ik begrijp uit de krant dat het nog maar de vraag is of dat daadwerkelijk gaat gebeuren. De kwaliteit van de prefab woning zal er zeker niet aan in de weg staan om er (veel) langer in te wonen. En er zijn in het verleden vaker perioden geweest waarin veel tijdelijke woningen werden gebouwd die achteraf gezien gewoon permanente woningen zijn geworden.

BRONNEN:

Artikel 2.1 eerste lid onder a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (afgekort tot WABO) luidt: Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 2.3a WABO luidt (gedeeltelijk): Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.

Artikel 2.10 WABO luidt (gedeeltelijk): Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien (onder andere) de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan (..)

Artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening luidt (gedeeltelijk): De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied. De bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, wordt binnen een periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, telkens opnieuw vastgesteld.

Artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening luidt (gedeeltelijk): Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp bij de gemeenteraad naar voren kunnen worden gebracht;

Artikel 2 van de Bijlage bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak van de Algemene wet bestuursrecht luidt (gedeeltelijk): Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. (Zoals een besluit genomen op grond van) artikel 3.1 derde lid Wet ruimtelijke ordening: een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan

Artikel 6.16 Algemene wet bestuursrecht luidt (gedeeltelijk): Het beroep schorst niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Artikel 8.4 Wet ruimtelijke ordening luidt (gedeeltelijk): Indien gedurende de beroepstermijn met betrekking tot een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de werking van het besluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist. Bij de toewijzing van het verzoek geeft de voorzitter aan op welke onderdelen van het bestemmingsplan of inpassingsplan of van de wijziging of uitwerking hiervan de voorlopige voorziening betrekking heeft.

Artikel 2.1, eerste lid, onder c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (afgekort tot WABO) luidt (gedeeltelijk): Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

  • a. het bouwen van een bouwwerk,

  • b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

  • c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (..).

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 WABO luidt (gedeeltelijk): Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

  • a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

    • 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen,

Die gevallen staan in:

Artikel 4 Besluit Omgevingsrecht (=algemene maatregel van bestuur) luidt (gedeeltelijk): Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de WABO waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van die wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, komen in aanmerking (de volgende onderdelen):

(11) (..) gebruik van gronden of bouwwerken (..) voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Regering hoeft niet meer te gaan over benoeming burgemeesters

VRIJDAG 9 NOVEMBER 2018 De burgemeesters van onder andere Rotterdam, Den Bosch, Haarlem en Zoetermeer hebben de Eerste Kamer gevraagd om de burgemeestersbenoeming in de Grondwet te laten. De Eerste Kamer buigt zich volgende week over het wetsvoorstel om de benoeming van burgemeesters en commissarissen van de Koning uit de Grondwet te halen.

Deconstitutionaliseren Als een regeling uit de Grondwet wordt gehaald, spreekt men ook wel van deconstitutionaliseren. Een ander woord voor grondwet is constitutie.

Grondwet nu In de Grondwet staat nu (nog) dat de burgemeester wordt benoemd bij koninklijk besluit. Dat betekent dat de burgemeester wordt benoemd door de regering.

Gemeentewet In de Gemeentewet staat dat de gemeenteraad twee kandidaten aanbeveelt voor het burgemeesterschap waarbij de eerste kandidaat de voorkeur geniet. De minister draagt in beginsel die kandidaat voor om te worden benoemd. De regering hoeft deze voordracht evenwel niet over te nemen, ook niet in beginsel. Als de regering de door de minister voorgedragen persoon altijd wél zou moeten benoemen en de minister de aanbeveling van de gemeenteraad altijd wél zou moeten overnemen in zijn voordracht, dan was de Gemeentewet hier in strijd met de Grondwet. Daarin staat immers dat de regering de burgemeester benoemt. De regering mag van elke voordracht afwijken. Uit de krant begrijp ik dat de regering de voordracht van de minister meestal overneemt.

Grondwet straks Als de Eerste Kamer het wetsvoorstel aanneemt, dan komt er in de Grondwet te staan dat de burgemeester wordt aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze, en dat krachtens de wet nadere regels kunnen worden gesteld over de daarbij te volgen procedures. De voorgestelde Grondwetsbepaling maakt het dus mogelijk dat de regering geen enkele betrokkenheid meer heeft bij de burgemeestersbenoeming. Dan moet de Gemeentewet wel worden gewijzigd. Zolang dat niet gebeurt, verandert de benoeming ook na de deconstitutionalisering niet. Opvallend is trouwens dat de Grondwettelijke regeling van de burgemeestersbenoeming ná deconstitutionaliseren uit veel meer woorden bestaat!

Tweede Lezing Een wetsvoorstel waarin de Grondwet wordt gewijzigd moet niet één keer maar twee keer door het parlement worden aangenomen. Bovendien is de tweede keer een 2/3 meerderheid van de uitgebrachte stemmen nodig. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel inmiddels twee keer aangenomen. De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel de eerste keer in april 2015 aangenomen. Met 48 stemmen voor en 21 stemmen tegen. Dat is genoeg voor een gewone meerderheid. Dat is ook genoeg voor een 2/3 meerderheid. Bij die stemming was echter niet iedereen aanwezig: slechts 69 van de 75 Kamerleden. Bovendien waren er een maand later verkiezingen voor de Eerste Kamer waardoor de samenstelling is gewijzigd. In april 2015 stemden de fracties van CDA, ChristenUnie, SGP en een deel van de PvdA tegen.

BRONNEN:

Artikel 131 Grondwet: De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 47 Grondwet luidt: Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 42 Grondwet luidt: De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

Artikel 61 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De raad zendt Onze Minister binnen vier maanden nadat de gelegenheid tot sollicitatie voor de functie is gegeven een aanbeveling inzake de benoeming. Deze aanbeveling omvat twee personen. In een bijzonder, door de raad te motiveren geval, kan worden volstaan met een aanbeveling waarop één persoon vermeld staat. Onze Minister slaat geen acht op een enkelvoudige aanbeveling, indien naar zijn oordeel geen sprake is van een bijzonder geval. Onze Minister volgt in zijn voordracht in beginsel de aanbeveling, met inbegrip van de daarop gehanteerde volgorde, tenzij zwaarwegende gronden aanleiding tot afwijking geven. Een afwijking wordt gemotiveerd.

Wetsvoorstel waarover Eerste Kamer zich volgende week buigt: Artikel 131 van de Grondwet komt te luiden als volgt: De commissaris van de Koning en de burgemeester worden aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze. Krachtens de wet kunnen nadere regels worden gesteld over de daarbij te volgen procedures.

Artikel 137 Grondwet luidt (gedeeltelijk): Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

I Amsterdam

DONDERDAG 18 OKTOBER 2018 De I Amsterdam letters op het Museumplein in Amsterdam moeten daar blijven staan. Dat is de strekking van een internet actie die inmiddels bijna 9000 keer is ondertekend. Het is een reactie op een motie die GroenLinks vorige week in de Amsterdamse gemeenteraad heeft ingediend. De motie roept het college op om die letters daar weg te halen. De internet actie is een verzoek aan de gemeente Amsterdam om de I Amsterdam letters te laten staan op het Museumplein. Ik neem aan dat het verzoek uiteindelijk officieel wordt ingediend bij de gemeente.

Recht Indiening van schriftelijke verzoeken bij de overheid is een recht: het recht van petitie. Petities kunnen bijvoorbeeld worden ingediend bij de Tweede Kamer, bij een commissaris van de Koning (provincie) en bij een burgemeester.

Mensenrecht Het is zelfs een bijzonder recht, het is namelijk een mensenrecht. Dit mensenrecht is zelfs geregeld in de Nederlandse grondwet en is daardoor ook een grondrecht.

Een ieder Het recht van petitie komt een ieder toe. Het is bijvoorbeeld niet beperkt tot Nederlanders of tot meerderjarigen. Ook vreemdelingen en minderjarigen mogen een petitie indienen bij de overheid.

Grondwet Het staat al twee eeuwen in de Nederlandse grondwet. Het was al opgenomen in de eerste grondwet, die van 1815. Het is in de loop der tijd wel een beetje gewijzigd.

Geen recht op honoreren verzoek Het petitierecht houdt (uiteraard) niet in dat de overheid aan het verzoek tegemoet moet komen; de overheid moet het wel in ontvangst nemen.

BRONNEN

Grondwet luidt sinds 1983: Grondrechten. Artikel 5. Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Grondwet 1972-1983 luidt: Van het Rijk en zijn Inwoners. Artikel 8. Ieder heeft het recht om verzoeken, mits schriftelijk, aan de bevoegde macht in te dienen. Elk verzoek moet door de verzoeker ondertekend zijn. Ondertekening uit naam van anderen kan alleen geschieden krachtens schriftelijke bij het verzoek overgelegde volmacht. Wettig bestaande lichamen kunnen aan de bevoegde macht verzoekschriften indienen, doch alleen over onderwerpen tot hun bepaalde werkkring behorende.

Grondwet 1917-1972 luidt: Van het Rijk en zijne Inwoners. Artikel 8. Ieder heeft het recht om verzoeken, mits schriftelijk, aan de bevoegde macht in te dienen. Elk verzoek moet door den verzoeker onderteekend zijn. Onderteekening uit naam van anderen kan alleen geschieden krachtens schriftelijke bij het verzoek overgelegde volmacht. Wettig bestaande lichamen kunnen aan de bevoegde macht verzoekschriften indienen, doch alleen over onderwerpen tot hun bepaalden werkkring behoorende.

Grondwet 1848-1917 luidt: Van het Rijk en zijn Inwoners. Artikel 9. Ieder ingezeten heeft het regt om verzoeken aan de bevoegde magt schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uit naam van meer worden onderteekend, welk laatste alleen kan geschieden door of van wege ligchamen, wettelijk zamengesteld of als zoodanig erkend, en in dat geval niet anders dan over onderwerpen tot hunne bepaalde werkzaamheden behoorende.

Grondwet 1840 – 1848 luidt: Van de Plaatselijke Besturen. Artikel 159. Ieder ingezeten heeft het regt om verzoeken aan de bevoegde magt schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uit naam van meerderen worden onderteekend, welk laatste alleen zal kunnen geschieden door of van wege ligchamen, wettiglijk zamengesteld en als zoodanig erkend, en, in dat geval, niet anders dan over onderwerpen tot derzelver bepaalde werkzaamheden behoorende.

Grondwet 1815-1840 luidt: Van de Plaatselijke Besturen. Artikel 161. Ieder ingezeten heeft het regt om verzoeken aan de bevoegde magt schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uit naam van meerderen worden onderteekend, welk laatste alleen zal kunnen geschieden door of van wege ligchamen, wettiglijk zamengesteld en als zoodanig erkend, en, in dat geval, niet anders dan over onderwerpen tot derzelver bepaalde werkzaamheden behoorende.

Groningen wel verplicht tot handhaven bij overtreding rookverbod

MAANDAG 1 OKTOBER 2018 Vorige week stond een artikel in de krant over de gemeente Groningen. De gemeenteraad heeft geregeld dat het college van burgemeester en wethouders roken kan gaan verbieden op openbare plaatsen, zoals straten en pleinen. Dat kan gebeuren op verzoek van instellingen zoals scholen en ziekenhuizen. Het gemeentebestuur is echter niet van plan om het verbod op die plaatsen te gaan handhaven door tegen overtredingen van het verbod op te treden. Het wordt aan de scholen, ziekenhuizen en dergelijke overgelaten om het verbod zelf uit te voeren. Kan de gemeente zich wel aan handhaving onttrekken?

APV Het rookverbod is geregeld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Elke gemeente heeft zo’n verordening. Daarin zijn zeer uiteenlopende onderwerpen geregeld, gerangschikt in hoofdstukken. Er zijn in Groningen hoofdstukken over bijvoorbeeld openbare orde, regulering prostitutie en natuur- en milieubescherming.

Artikel 2:47a Het rookverbod is geregeld in artikel 2:47a; dat is in het hoofdstuk over openbare orde. Het staat tussen een verbod op openbare plaatsen voor drankgebruik en een verbod voor hinderlijk gedrag. In de toelichting op het rookverbod wordt vooral de stank- en rookoverlast van het roken benadrukt. Het rookverbod had volgens mij daarom ook opgenomen kunnen worden in het hoofdstuk over milieubescherming, als een van de maatregelen tegen stankoverlast.

Handhaven APV Politie en gemeentelijke boa’s houden toezicht op naleving van de APV. Er staat onder andere een boete op overtreding van een verbod maar handhaving kan ook met andere bestuurlijke sancties gebeuren.

Geen plicht tot handhaven? Kan de gemeente zich onttrekken aan handhaving doordat politie en boa’s geen toezicht houden op het rookverbod en er geen boetes of andere bestuurlijke sancties worden opgelegd bij overtreding van dit verbod? Met andere woorden: heeft de gemeente geen handhavingsplicht? Groningen gaat er van uit dat ze geen handhavingsplicht heeft. Ik wil bij dat uitgangspunt een kritische opmerking maken.

Wel plicht tot handhaven! Weliswaar mag en moet de gemeente volgens de wet (ook) bij handhavend optreden steeds een belangenafweging maken, maar de hoogste bestuursrechter heeft in 2004 overwogen dat overheden in beginsel verplicht zijn om handhavend op te treden bij overtreding van een wettelijk voorschrift. Ook APV-verboden zijn wettelijke voorschriften. Dit wordt de beginselplicht tot handhaving genoemd. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden is die plicht er niet. Daarvan lijkt mij in de Groningse situatie geen sprake. Als het college van burgemeester en wethouders bij een school een verbod heeft ingesteld, en de school (of een andere belanghebbende) vraagt de gemeente vervolgens om handhavend op te treden tegen overtredingen, dan zou de rechter de gemeente daartoe best wel eens kunnen dwingen.

BRONNEN

Artikel 2:47A van de Algemene Plaatselijke Veordening Groningen 2009 luidt als volgt: Verbod verspreiding hinderlijke rookgassen. Het is verboden om op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, hinderlijke rookgassen te verspreiden. Een rechthebbende van een gebouw met een publieke/openbare functie kan een verzoek indienen bij het college tot het opnemen van een bepaald gebied in een aanwijzingsbesluit. Bij toewijzing van het verzoek, als bedoeld in lid 2, draagt de rechthebbende zorg voor een juiste uitvoering daarvan.

HOOFDSTUK 2 van deze APV luidt: OPENBARE ORDE

HOOFDSTUK 3 van deze APV luidt: REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN

HOOFDSTUK 4 van deze APV luidt: BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Afdeling 4 daarvan luidt: Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 6:1 van deze APV luidt (gedeeltelijk): Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, en van de voorschriften en beperkingen die zijn verbonden aan de op grond van deze verordening verleende vergunningen of ontheffing

Artikel 6:3 van deze APV luidt (gedeeltelijk): Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht luidt: Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Uitspraak 200306199/1. Datum uitspraak: 7 juli 2004. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK (Raad van State) 2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Voor de hele uitspraak: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2004:AP8242

WW-uitkering voor wethouders

MAANDAG 24 SEPTEMBER 2018 Ex-wethouders kunnen recht hebben op een WW-uitkering, wachtgeld geheten. Vorige week stond er een artikel in de krant over een wethouder die sinds zijn aftreden in 2006 recht wachtgeld geniet ter aanvulling op een onderwijsfunctie die hij sinds zijn ontslag uitoefent; hij was 50 jaar oud toen zijn wethouderschap na meer dan tien jaar eindigde. Hoe lang kan een ex-wethouder recht hebben op wachtgeld?

APPA Dat is een afkorting die staat voor Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Op grond van deze wet kan een ex-wethouder recht hebben op ongeveer drie jaar wachtgeld. Wethouders die minder dan vijf jaar van hun pensioen zijn verwijderd, kunnen recht hebben op wachtgeld tot aan hun pensioen. Pensioen kan hier nimmer ingaan vóór de 65e verjaardag.

Overgangsregeling Dit is de wettelijke regeling zoals die nu geldt. De wet is in de loop der tijd echter veranderd. In het verleden was de wettelijke regeling gunstiger. Wethouders die zijn gestopt toen de oude wettelijke regeling nog gold, kunnen onder een wettelijke overgangsregeling vallen. De oude gunstigere regeling blijft voor hen dan (grotendeels) gelden.

Gemeente Een aantal gemeenteraden hebben de wettelijke wachtgeld regeling verruimd. Dat is in elk geval in enkele tientallen gemeenten gebeurd. Zij hebben een Uitkerings- en pensioenverordening wethouders gemaakt. Onder andere de gemeenteraad van Den Haag heeft zo’n verordening gemaakt. En daarin is bijvoorbeeld geregeld dat als een wethouder na zijn 50e verjaardag na meer dan tien jaar wethouderschap stopt, hij recht kan hebben op wachtgeld tot aan zijn pensioen. Zo’n verordening lijkt veel op de oude wettelijke regeling. De wethouder uit de krant was trouwens geen wethouder in Den Haag.

Mag het? Mag een gemeenteraad een verordening maken waarin ex-wethouders langer wachtgeld krijgen dan zij op grond van de Wet Appa krijgen? Ja, tenzij die ruimere gemeentelijke wachtregeling in strijd is met de Wet Appa. Is er die strijd? Ik heb in de Wet Appa geen uitdrukkelijk verbod gevonden voor zo’n ruimere wachtgeldregeling. Echter, strijd tussen een gemeentelijke verordening en een wet kan er ook zijn zonder zo’n uitdrukkelijk wettelijk verbod. Ik laat het bij deze laatste opmerking.

BRONNEN

Hoofdstuk 20. Artikel 130 Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers luidt (gedeeltelijk): (Wat hieronder staat over lid van gedeputeerde staten) is van overeenkomstige toepassing op burgemeesters en wethouders, met dien verstande dat wordt gelezen voor lid van gedeputeerde staten: burgemeester of wethouder.

Hoofdstuk 21. Artikel 131 luidt (gedeeltelijk): Aan een lid van gedeputeerde staten wordt met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, recht op uitkering verleend ten laste van de provincie waarin hij als zodanig optrad, op de voet van de volgende artikelen.

Hoofdstuk 21. Artikel 132 luidt (gedeeltelijk): De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest, maar tenminste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Als de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode van twaalf jaren ten minste tien jaren lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.

Artikel 134 luidt (gedeeltelijk): De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden met de uitkering verrekend.

Artikel 163e (behoort bij hoofdstuk 21) luidt: Ten aanzien van de uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag of aftreden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing uitkeringsduur Appa, blijft de uitkeringsduur van kracht zoals deze gold op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.

Artikel 132 Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers luidde op 1 januari 2007: De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest, maar tenminste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van zes jaren. Indien de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden als lid van gedeputeerde staten de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en hij in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien jaren lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Artikel 2 Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van de gemeente Den Haag: luidt (gedeeltelijk): De uitkering wordt toegekend voor ten hoogste voor de duur van zes jaren.

Artikel 3 van de Haagse verordening luidt (gedeeltelijk): Indien de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden als wethouder de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en hij in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien jaren wethouder is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Artikel 121 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten of door algemene maatregelen van bestuur is (!) voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten niet in strijd zijn.

Ongeplande raadsvergadering

DINSDAG 21 AUGUSTUS 2018 De gemeenteraad van de Zuid-Hollandse gemeente Westland is tijdens het reces bijeengeroepen voor een spoedvergadering. Voor de gemeenteraadsleden kwam die vergadering als een verrassing. In de krant staat dat het tot veel gemopper leidde onder de raadsleden omdat ze hun vakantie in allerijl moesten afbreken. De ingelaste raadsvergadering bleek nodig om een tweede grote huisvestingslocatie voor arbeidsmigranten in Maasdijk te voorkomen, ook wel ”Polenhotel” genoemd. Maasdijk is een van de kernen van de gemeente Westland.

Wie gaat eigenlijk over de bijeenroeping van een ongeplande raadsvergadering?

Burgemeester De burgemeester mag de gemeenteraad bijeenroepen voor een ongeplande vergadering als zo’n vergadering volgens haar nodig is.

Voorzitter gemeenteraad De burgemeester is dan ook de voorzitter van de gemeenteraad.

Schriftelijk Oproeping tot de vergadering moet schriftelijk gebeuren.

Acht raadsleden Een ongeplande raadsvergadering wordt ook bijeengeroepen als een vijfde van de raadsleden daarom vraagt en bij hun verzoek aangeeft wat daarvoor hun redenen zijn. De gemeenteraad van Westland telt 39 leden. Voldoende is dus als 8 raadsleden een verzoek doen. De Westlandse spoedvergadering is door de burgemeester bijeengeroepen.

Artikel 9 Gemeentewet luidt: De burgemeester is voorzitter van de raad.

Artikel 17 luidt (gedeeltelijk): Voorts vergadert de raad indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit de raad bestaat schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt.

Artikel 19 luidt (gedeeltelijk): De burgemeester roept de leden schriftelijk tot de vergadering op. Tegelijkertijd met de oproeping brengt de burgemeester dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis.