Koningsdag

DINSDAG 23 APRIL 2019 Aanstaande zaterdag is het Koningsdag. Koning Willem-Alexander is dan jarig. Er wordt wel gezegd dat de taken van de koning bestaan uit ceremoniële en staatkundige taken. Een deel van de staatkundige taken staan in de Grondwet. Welke taken zijn dat en wat is hun staatsrechtelijke betekenis? Hieronder is in geen enkel opzicht naar volledigheid gestreefd.

Nederlanden Willem-Alexander is koning van de Nederlanden. Hij is niet alleen koning van Nederland, maar ook van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. En ook van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, want die laatste drie zijn Nederlandse gemeenten.

Regering De koning maakt deel uit van de regering. De regering wordt gevormd door de ministers én de koning. Maar: de ministerraad bestaat alleen uit de ministers. Het kabinet bestaat uit de ministers en de staatssecretarissen. De koning maakt er geen deel van uit. Hij maakt alleen deel uit van de regering, niet van de ministerraad of het kabinet.

Onschendbaar Is de koning mede verantwoordelijk voor het regeringsbeleid? Nee: alleen de ministers en staatssecretarissen zijn daarvoor verantwoordelijk. Zij zijn verantwoordelijk voor alles wat met de regering te maken heeft, dus ook voor wat de koning doet of niet doet als deel van de regering. De koning zelf is onschendbaar.

KB Als deel van de regering, ondertekent de koning bijvoorbeeld koninklijke besluiten. Daarvoor zijn dan een of meer ministers of staatssecretarissen verantwoordelijk. Een koninklijk besluit – meestal afgekort tot KB – is een besluit. Het is een besluit waaronder de handtekening staat van de koning én de handtekening van een of meer ministers of staatssecretarissen. De handtekening van minister of staatssecretaris heet hier contraseign. Dit contraseign zorgt ervoor dat alleen zij verantwoordelijk zijn voor de inhoud van het KB.

Kabinet KB’s zijn bijvoorbeeld de besluiten waarbij ministers en staatssecretarissen worden benoemd. Hun benoeming gebeurt dus bij koninklijk besluit. Hun ontslag trouwens ook. Het contraseign bij deze besluiten is steeds van de minister-president. Hij contrasigneert zelfs zijn eigen benoeming en ontslag.

Burgemeesters Ook sommige andere functionarissen worden bij KB genoemd, zoals de rechters van rechtbanken en gerechtshoven en de leden van de Raad van State en van de Algemene Rekenkamer. Het contraseign bij de benoeming van rechters is van de minister van Justitie en Veiligheid. Tot eind vorig jaar stond in de Grondwet dat burgemeesters en commissarissen van de koning per KB worden benoemd. Dat is toen geschrapt uit de Grondwet. Dat betekent niet dat burgemeesters en commissarissen sindsdien zonder KB worden benoemd, want Gemeentewet en Provinciewet eisen het nog steeds. Het contraseign bij deze benoemingen is van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden.

De Tweede Kamer wordt meestal pas ontbonden nádat er nieuwe verkiezingen zijn gehouden. Ook Kamerontbinding gebeurt bij koninklijk besluit. De laatste keer dat dit gebeurde was in 2017. Soms wordt de Kamer ontbonden vóór de verkiezingen. Dat gebeurt als het kabinet is gevallen en zonder dat er uitzicht is op een nieuw kabinet dat de steun van de Kamer krijgt. De laatste keer dat dit gebeurde was in 2012, met de val van het kabinet Rutte I. In dat geval moet in het KB ook staan dat er snel nieuwe verkiezingen worden gehouden. Ik neem aan dat het contraseign van de minister-president is.

Gratie verlenen Mensen die door de rechter zijn veroordeeld tot een straf, kunnen de koning om vermindering of kwijtschelding van hun straf verzoeken. Als dat verzoek wordt gehonoreerd en gratie wordt verleend, gebeurt dat in de vorm van een KB. Het contraseign is van de minister van Justitie en Veiligheid. Vorig jaar zijn zo’n 900 gratieverzoeken ingediend.

Regen De burgemeester- en commissarisbenoemingen zijn niet de enige besluiten waarvoor een KB nodig is, maar dat niet uitdrukkelijk in de Grondwet wordt geëist. Bijvoorbeeld besluiten waarbij koninklijke onderscheidingen worden toegekend. In de komende dagen zullen weer heel wat lintjes worden uitgereikt. Mensen die zich bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt voor de samenleving, komen in aanmerking voor een koninklijke onderscheiding in de Orde van Oranje-Nassau. Deze lintjesregen bereikte vorig jaar de 2888. Elk lintje uit deze ridderorde moet per koninklijk besluit worden toegekend. Het contraseign is afkomstig van een of meer ministers; welke minister dat is, hangt ervan af.

Wetsvoorstel De indiening van een wetsvoorstel is geen KB, maar elk wetsvoorstel dat de regering bij de Tweede Kamer indient begint met een door de koning ondertekende koninklijke boodschap. In 2018 heeft de regering 217 wetsvoorstellen ingediend.

Wet Een wetsvoorstel dat door Tweede én Eerste Kamer is aangenomen, kan geen wet worden zonder handtekeningen van de koning en het contraseign van een of meer ministers of staatssecretarissen. In het vergaderjaar 2017/2018 heeft de Eerste Kamer 211 wetsvoorstellen aangenomen.

Eed of belofte De staatkundige taken van de koning hebben niet alleen betrekking op het nemen van schriftelijke besluiten. Ze bestaan bijvoorbeeld ook uit het afnemen van de eed of belofte van de nieuwbenoemde ministers en staatssecretarissen.

Troonrede En bijvoorbeeld op Prinsjesdag – elke derde dinsdag van september – houdt de koning de Troonrede. Dat doet hij in de Ridderzaal op het Binnenhof. Daarvoor zijn onder de leden van de Eerste kamer, de Tweede Kamer en het kabinet uitgenodigd.

Koningsdag Aanstaande zaterdag is het Koningsdag. Dat is de dag waarop de verjaardag van de koning officieel wordt gevierd. Welke dag dat is, wordt per koninklijk besluit aangewezen. Dit KB is uitgevaardigd voordat Willem-Alexander koning was. Het is dan ook niet zijn handtekening maar die van de vorige koning – koningin Beatrix – die eronder staat. Zoals gezegd is 27 april ook de dag waarop hij jarig is. Er had ook een andere dag aangewezen kunnen worden: zo werd Koninginnedag ten tijde van het koningschap van Beatrix niet op haar verjaardag gevierd. Koningsdag of Koninginnedag is een algemeen erkende feestdag.

Correcties en aanvullingen op deze bijdrage. Op de Tweede Kamer: de Tweede Kamer wordt alleen ontbonden bij vervroegde verkiezingen, dus als het kabinet valt en er geen uitzicht is op een nieuw kabinet dat de steun krijgt van de kamer. Die ontbinding gaat pas in op de dag dat de nieuwe kamer voor het eerst samenkomt. Als er geen vervroegde verkiezingen worden gehouden, treden alle Kamerleden automatisch en gelijktijdig af zodra de zittingsduur van de kamer is verstreken (meestal is dat vier jaar). Er is in dat geval geen sprake van ontbinding en er is dus ook geen KB voor nodig. Op Wetsvoorstel: de koninklijke boodschap waarmee de regering een wetsvoorstel indient, is niet ondertekend door de koning.

BRONNEN:

”Nederlanden”

Artikel 1 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden luidt: Het Koninkrijk omvat de landen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

Artikel 1a luidt: De Kroon van het Koninkrijk wordt erfelijk gedragen door Hare Majesteit Juliana, Prinses van Oranje-Nassau en bij opvolging door Hare wettige opvolgers.

Artikel 2 luidt (deels): De Koning voert de regering van het Koninkrijk en van elk der landen. Hij is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 4 luidt (deels): De koninklijke macht wordt in aangelegenheden van het Koninkrijk uitgeoefend door de Koning als hoofd van het Koninkrijk.

‘Regering”

Artikel 42 Grondwet luidt (gedeeltelijk): De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

Artikel 45 luidt (gedeeltelijk): De ministers vormen tezamen de ministerraad.

”Onschendbaar”

Artikel 42 Grondwet luidt (gedeeltelijk): De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

”KB”

Artikel 47 Grondwet luidt (gedeeltelijk): Alle koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 42 luidt (gedeeltelijk): De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

”Kabinet”

Artikel 43 Grondwet luidt: De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 luidt (gedeeltelijk): Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

Artikel 46 luidt (gedeeltelijk): Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

Artikel 48 luidt: Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

”Burgemeesters”

Artikel 117 Grondwet luidt (gedeeltelijk): De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

Artikel 74 luidt (gedeeltelijk): De leden van de Raad (van State) worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

Artikel 77 luidt (gedeeltelijk):De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Artikel 131 Grondwet luidde tot eind vorig jaar: De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 61 van de Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De burgemeester wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes jaar.

Artikel 61 van de Provinciewet luidt (gedeeltelijk): De commissaris van de Koning wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes jaar.

”De Tweede Kamer”

Artikel 64 Grondwet luidt: Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

”Gratie”

Artikel 122 Grondwet luidt (gedeeltelijk): Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

”Wetsvoorstel”

Artikel 83 Grondwet luidt: Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

”Regen”

Artikel 1 van de Wet instelling van Oranje-Nassau luidt: Er wordt een Orde ingesteld, strekkende tot vererende onderscheiding van Onze onderdanen of vreemdelingen, die zich jegens Ons en de staat of jegens de maatschappij op bijzondere wijze hebben verdienstelijk gemaakt.

Artikel 5 luidt: Alle benoemingen in deze Orde geschieden bij koninklijk besluit.

Artikel 9 van het Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau luidt (gedeeltelijk): Onze Minister wie het aangaat doet de voordracht voor het koninklijk besluit tot verlening van de onderscheiding. Indien de voordracht meer dan een minister aangaat, wordt het koninklijk besluit tot verlening van de onderscheiding gezamenlijk voorgedragen.

Artikel 6 van de Wet instelling van Oranje-Nassau luidt: De Ridders van de eerste graad van deze Orde dragen de naam van Ridder Grootkruis. De Ridders van de tweede graad van deze Orde dragen de naam van Grootofficier. De Ridders van de derde graad van deze Orde dragen de naam van Commandeur. De Ridders van de vierde graad van deze Orde dragen de naam van Officier. De Ridders van de vijfde graad van deze Orde dragen de naam van Ridder. De Ridders van de zesde graad van deze Orde dragen de naam van Lid.

Artikel 111 van de Grondwet luidt (slechts): Ridderorden worden bij de wet ingesteld.

”Wet”

Artikel 87 Grondwet luidt (gedeeltelijk): Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd

Artikel 47 luidt (gedeeltelijk): Alle wetten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

”Eed of belofte”

Artikel 49 Grondwet luidt: Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

”Troonrede”

Artikel 65 Grondwet luidt: Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Besluit vaststelling en aanduiding zevenentwintigste april als Koningsdag luidt: Overwegende dat het wenselijk is met het oog op de toepassing van wettelijke voorschriften ter zake een dag aan te wijzen, waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en deze dag van een aanduiding te voorzien; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Met ingang van 1 januari 2014 wordt de zevenentwintigste april in het vervolg aangeduid als Koningsdag, behoudens uitzonderingen in verband met zondagen. Artikel 2 Het koninklijk besluit van 24 april 1980, nr. 11, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. ’s-Gravenhage, 30 januari 2013. Beatrix. De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, M. Rutte

Artikel 3 van de Algemene termijnenwet luidt (gedeeltelijk): Algemeen erkende feestdagen in de zin van deze wet zijn: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei.

Europees uploadfilter: geen Haagse lof voor dit Brussels product

DINSDAG 9 APRIL 2019 Twee weken geleden is het Europees Parlement akkoord gegaan met de EU-richtlijn inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt. Eén van de onderdelen uit deze richtlijn is het uploadfilter. Het uploadfilter is nogal omstreden: voor- en tegenstanders staan ver uit elkaar. Het was in de eerste versie van de richtlijn (2016) in artikel 13 geregeld. Het Europees Parlement heeft tal van amendementen aangebracht op de richtlijn, ook op artikel 13. Daardoor is het omgenummerd tot artikel 17. Wat zegt de richtlijn over dit uploadfilter? En wat vinden de Nederlandse politici ervan?

Auteursrecht Wat is eigenlijk auteursrecht? Wie een film, foto of muziek maakt, heeft daarop auteursrecht. Auteursrecht houdt onder andere het recht in om de gemaakte film, foto of muziek openbaar te maken. Dat is een exclusief recht: alleen de maker heeft dat recht, alle anderen hebben dat recht niet. De auteursrechthebbende op een film heeft dus als enige het recht om die film openbaar te maken, bijvoorbeeld door hem op internet te plaatsen. De wet geeft de maker van film, foto of muziek automatisch het auteursrecht daarop, maar die maker mag zijn auteursrecht overdragen aan een ander, zoals de filmproducent, de uitgever of het platenlabel. De maker is zijn auteursrecht dan kwijt; filmproducent, uitgever of platenlabel zijn in zijn plaats de auteursrechthebbende geworden. Maar hij kan een ander ook slechts toestemming/licentie geven om zijn film, foto of muziek openbaar te maken; die ander – het mogen er ook meer zijn – mag dan die film, foto of muziek openbaar maken, zonder dat hij zijn auteursrecht verliest. Films, foto’s en muziek zijn niet de enige werken waarop auteursrecht rust. Het kan bijvoorbeeld ook op teksten rusten. Film, foto’s en muziek zijn in deze bijdrage dan ook slechts als voorbeelden bedoeld.

Youtube De richtlijn inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt gaat onder andere over online platforms die voor het publiek toegankelijk zijn, zoals Facebook en Youtube. Ook Wikipedia en Marktplaats.nl zijn online platforms die voor het publiek toegankelijk zijn, maar de richtlijn is NIET van toepassing op bijvoorbeeld online-encyclopedieën zonder winstoogmerk en evenmin op onlinemarktplaatsen.

Schadevergoeding Online platforms waarop de richtlijn toepasselijk is worden in beginsel aansprakelijk als een gebruiker een filmpje, foto of muziek plaatst waarop iemand anders het auteursrecht heeft, en de organisatie achter het platform voor die plaatsing geen toestemming heeft gekregen van de auteursrechthebbende. Daardoor krijgt die auteursrechthebbende recht op schadevergoeding.

Uploadfilter De organisatie achter het platform kan aan aansprakelijkheid ontkomen door – onder andere – een uploadfilter te installeren. Dit uploadfilter is een technische voorziening. Het zorgt ervoor dat gebruikers op het platform geen filmpjes, foto’s en muziek kunnen plaatsen die door iemand anders zijn gemaakt terwijl die ander voor de plaatsing geen toestemming heeft gegeven. Er mag geen uploadfilter worden gebruikt dat identificatie van gebruikers mogelijk maakt.

Algoritme Het uploadfilter werkt op basis van een algoritme, en zal dus niet perfect zijn: het houdt niet elk filmpje, foto of muziek tegen dat door iemand anders is gemaakt, terwijl die ander voor de plaatsing geen toestemming heeft gegeven. Er glipt wel eens iets doorheen. Daarom is de organisatie achter het online platform ook verplicht om een geplaatst filmpje, foto of muziek onmiddellijk te verwijderen zodra de auteursrechthebbende daarom vraagt. Een enkel verzoek is echter onvoldoende: nodig is een gemotiveerd verzoek.

Toestemming Het uploadfilter mag plaatsing van een filmpje, foto of muziek NIET tegenhouden als daarop geen auteursrecht van een ander rust of als die ander geen bezwaar maakt tegen niet-commercieel gebruik, zoals het geval is bij Creative Commons. Natuurlijk mag het uploadfilter evenmin plaatsing van een filmpje, foto of muziek tegenhouden als het daarvoor toestemming heeft gekregen.

Parodie Ongeacht wie de film, foto of muziek heeft gemaakt en of voor de plaatsing toestemming is gegeven: het uploadfilter mag plaatsing van een filmpje, foto of muziek ook niet tegenhouden als het wordt gebruikt in een recensie of kritiek, in een karikatuur, parodie of pastiche. Zal het algoritme onderscheid kunnen maken, bijvoorbeeld tussen de film en de parodie op die film?

Klacht Wat kan een gebruiker doen als hij meent dat zijn filmpje, foto of muziek ten onrechte wordt geweigerd of wordt verwijderd? Dan kan hij drie dingen doen. Hij kan naar de rechter stappen. Hij kan ook een klacht indienen bij het online platform. De organisatie achter het online platform moet zorgen voor een snelle klachtprocedure, hoewel ze de klachtafhandeling niet mag overlaten aan een algoritme: er moet sprake zijn van ”menselijke toetsing” in de klachtprocedure. De gebruiker kan – het derde ding dat ie kan doen– naar een geschillencommissie stappen.

Nog zo’n twee jaar Elk land van de Europese Unie moet in de komende twee jaar nationale regels gaan maken waarin de richtlijn wordt vastgelegd. Pas als een land dat heeft gedaan, is de richtlijn in dat land geldend recht geworden.

Nederland tégen Nederland heeft niet ingestemd met de richtlijn. Onze regering heeft in de Raad van Ministers van de Europese Unie tégen de richtlijn gestemd, onder andere omdat daarin te weinig rekening wordt gehouden met de belangen van burger en bedrijfsleven. De regeringen van Finland, Italië, Luxemburg en Polen zijn het daarmee eens. Natuurlijk zijn ook deze landen aan de richtlijn gebonden.

Verdeeld parlement Het Europees Parlement heeft de richtlijn aangenomen met 348 stemmen voor, terwijl 274 parlementariërs tegen stemden en 36 zich van een stem onthielden. Het is dus niet zo dat het erom spande, maar het is ook weer niet zo dat de richtlijn kan steunen op een ruime meerderheid. Bovendien is binnen elk van de negen fracties in het Europees Parlement verdeeld gestemd: elke fractie kent zowel voor- als tegenstemmers, en stemonthoudingen. Bij de fracties van PPE, S&D en ALDE hebben de meeste leden voor gestemd; bij PPE en S&D is het verschil met de tegenstanders erg groot, bij ALDE is dat een stuk kleiner. Bij ECR, VERTS/ALE en GUE/NGL hebben veruit de meesten tegen gestemd. Bij ENF waren er ongeveer even veel voor- als tegenstemmers.

Ook Nederlandse parlementariërs verdeeld De Nederlandse Europarlementariërs van VVD (ALDE), D66 (ALDE) en ChristenUnie (ECR) hebben tegen gestemd, terwijl die van CDA (PPE) voor stemden. De coalitiepartijen op het Haagse Binnenhof waren het in Brussel dus niet eens. De oppositiepartijen PvdA (S&D), GroenLinks (VERTS/ALE), PVV (ENF) en SGP (ECR) hebben allen tegen gestemd, met uitzondering van SP (GUE/NGL) die zich van het stemmen heeft onthouden. De andere partijen in de Tweede Kamer hebben geen zetel in het Europees Parlement.

BRONNEN:

”Auteursrecht”

Artikel 1 van de Nederlandse Auteurswet luidt: Het auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld.

Artikel 2 luidt (gedeeltelijk): Het auteursrecht gaat over bij erfopvolging en is vatbaar voor gehele of gedeeltelijke overdracht. De maker, of zijn rechtverkrijgende, kan aan een derde een licentie verlenen voor het geheel of een gedeelte van het auteursrecht.

Artikel 10 luidt (gedeeltelijk): Onder werken van letterkunde, wetenschap of kunst verstaat deze wet: 1°. boeken, brochures, nieuwsbladen, tijdschriften en andere geschriften; 2°. tooneelwerken en dramatisch-muzikale werken; 3°. mondelinge voordrachten; 4°. choreografische werken en pantomimes; 5°. muziekwerken met of zonder woorden; 6°. teeken-, schilder-, bouw- en beeldhouwwerken, lithografieën, graveer- en andere plaatwerken; 7°. aardrijkskundige kaarten; 8°. ontwerpen, schetsen en plastische werken, betrekkelijk tot de bouwkunde, de aardrijkskunde, de plaatsbeschrijving of andere wetenschappen; 9°. fotografische werken; 10. filmwerken; 11°. werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid; 12°. computerprogramma’s en het voorbereidend materiaal; en in het algemeen ieder voortbrengsel op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst, op welke wijze of in welken vorm het ook tot uitdrukking zij gebracht.

”Youtube”

Artikel 2 van de richtlijn inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt luidt (gedeeltelijk): Definities. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: “aanbieder van een onlinedienst voor het delen van content”: een aanbieder van een dienst van de informatiemaatschappij die als belangrijkste of een van de belangrijkste doelstellingen heeft een grote hoeveelheid door de gebruikers van de dienst geüploade auteursrechtelijk beschermde werken of ander beschermd materiaal op te slaan en toegankelijk te maken voor het publiek, waarbij hij deze werken en dit materiaal ordent en promoot met een winstoogmerk. Aanbieders van diensten als online-encyclopedieën zonder winstoogmerk, onderwijs- of wetenschappelijke gegevensbanken zonder winstoogmerk, platforms voor het ontwikkelen en delen van opensourcesoftware, aanbieders van elektronische communicatiediensten als gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2018/1972, onlinemarktplaatsen en business-to-business clouddiensten en clouddiensten waarmee gebruikers content kunnen uploaden voor eigen gebruik, zijn geen “aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content” in de zin van deze richtlijn.

”Schadevergoeding”

Artikel 17 lid 4 van de richtlijn inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt luidt: Als geen toestemming wordt verleend, zijn aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content aansprakelijk voor niet-toegestane handelingen van mededeling aan het publiek, met inbegrip van het beschikbaar stellen voor het publiek, van auteursrechtelijk beschermde werken en andere materialen,

”Uploadfilter”

Artikel 17 lid 4 van de richtlijn inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt luidt: Als geen toestemming wordt verleend, zijn aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content aansprakelijk voor niet-toegestane handelingen van mededeling aan het publiek, met inbegrip van het beschikbaar stellen voor het publiek, van auteursrechtelijk beschermde werken en andere materialen, tenzij de dienstverleners aantonen dat zij: a) alles in het werk hebben gesteld om toestemming te krijgen, en b) overeenkomstig strenge sectorale normen op het gebied van professionele toewijding, alles in het werk hebben gesteld om ervoor te zorgen dat bepaalde werken en andere materialen waarvoor de rechthebbenden hun de nodige toepasselijke informatie hebben verstrekt, niet beschikbaar zijn,

Artikel 17 lid 5 luidt: Bij het bepalen of de dienstverlener zijn verplichtingen uit hoofde van lid 4 is nagekomen en in het licht van het evenredigheidsbeginsel moet onder meer rekening worden gehouden met de volgende elementen: a) het type, het publiek en de omvang van de diensten en het soort werken of andere materialen die door de gebruikers van de dienst zijn geüpload; en b) de beschikbaarheid van passende en doeltreffende middelen en de kosten daarvan voor dienstverleners.

Deze richtlijn heeft geen gevolgen voor rechtmatig gebruik, zoals op grond van uitzonderingen of beperkingen waarin het Unierecht voorziet, en leidt niet tot de identificatie van individuele gebruikers, noch tot de verwerking van persoonsgegevens, tenzij overeenkomstig Richtlijn 2002/58/EG en Verordening (EU) 2016/679.

”Algoritme”

Artikel 17 lid 4 van de richtlijn inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt luidt: Als geen toestemming wordt verleend, zijn aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content aansprakelijk voor niet-toegestane handelingen van mededeling aan het publiek, met inbegrip van het beschikbaar stellen voor het publiek, van auteursrechtelijk beschermde werken en andere materialen, tenzij de dienstverleners aantonen dat zij: a) alles in het werk hebben gesteld om toestemming te krijgen, en b) overeenkomstig strenge sectorale normen op het gebied van professionele toewijding, alles in het werk hebben gesteld om ervoor te zorgen dat bepaalde werken en andere materialen waarvoor de rechthebbenden hun de nodige toepasselijke informatie hebben verstrekt, niet beschikbaar zijn, en in ieder geval c) na ontvangst van een voldoende onderbouwde melding van de rechthebbenden, prompt zijn opgetreden om de toegang tot de werken en andere materialen in kwestie te deactiveren of deze van hun websites te verwijderen, en alles in het werk hebben gesteld om toekomstige uploads ervan overeenkomstig punt b) te voorkomen.

Artikel 17 lid 9 luidt (gedeeltelijk): Wanneer rechthebbenden verzoeken om de toegang tot hun specifieke werken of andere materialen te deactiveren of die specifieke werken of andere materialen te verwijderen, motiveren zij de redenen voor hun verzoek naar behoren.

”Toestemming”

Artikel 17 lid 7 van de richtlijn inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt luidt (gedeeltelijk): De samenwerking tussen de aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content en de rechthebbenden leidt niet tot het voorkomen van de beschikbaarheid van door gebruikers geüploade werken of andere materialen die geen inbreuk maken op het auteursrecht en naburige rechten.

Artikel 17 lid 9 luidt (gedeeltelijk): Aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content delen hun gebruikers in hun voorwaarden mee dat zij werken en andere materialen kunnen gebruiken op grond van uitzonderingen of beperkingen op het auteursrecht en naburige rechten waarin het Unierecht voorziet.

”Parodie”

Artikel 17 lid 7 van de richtlijn inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt luidt: De samenwerking tussen de aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content en de rechthebbenden leidt niet tot het voorkomen van de beschikbaarheid van door gebruikers geüploade werken of andere materialen die geen inbreuk maken op het auteursrecht en naburige rechten, ook niet wanneer deze werken of andere materialen vallen onder een uitzondering of beperking. De lidstaten zorgen ervoor dat gebruikers in elke lidstaat kunnen gebruikmaken van elk van de volgende bestaande uitzonderingen of beperkingen wanneer zij door gebruikers van onlinediensten voor het delen van content gegenereerde content uploaden en beschikbaar maken: a) citaat, kritiek, recensie; b) gebruik voor een karikatuur, parodie of pastiche.

Klacht”

Artikel 17 lid 9 van de richtlijn inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt luidt (gedeeltelijk): De lidstaten voorzien erin dat aanbieders van onlinediensten voor het delen van content een doeltreffend en snel klachten- en beroepsmechanisme invoeren dat beschikbaar is voor de gebruikers van hun diensten in geval van geschillen over het deactiveren van de toegang tot of het verwijderen van door hen geüploade werken of andere materialen. Klachten die in het kader van het in de eerste alinea bedoelde mechanisme worden ingediend, worden onverwijld behandeld en besluiten om geüploade content ontoegankelijk te maken of te verwijderen, worden onderworpen aan menselijke toetsing. De lidstaten voorzien er ook in dat er voor geschillen mechanismen voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting beschikbaar zijn. Deze mechanismen maken het mogelijk dat geschillen onpartijdig worden beslecht en ontnemen de gebruiker niet de door de nationale wetgeving geboden rechtsbescherming, onverminderd de rechten van gebruikers om een beroep te doen op efficiënte rechtsmiddelen. Met name zorgen de lidstaten ervoor dat de gebruikers toegang hebben tot een rechtbank of een andere bevoegde rechterlijke instantie om het gebruik van een uitzondering of beperking op het auteursrecht en naburige rechten te laten gelden.

”Nog zo’n twee jaar”

Artikel 26 van de richtlijn inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt luidt (gedeeltelijk): Deze richtlijn is van toepassing op alle werken en andere materialen die op of na … [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] door het nationale recht op het gebied van auteursrechten worden beschermd.

Artikel 29 luidt (gedeeltelijk): De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op … [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

”Nederland tégen”

Statement of the Netherlands, Luxembourg, Poland, Italy and Finland to point 39 of the CRP I agenda of 20 February 2019 regarding the DIRECTIVE OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL on copyright in the Digital Single Market. The objectives of this Directive were to enhance the good functioning of the internal market and to stimulate innovation, creativity, investment and production of new content, also in the digital environment. The signatories support these objectives. Digital technologies have radically changed the way content is produced, distributed and accessed. The legislative framework needs to reflect and guide these changes. However, in our view, the final text of the Directive fails to deliver adequately on the above-mentioned aims. We believe that the Directive in its current form is a step back for the Digital Single Market rather than a step forward. Most notably we regret that the Directive does not strike the right balance between the protection of right holders and the interests of EU citizens and companies. It therefore risks to hinder innovation rather than promote it and to have a negative impact the competitiveness of the European Digital Single Market. Furthermore, we feel that the Directive lacks legal clarity, will lead to legal uncertainty for many stakeholders concerned and may encroach upon EU citizens’ rights. We therefore cannot express our consent with the proposed text of the Directive.

Ministeries die opvallen

DONDERDAG 21 MAART 2019 Ons huidige kabinet heeft enkele ministers met een portefeuille met een opvallende naam, opvallend omdat ze nieuw zijn: de ministers voor Rechtsbescherming, voor Klimaat en voor Medische Zorg. Wat zijn opvallende namen van portefeuilles in het buitenland, opvallend omdat Nederland ze niet heeft? De volgende (federale) regeringen zijn bekeken: Michels België, Merkels Duitsland, Mays Groot-Brittannië, Bettels Luxemburg, Philippes Frankrijk, Zwitserland, Kurz’s Oostenrijk, Morrisons Australië, Arderns Nieuw Zeeland, Trudeau’s Canada en Trumps Verenigde Staten.

Rutte III Onze regering heeft ministers van/voor: Basisonderwijs, Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Handel, Buitenlandse Zaken, Cultuur, van Defensie, Economische Zaken, Financiën, Infrastructuur, Justitie, Klimaat, Koninkrijksrelaties, Landbouw, Media, Medische Zorg, Natuur, Onderwijs, Ontwikkelingssamenwerking, Rechtsbescherming, Sociale Zaken, Sport, Veiligheid, Voedselkwaliteit, Volksgezondheid, Voortgezet Onderwijs, Waterstaat, Welzijn, Werkgelegenheid en last – maar zeker niet least – Wetenschap.

Jongeren Vier landen hebben een minister voor Jongeren: Duitsland, Luxemburg en Oostenrijk für Jugend en Nieuw Zeeland for Youth. Luxemburg heeft bovendien een minister für Kindheit.

Ouderen Vier landen hebben een minister voor Ouderen: Duitsland für Senioren, Canada of Seniors, Australië for Senior Australians en Nieuw Zeeland for Seniors.

Vrouwen Vier landen hebben een minister voor Vrouwen: Duitsland en Oostenrijk für Frauen, Canada of Status of Women and Gender Equality en Australië for Women.

Digitalisering Vier landen hebben een minister voor digitalisering: Duitsland für Digitale Infrastruktur, Oostenrijk für Digitalisierung, Australië for Digital Transformation en Nieuw Zeeland of Digital Media.

Veteranen Drie landen hebben een minister voor Veteranen: Canada en de VS of Veteran Affairs en Australië for Veterans’ Affairs.

Kansen Twee landen hebben een minister voor Gelijke Kansen: Luxemburg für Chancengleichheit en Ierland for Equality.

Vaardigheden Twee landen hebben een minister voor Vaardigheden: Ierland en Australië for Skills. Australië heeft bovendien een minister for Vocational Education.

Multicultureel Twee landen hebben een minister voor Multiculturele Zaken: Canada of Multiculturalism en Australië for Multicultural Affairs.

(M)KB Twee landen hebben een minister voor kleine ondernemingen: Australië for Small and Family Business en Nieuw Zeeland for Small Businesses. Het laatste land heeft ook een minister for State Owned Enterprises.

Vrijwilligerswerk Nieuw Zeeland heeft een minister for the Voluntary Sector. Dit land heeft bovendien een ministerfor Workplace Relations and Safety. Het door droogte getroffen buurland Australië heeft een minister for Water Resources. Canada heeft een minister of Democratic Institutions. Oostenrijk heeft een minister für Verfassung, voor hun grondwet dus.Luxemburg heeft een minister für Weinbau. Oosterbuur Duitsland heeft een minister für Nukleare Sicherheit en een für Heimat en zuiderbuur België heeft een minister van de Noordzee en een van Pensioenen.

Onopvallend Er zijn geen opvallende portefeuilles in de regeringen van Frankrijk, Zwitserland en Groot-Brittannië.

Politiewapens

VRIJDAG 8 FEBRUARI 2019 De burgemeester van Amsterdam heeft besloten om de buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) geen wapenstok en pepperspray te geven. De boa’s zijn geen politieambtenaren. Vooral vanwege de problemen in de binnenstad hadden de boa’s om deze wapens gevraagd. Wel komen er in de Amsterdamse binnenstad meer politieambtenaren voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde. Er komt dus meer blauw op straat. Die politieambtenaren hebben wel een wapenstok en pepperspray bij zich. Welke wapens hebben politieambtenaren zoal bij zich?

Pepperspray De politieambtenaar draagt altijd een korte wapenstok, pepperspray, een pistool en handboeien bij zich. De wapenstok wordt gummiknuppel genoemd; sinds enige tijd heeft de politie uitschuifbare wapenstokken. Pepperspray is een spray met een sterk prikkelende stof; hij wordt meegenomen in een spuitbus. Een politieambtenaar heeft ook altijd een nazorgset bij zich, voor het geval hij iemand heeft bespoten met pepperspray. Zijn pistool is semiautomatisch. De korpschef (de landelijke baas van de politie) kan daaraan een lange wapenstok, tiewraps (soort handboeien), (beschermings)schild en helm toevoegen. Handboeien en schild zijn wettelijk gezien trouwens geen wapens maar uitrusting.

Bovendien heeft de Mobiele eenheid ook altijd een lange wapenstok bij zich, een granaatwerper en een waterkanon. De granaatwerper is een geweer dat wordt gebruikt om traangasgranaten af te schieten. Het waterkanon heet officieel waterwerper.

Arrestatieteams hebben naast traangasgranaten ook altijd andere granaten bij zich, namelijk rookgranaten en lawaaigranaten. Het team draagt naast de gummiknuppel ook het stroomstootwapen, de elektrische wapenstok. Wat de vuurwapens betreft, wordt niet alleen een handwapen (pistool) gedragen maar ook schoudervuurwapens en repeteervuurwapens. Ook heeft het team de beschikking over explosieven.

Wapengebruik Natuurlijk betekent het dragen van een wapen niet dat de politieambtenaar het onder alle omstandigheden mag gebruiken. Wapengebruik mag alleen als dat redelijk is en een ander middel om het beoogde doel te bereiken niet mogelijk is.

Marechaussees zijn onder andere de politieambtenaren op Schiphol en (op andere plaatsen) aan de grens. De Marechaussees kunnen beschikken over alle wapens waarover de politieambtenaar kan beschikken. Ze kunnen echter over veel meer wapens beschikken, zoals stiletto’s, katapulten, alle soorten vuurwapens, degens en sabels en niet te vergeten kruisbogen en harpoenen.

BRONNEN:

”Vrijdag 8 februari 2019”

Artikel 2 Politiewet: Ambtenaren van politie in de zin van deze wet zijn:

a. ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;

b. ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie;

c. vrijwillige ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, onderscheidenlijk voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie;

d. ambtenaren van de rijksrecherche die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, onderscheidenlijk voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de rijksrecherche.

Artikel 3 luidt: De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

”Pepperspray”

Artikel 22 Politiewet 2012: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de bewapening, de uitrusting en de kleding van de ambtenaren van politie.

Artikel 1 van het Besluit bewapening en uitrusting politie luidt: In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. ambtenaar: de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012, met de rang hoger dan die van surveillant van politie

b. pistool: semi-automatisch pistool, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;

g. pepperspray: spuitbus met Oleoresin Capsicum (OC);

Artikel 2 luidt:

Lid 1. De bewapening van de ambtenaar bestaat tijdens de uitoefening van de dienst uit:

a. een korte wapenstok;

b. pepperspray;

c. het pistool.

Lid 2. De korpschef kan bepalen dat de bewapening van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, mede bestaat uit een lange wapenstok.

Lid 3. De uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit:

a. handboeien;

b. een koppel;

c. een veiligheidsvest;

d. nazorgmiddelen bij het gebruik van pepperspray.

Lid 4. Indien de korpschef dit noodzakelijk acht, kan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, mede worden uitgerust met tie-wraps.

Lid 5. De uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, kan mede bestaan uit:

a. een tactisch vest;

b. een kogelwerende helm;

c. een gasmasker;

d. een schild.

Artikel 14 luidt: Onverminderd de artikelen 2 tot en met 13 kan Onze Minister aan door hem aangewezen ambtenaren andere dan de in dit besluit genoemde wapens en munitie toekennen.

”Mobiele eenheid”

Artikel 26 van het Besluit beheer politie luidt (gedeeltelijk): De regionale eenheden beschikken ieder over een organisatie van mobiele eenheden ten behoeve van (..)

Artikel 11 van het Besluit bewapening en uitrusting politie luidt: De bewapening van de ambtenaar die behoort tot de mobiele eenheid, bedoeld in artikel 26 van het Besluit beheer politie, kan tijdens de uitoefening van de dienst mede bestaan uit:

a. een lange wapenstok;

b. de granaatwerper en CS-traangasgranaten;

c. een waterwerper.

Artikel 1 luidt: In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: e. granaatwerper: een granaatwerper, kaliber 40 mm;

”Arrestatieteams”

Artikel 11, onder a, van het Besluit beheer politie luidt (gedeeltelijk): De Dienst speciale interventies heeft in ieder geval tot taak: a. het in stand houden van aanhoudings- en ondersteuningsteams die, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen,

Artikel 1 van het Besluit bewapening en uitrusting politie luidt: In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: c. semi-automatisch schoudervuurwapen: semi-automatisch schoudervuurwapen, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter; d. automatisch schoudervuurwapen: automatisch schoudervuurwapen, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;

f. repeteervuurwapen: een repeteervuurwapen, kaliber 12; h. aanhoudings- en ondersteuningsteam: een aanhoudings- en ondersteuningsteam als bedoeld in artikel 11, onder a, van het Besluit beheer politie

Artikel 13 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. De bewapening van de ambtenaar die behoort tot een aanhoudings- en ondersteuningsteam, kan tijdens de uitoefening van de dienst mede bestaan uit:

a. rook- en lawaaigranaten;

b. een elektrische wapenstok;

c. de granaatwerper en CS-traangasgranaten;

d. het semi-automatisch schoudervuurwapen;

e. het automatisch schoudervuurwapen;

f. het repeteervuurwapen;

g. het stroomstootwapen.

Lid 2. De uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bestaat mede uit explosieven.

”Wapengebruik”

Artikel 7 Politiewet luidt (gedeeltelijk): De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

Dit is verder uitgewerkt in de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (een KB).

”Marechaussees”

Artikel 4 van de Politiewet 2012luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Aan de Koninklijke marechaussee, die onder het beheer van Onze Minister van Defensie staat, zijn, onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten, de volgende politietaken opgedragen:

c. de uitvoering van de politietaak op de luchthaven Schiphol en op de andere door Onze Minister en Onze Minister van Defensie aangewezen luchtvaartterreinen, alsmede de beveiliging van de burgerluchtvaart;

f. de uitvoering van de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken, waaronder begrepen de bediening van de daartoe door Onze Minister voor Immigratie en Asiel aangewezen doorlaatposten en het, voor zover in dat verband noodzakelijk, uitvoeren van de politietaak op en nabij deze doorlaatposten, alsmede het verlenen van medewerking bij de aanhouding of voorgeleiding van een verdachte of veroordeelde;

Artikel 17 van het Besluit bewapening en uitrusting politie luidt (gedeeltelijk): De bewapening van (..) de Koninklijke marechaussee bestaat uit:

a. de wapens, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 14;

b. andere wapens van de categorieën I, II, III en IV en munitie van de categorieën II en III, zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Artikel 2 van de Wet wapens en munitie luidt (gedeeltelijk): Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

1°. stiletto’s, valmessen en vlindermessen;

2°. andere opvouwbare messen (..)

3°. boksbeugels, ploertendoders, wurgstokken, werpsterren, vilmessen, ballistische messen en geluiddempers voor vuurwapens;

4°. blanke wapens die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp dan een wapen;

5°. pijlen en pijlpunten bestemd om door middel van een boog te worden afgeschoten, die zijn voorzien van snijdende delen met de kennelijke bedoeling daarmee ernstig letsel te kunnen veroorzaken;

6°. katapulten;

7°. andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.

Categorie II

1°. vuurwapens die niet onder een van de andere categorieën vallen;

2°. vuurwapens, geschikt om automatisch te vuren;

3°. vuurwapens die zodanig zijn vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is dan wel dat de aanvalskracht wordt verhoogd;

4°. vuurwapens die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp dan een wapen;

5°. voorwerpen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, met uitzondering van medische hulpmiddelen;

6°. voorwerpen, bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, met uitzondering van medische hulpmiddelen en van vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen, bestemd voor het afschieten van munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof;

7°. voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, met uitzondering van explosieven voor civiel gebruik indien met betrekking tot deze explosieven erkenning is verleend overeenkomstig de Wet explosieven voor civiel gebruik.

Categorie III

1°. vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen voor zover zij niet vallen onder categorie II sub 2°, 3° of 6°;

2°. toestellen voor beroepsdoeleinden die geschikt zijn om projectielen af te schieten;

3°. werpmessen;

4°. alarm- en startpistolen en -revolvers, met uitzondering van alarm- en startpistolen die:

a. geen loop of een kennelijk verkorte, geheel gevulde loop hebben;

b. zodanig zijn ingericht dat zij uitsluitend knalpatronen van een kaliber niet groter dan 6 mm kunnen bevatten; en

c. waarvan de ligplaats van de patronen en de gasuitlaat loodrecht staan op de loop of op de lengterichting van het wapen.

Categorie IV

1°. blanke wapens waarvan het lemmet meer dan een snijkant heeft, voor zover zij niet vallen onder categorie I;

2°. degens, zwaarden, sabels en bajonetten;

3°. wapenstokken;

4°. lucht-, gas- en veerdrukwapens, behoudens zulke door Onze Minister overeenkomstig categorie I, sub 7°, aangewezen die zodanig gelijken op een vuurwapen dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn;

5°. kruisbogen en harpoenen;

6°. bij regeling van Onze Minister aangewezen voorwerpen die geschikt zijn om daarmee personen ernstig lichamelijk letsel toe te brengen;

7°. Voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die niet onder een van de andere categorieën vallen.

De gerechtsdeurwaarder

DONDERDAG 31 JANUARI 2019 Uit krantenberichten in de afgelopen weken blijkt dat het niet goed gaat met (gerechts)deurwaarders in ons land. Ondanks toename van de schuldenaren. De voorzitter van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders zegt in een interview dat dit vooral komt door de verhoogde griffierechten. Wat is de rechtspositie van de deurwaarder en wat mag en moet hij zoal doen?

Beslag De deurwaarder overhandigt de dagvaarding aan iemand die door een ander is gedagvaard om voor de rechtbank te verschijnen. De deurwaarder legt beslag op zaken van de schuldenaar als die zijn schuld niet op tijd betaalt. Als de huur voor een woning niet op tijd is betaald, kan de deurwaarder (soms) tot ontruiming overgaan. Hij doet dit achtereenvolgens in opdracht van de eisende partij, de schuldeiser en de verhuurder.

Ambtenaar De deurwaarder is een ambtenaar. Hij wordt benoemd per koninklijk besluit. Het gebruik van de gerechtsdeurwaarderstitel is wettelijk beschermd. Wat zijn taken zijn, is vastgelegd in de wet.

Nederlander De deurwaarder moet onder andere de opleiding tot deurwaarder hebben gevolgd en de Nederlandse nationaliteit hebben of de nationaliteit van een ander land van de EU.

Eed Hij heeft ook een eed of belofte afgelegd, waarin hij bijvoorbeeld getrouwheid aan de Koning en de Grondwet zweert of belooft.

Mag of Moet De deurwaarder werkt in opdracht. Zonder opdrachtgever doet hij (of zij) niets. Hij mag overal in Nederland opdrachten uitvoeren. Hij moet alle opdrachten uitvoeren in zijn arrondissement. Het arrondissement is het deel van Nederland waarin zijn vestigingsplaats is gelegen. Bij benoeming wordt hem een vestigingsplaats toegewezen. De omvang van het arrondissement verschilt per arrondissement. Soms valt het samen met een provincie, zoals het arrondissement Gelderland. Soms valt het samen met meer dan één provincie, zoals het arrondissement Noord-Nederland, dat de drie noordelijke provincies omvat. Maar soms omvat het slechts een deel van een provincie, zoals het arrondissement Den Haag. Als zijn arrondissement meer dan één provincie omvat, moet hij alleen de opdrachten uitvoeren in de provincie van zijn vestigingsplaats.

Dreverhaven De deurwaarder mag geen opdrachten uitvoeren voor zichzelf en zijn familie. Hij mag evenmin opdrachten uitvoeren tégen hen. Hij mag bijvoorbeeld geen beslag leggen op zaken van zichzelf of zijn familie. Dat alles geldt ook voor kinderen waarvan hij niet de juridische vader is maar wel de biologische verwekker. In de Nederlandse speelfilm Karakter uit 1997 van Mike van Diem (naar een boek van Ferdinand Bordewijk uit 1928) legt de Rotterdamse deurwaarder Dreverhaven beslag op boeken van Johan Katadreuffe, het door hem verwekte kind dat woont bij zijn moeder. Bovendien is het beslag het gevolg van een schuld die Katadreuffe eigenlijk aan Dreverhaven zélf heeft, dat wil zeggen hij heeft geld geleend van de bank waarvan Dreverhaven eigenaar is. Anno 2019 had Dreverhaven dat beslag niet mogen leggen.

Rechtshulp De deurwaarder is ook aan allerlei gedragsregels gebonden die niet in de wet staan, bijvoorbeeld regels die de Koninklijke Organisatie van Gerechtsdeurwaarders heeft opgesteld, een organisatie waarvan elke deurwaarder lid moet zijn. Zo´n regel is bijvoorbeeld dat hij schuldenaren er soms op moet wijzen dat ze gefinancierde rechtshulp kunnen inroepen.

Geweld Voor het leggen van beslag mag de deurwaarder elke plaats betreden. Als hij beslag gaat leggen op de zaken die een schuldenaar in zijn woning heeft, dan mag hij ook die woning binnengaan. Ook als de schuldenaar dat weigert of niet thuis is. In diet laatste twee gevallen moet de deurwaarder de hulp inroepen van de politie en kan hij vervolgens de woning zo nodig met geweld binnengaan.

Pensioen Deurwaarders moeten uiterlijk op hun zeventigste van hun welverdiende pensioen gaan genieten.

BRONNEN:

Beslag”

Artikel 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet luidt (gedeeltelijk): Lid 1. De gerechtsdeurwaarder is in het bijzonder belast met: a. het doen van dagvaardingen en andere betekeningen, behorende tot de rechtsingang of de instructie van gedingen; b. het doen van gerechtelijke aanzeggingen, bekendmakingen, protesten en verdere exploten; c. ontruimingen, beslagen, executoriale verkopingen, gijzelingen en andere handelingen, behorende tot of vereist voor de uitvoering van executoriale titels dan wel voor de bewaring van rechten; d. het doen van protesten van non-acceptatie of non-betaling van wissels, orderbiljetten en dergelijke en het opmaken van een akte van interventie aan de voet van het protest; e. het ambtelijk toezicht bij vrijwillige openbare verkopingen van roerende lichamelijke zaken bij opbod, bij opbod en afslag, of bij afslag. Lid 4. De hoofdstukken 3 en 4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op ambtshandelingen en de weigering deze te verrichten.

Ambtenaar”

Artikel 2 Gerechtsdeurwaarderswet luidt (gedeeltelijk): De gerechtsdeurwaarder is een openbaar ambtenaar belast met de taken die bij of krachtens de wet, al dan niet bij uitsluiting van ieder ander, aan deurwaarders onderscheidenlijk gerechtsdeurwaarders zijn opgedragen of voorbehouden.

Artikel 4 luidt (gedeeltelijk): Een gerechtsdeurwaarder wordt benoemd bij koninklijk besluit. In het besluit wordt de plaats van vestiging aangegeven. Hij mag zijn werkzaamheden als gerechtsdeurwaarder eerst aanvangen nadat hij is ingeschreven in het gerechtsdeurwaardersregister. Tot het voeren van de titel van gerechtsdeurwaarder is uitsluitend bevoegd degene die als zodanig is ingeschreven in het gerechtsdeurwaardersregister en die niet geschorst of ontslagen is.

Nederlander”

Artikel 5 Gerechtsdeurwaarderswet luidt (gedeeltelijk): Tot gerechtsdeurwaarder is slechts benoembaar degene die: a. de Nederlandse nationaliteit bezit of de nationaliteit van een andere lidstaat van de Europese Unie, van een overige staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat; b. met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding ter voorbereiding op het beroep van gerechtsdeurwaarder heeft doorlopen.

Eed”

Artikel 9 Gerechtsdeurwaarderswet luidt (gedeeltelijk): De gerechtsdeurwaarder legt binnen twee maanden na de dagtekening van zijn benoeming ter openbare terechtzitting voor de rechtbank van het arrondissement waarin de plaats van vestiging is gelegen de navolgende eed of belofte af:

«Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Koning en de Grondwet.»

«Ik zweer (beloof), dat ik mij zal gedragen naar de wetten en voorschriften op mijn ambt van toepassing en dat ik mijn taak eerlijk en nauwgezet zal uitvoeren.»

«Voorts zweer (verklaar) ik, dat ik, om tot gerechtsdeurwaarder te worden benoemd, direct of indirect aan niemand, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige giften of gaven beloofd of afgegeven heb, noch beloven of afgeven zal».

Mag of Moet”

Artikel 3 Deurwaarderswet luidt (gedeeltelijk): De gerechtsdeurwaarder is bevoegd tot het verrichten van ambtshandelingen op het grondgebied van Nederland.

Artikel 4 luidt (gedeeltelijk): Een gerechtsdeurwaarder wordt benoemd bij koninklijk besluit. In het besluit wordt de plaats van vestiging aangegeven.

Artikel 11 luidt: De gerechtsdeurwaarder is te allen tijde verplicht in het gehele arrondissement waarin zijn plaats van vestiging is gelegen dan wel, indien het arrondissement meer dan één provincie omvat, in het deel van het arrondissement dat is gelegen in de provincie waarin zijn plaats van vestiging is gelegen de ambtshandelingen waartoe hij bevoegd is, te verrichten wanneer hierom wordt verzocht, tenzij: a. met het oog op zijn persoonlijke omstandigheden dit redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, of b. de verzoeker niet bereid is het krachtens deze wet door de gerechtsdeurwaarder aan hem gevraagde voorschot voor het verrichten van ambtshandelingen te voldoen.

Artikel 5a Wet op de rechterlijke indeling luidt: Het arrondissement Gelderland omvat het grondgebied van de provincie Gelderland.

Artikel 9 luidt: Het arrondissement Noord-Nederland omvat het grondgebied van de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen.

Artikel 5 luidt: Het arrondissement Den Haag omvat het grondgebied van de gemeenten Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Delft, Gouda, ’s-Gravenhage, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Krimpenerwaard, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Lisse, Midden-Delfland, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Teylingen, Voorschoten, Waddinxveen, Wassenaar, Westland, Zoetermeer, Zoeterwoude en Zuidplas.

Karakter”

Artikel 3 Gerechtsdeurwaarderswet luidt (gedeeltelijk): De gerechtsdeurwaarder is bevoegd tot het verrichten van ambtshandelingen op het grondgebied van Nederland. De gerechtsdeurwaarder is niet bevoegd tot het verrichten van ambtshandelingen ten behoeve van of gericht tegen: a. zichzelf, zijn echtgenoot, geregistreerde partner of een persoon met wie hij een duurzame relatie onderhoudt en samenwoont; b. zijn bloed- of aanverwanten, in rechte lijn onbepaald en in de zijlijn tot en met de derde graad; Lid 4. Ambtshandelingen, verricht in strijd met het tweede of derde lid, zijn nietig.

Artikel 3 Burgerlijk Wetboek (Eerste Boek) luidt (gedeeltelijk): De graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het getal der geboorten, die de bloedverwantschap hebben veroorzaakt. Hierbij telt een erkenning, een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap of een adoptie als een geboorte.

Rechtshulp”

Artikel 13 Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders luidt: Indien de gerechtsdeurwaarder goede gronden heeft om aan te nemen dat zijn cliënt in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand, wijst hij deze cliënt op de mogelijkheid daartoe

Geweld”

Artikel 444 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering luidt: De deurwaarder heeft ter inbeslagneming toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Indien de deuren gesloten zijn, of de opening daarvan geweigerd wordt, gelijk mede indien geweigerd wordt enige kamer of stuk huisraad te openen, alsmede wanneer bij niet-tegenwoordigheid van de geëxecuteerde er niemand gevonden wordt om hem te vertegenwoordigen, zal de deurwaarder zich vervoegen bij de burgemeester der gemeente in wiens tegenwoordigheid de opening van de deuren en van het huisraad zal worden gedaan voor zover dat redelijkerwijs nodig is. De burgemeester kan zich doen vertegenwoordigen door een ambtenaar van politie die tevens hulpofficier van justitie is. Van de tegenwoordigheid van deze ambtenaar en van hetgeen in zijn bijzijn, uit kracht van dit en de volgende drie artikelen, is verricht, zal melding gemaakt worden in het proces-verbaal van beslag. Bij het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner zijn de artikelen 10 en 11, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden op het proces-verbaal van beslag van overeenkomstige toepassing. Deze artikelen gelden eveneens in het geval dat na het binnentreden geen beslag wordt gelegd.

Pensioen”

Artikel 52 Gerechtsdeurwaarderswet luidt (gedeeltelijk): De gerechtsdeurwaarder is met ingang van de eerstvolgende maand na het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar van rechtswege ontslagen.

Eerste Rotterdamse veroordeling voor straatintimidatie (2): het uitjouwverbod en het lastigvallenverbod

DINSDAG 8 JANUARI 2019 Half december heeft de rechtbank Rotterdam iemand veroordeeld wegens straatintimidatie. Dat was de eerste keer. Straatintimidatie is een nieuw strafbaar feit. Het staat echter niet in het Wetboek van Strafrecht. Het staat in de APV van de gemeente Rotterdam. Mág een gemeente het wel strafbaar stellen? De bijdrage van vandaag is het vervolg op die van gisteren. De bijdrage van gisteren is hierin helemaal opgenomen en een beetje uitgebreid.

APV Elke gemeente heeft een algemene plaatselijke verordening (APV) waarin ze haar huishouding naar eigen inzicht regelt. In de Rotterdamse APV zijn bijvoorbeeld regelingen opgenomen over betogingen, veiligheid op de weg, evenementen, overlast, vuurwerk en de openbare orde. Onder Openbare orde is de straatintimidatie geregeld. De APV wordt vastgesteld door de gemeenteraad.

Straatintimidatie Sinds vorig jaar kent de Rotterdamse APV een artikel over straatintimidatie. Het luidt als volgt: Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.

Uitleg Hoe dit artikel uit te leggen? De rechtbank zegt dat zowel uitjouwen als lastigvallen hierin worden strafbaar gesteld en dat aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen slechts een invulling zijn van het laatste begrip.

Feiten Wat is er feitelijk gebeurd? De rechtbank zegt hierover het volgende. Het gebeurde afgelopen zomer, in de openbare ruimte in het centrum van Rotterdam. Feit 1. De dader roept tegen enkele vrouwen die hem passeren: ‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ Hij brengt zijn linkerhand in de richting van zijn mond en tuit zijn lippen en maakt kusgebaren in de richting van de vrouwen. Een van de vrouwen zegt: ‘Kom we gaan weg hier’. Hierop lopen de vrouwen terug in de richting van het Binnenwegplein. De verdachte roept hen na: ‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’ De vrouwen reageren niet en lopen door. Een andere vrouw komt uit de richting van het Binnenwegplein. De verdachte zegt tegen haar: ‘Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’. De vrouw reageert niet en loopt door. Feit 2. De dader kijkt in de richting van een vrouw die ergens zit. Hij gaat naast de vrouw zitten en blijft in de richting van de vrouw kijken. De vrouw schuift een meter op. De dader spreekt de vrouw aan en roept: ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit.’ De vrouw reageert en zegt: ‘Dankjewel’ en negeert hem. Hij tuit zijn lippen en maakt kus- en handgebaren in de richting van de vrouw. Hij loopt weg en spreekt drie andere vrouwen aan. De vrouwen reageren niet. Hij tuit zijn lippen en maakt kus- en handgebaren in de richting van de vrouwen en zegt: ‘Doei schatjes, fijne avond’. De rechtbank zegt dat de dader zich door deze feiten heeft schuldig gemaakt aan straatintimidatie, en – preciezer gezegd – aan lastigvallen.

Bovengrens 1Terug naar de APV. Een artikel in de APV of een gedeelte daarvan mag niet in strijd zijn met een hogere regeling, zoals een parlementaire wet of de Grondwet. Maar wanneer is dat het geval? Wanneer wordt met andere woorden de bovengrens geschonden? De rechtbank zegt hierover dat een APV-bepaling in strijd is met een parlementaire wet als – onder andere – die wet hetzelfde onderwerp regelt, dat vanuit hetzelfde motief doet en bovendien geen ruimte laat voor aanvulling met een regeling zoals die van dit gemeentelijk APV-artikel.

Uitjouwen De rechtbank zegt dat het gemeentelijk verbod van uitjouwen in strijd is met de wet. Het is namelijk met enkele artikelen uit het Wetboek van Strafrecht in strijd. Te weten de wetboekartikelen over opzettelijke belediging (zoals artikel 266) en bedreiging (zoals artikel 285). Deze artikelen regelen namelijk hetzelfde onderwerp en vanuit hetzelfde motief als het gemeentelijke APV-artikel over straatintimidatie en bovendien laten ze geen ruimte voor aanvulling. Het uitjouwverbod in de Rotterdamse APV is daarom in strijd met een parlementaire wet, en daarmee onverbindend (ongeldig).

Lastigvallen De rechtbank zegt dat dit niet het geval is met het Rotterdams verbod van lastigvallen. Dit gedeelte van het APV-artikel over straatintimidatie is dus niet in strijd met een parlementaire wet. Echter, dat betekent niet automatisch dat het geldig is en dat mensen die het hebben overtreden strafbaar zijn.

Bovengrens 2 Parlementaire wetten – zoals het Wetboek van Strafrecht – zijn niet de enige bovengrens van een APV. Alle hogere regelingen zijn bovengrens voor een APV. Een APV mag bijvoorbeeld evenmin in strijd zijn met de provinciale verordening, de Grondwet en een verdrag.

Grondwet De rechtbank gaat na of het onderdeel lastigvallen uit het APV-artikel strijdt met een verdrag (het Europees mensenrechtenverdrag) of de Grondwet. En concludeert dat er geen strijd is met het verdrag, maar wél met de Grondwet. Het onderdeel lastigvallen is namelijk in strijd met de vrijheid van meningsuiting. Dat is een grondrecht of te wel mensenrecht dat is geregeld in artikel 7 (lid 3) van de Grondwet. Daarin staat onder andere: Voor het openbaren van gedachten of gevoelens (..) heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De rechtbank zegt dat met mondelinge uitlatingen (zoals die van de dader) gedachten of gevoelens worden geuit. Die uitlatingen vallen daardoor onder de vrijheid van meningsuiting. Het Rotterdamse straatintimidatieverbod beperkt dus de vrijheid van meningsuiting. Een beperking van deze vrijheid levert niet per se strijd op met het grondrecht. Het grondrecht geldt namelijk niet onbeperkt. Het mag beperkt worden: dat volgt uit de woorden behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Met wet wordt hier bedoeld een parlementaire wet: de vrijheid van meningsuiting mag dus alleen beperkt worden in een parlementaire wet. Een APV is géén parlementaire wet. De Rotterdamse APV waarin het straatintimidatieverbod staat, is géén geldige beperking van de vrijheid van meningsuiting. De rechtbank concludeert dat het in strijd is met de Grondwet. Voor zover een APV-artikel in strijd is met de Grondwet, is het onverbindend, anders gezegd: geldt het niet.

Toch veroordeeld En toch komt de rechtbank in deze rechtszaak tot een veroordeling en een strafoplegging wegens overtreding van het straatintimidatieverbod uit de APV. Is hier sprake van een foutje van de rechtbank? Een bureaucratische verschrijving? Neen. Hij wordt namelijk niet veroordeeld voor zijn mondelinge uitlatingen, want die vallen onder het openbaren van gedachten en gevoelens. Hij wordt wél veroordeeld voor zijn kus- en handgebaren, want die vallen in deze situatie niet onder het openbaren van gedachten of gevoelens. De kus- en handgebaren zijn hier dus geen beperking van het grondrecht vrijheid van meningsuiting. Het Rotterdamse straatintimidatieverbod verbiedt niet alleen mondelinge uitlatingen maar ook dergelijke kus- en handgebaren.

Dus het mag slechts beetje wel Is het Rotterdams straatintimidatieverbod geldig? Het uitjouwverbod is ongeldig. Het lastigvallenverbod is ongeldig voor wat betreft mondelinge uitlatingen; het is echter geldig voor wat betreft andere uitlatingen. Kusgebaren zijn (hier) geen mondelinge uitlatingen!

BRONNEN:

”APV”

Artikel 108 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente wordt aan het gemeentebestuur overgelaten.

Artikel 149 luidt: De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.

”Uitleg”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: De eerste twee begrippen, ‘uitjouwen’ en ‘lastigvallen’, vormen de kern van het verwijt en zijn daarmee de kwalificerende begrippen in de tenlastelegging. Het derde begrip ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ vormt een invulling van het begrip ‘lastigvallen’.

”Bovengrens”

Artikel 121 Gemeentewet luidt: De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Bij de uitleg van alle drie de begrippen moet steeds in het oog worden gehouden dat het in artikel 2:1a APV strafbaar gestelde gedrag een begrenzing vindt in strafbare feiten die al op andere wijze (bij wet in formele zin) zijn strafbaar gesteld.De gemeentelijke wetgever heeft namelijk een relatief ruime, maar wel slechts aanvullende verordenende bevoegdheid. Uit de toelichting wordt afgeleid dat het motief van de strafbaarstelling van straatintimidatie primair is gelegen in de bescherming van het openbare leven in de openbare ruimte en daarmee de openbare orde. In het verlengde daarvan moet de strafbaarstelling de personen die de straatintimidatie rechtstreeks ondergaan en de personen die het waarnemen beschermen. Bij de duiding van de begrippen moet van deze motieven van de gemeentelijke regelgever worden uitgegaan.

”Uitjouwen”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Toch laat het begrip uitjouwen zich lastig duiden wanneer daarbij wordt bedacht dat die uitlatingen dan bijvoorbeeld niet beledigend of bedreigend van aard mogen zijn. Dan zou immers dat gedrag al in het Wetboek van Strafrecht zijn strafbaar gesteld en is er geen ruimte voor strafbaarstelling door de gemeentelijke regelgever.

Het kwalificerende begrip uitjouwen is een smal begrip. Dit vindt zijn oorzaak in de betekenis die aan het begrip moet worden toegekend waardoor het begrip zijn begrenzing vaak zal vinden in andere strafbaarstellingen.

Artikel 266 Wetboek van Strafrecht luidt: Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 285 luidt (gedeeltelijk): Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met enig misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

”Lastigvallen”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Lastigvallen als kwalificerend begrip is juist breed en ziet vooral op het (be)naderen met oneerzame bedoelingen. Die oneerzame bedoelingen zullen dan moeten volgen en/of worden ingekleurd door de ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ waarmee iemand of meerdere personen worden benaderd. Het moet dan gaan om uitlatingen of handelingen die ergernis veroorzaken. Van deze betekenissen van de begrippen zal bij de verdere beoordeling worden uitgegaan.

”Grondwet”

Artikel 7 Grondwet. Lid 1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Lid 2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending. Lid 3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Het tweede zinsdeel van artikel 7 lid 3 Gw luidt: ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Dit zinsdeel duidt erop dat dit grondrecht mag worden beperkt maar alleen bij wet in formele zin. De vraag die zich hier opdringt is daarom of de strafbaarstelling zoals deze in artikel 2:1a van de APV is geformuleerd niet op gespannen voet staat met dit uitgangspunt. Dat is het geval als in een concrete zaak de ten laste gelegde handelingen als het openbaren van gedachten of gevoelens moeten worden aangemerkt. Het gevolg daarvan is dat artikel 2:1a APV – voor dat deel – onverbindend is en bewezenverklaarde feiten (deels) niet strafbaar zullen zijn.

Conclusie artikel 7 Grondwet

Voor zover onder de strafbaarstelling van artikel 2:1a APV het openbaren van gedachten of gevoelens wordt gebracht is dat artikel onverbindend omdat de APV geen wet in formele zin is. Dit betekent overigens helemaal niet dat het uiten van bepaalde gedachten of gevoelens niet moreel verwerpelijk kan zijn of dat strafbaarstelling van dergelijke uitspraken onmogelijk zou zijn. Het betekent niet meer en niet minder dan dat de manier waarop het nu is geregeld een zekere beperking met zich meebrengt.

De bewezenverklaarde mondelinge uitlatingen van de verdachte vallen onder de vrijheid van meningsuiting. Die uitlatingen zijn te beschouwen als het uiten van een gedachte of gevoelen zoals omschreven in artikel 7 lid 3 Gw.

Uitingen die vallen onder de vrijheid van meningsuiting mogen alleen worden beperkt bij wet in formele zin. De APV is geen wet in formele zin en daarom is artikel 2:1a APV niet-verbindend. Gevolg daarvan is dat de bewezenverklaarde uitspraken van de verdachte als zodanig niet strafbaar zijn en de verdachte in zoverre zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

”Toch veroordeeld”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: De bewezenverklaarde kus- en/of handgebaren vallen daarentegen niet onder vrijheid van meningsuiting (..) Ook zijn de kus- en handgebaren binnen de vastgestelde context niet onmiskenbaar te beschouwen als het uiten van een gedachte of gevoelen (..)

Eerste Rotterdamse veroordeling voor straatintimidatie (1): het uitjouwverbod

MAANDAG 7 JANUARI 2019 Half december heeft de rechtbank Rotterdam iemand veroordeeld wegens straatintimidatie. Dat was de eerste keer. Straatintimidatie is een nieuw strafbaar feit. Het staat echter niet in het Wetboek van Strafrecht. Het staat in de APV van de gemeente Rotterdam. Mág een gemeente het wel strafbaar stellen?

APV Elke gemeente heeft een algemene plaatselijke verordening (APV) waarin ze haar huishouding naar eigen inzicht regelt. In de Rotterdamse APV zijn bijvoorbeeld regelingen opgenomen over betogingen, veiligheid op de weg, evenementen, overlast, vuurwerk en de openbare orde. Onder Openbare orde is de straatintimidatie geregeld. De APV wordt vastgesteld door de gemeenteraad.

Straatintimidatie Sinds vorig jaar kent de Rotterdamse APV een artikel over straatintimidatie. Het luidt als volgt: Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.

Uitleg Hoe dit artikel uit te leggen? De rechtbank zegt dat zowel uitjouwen als lastigvallen hierin worden strafbaar gesteld en dat aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen slechts een invulling zijn van het laatste begrip.

Bovengrens Een artikel in de APV of een gedeelte daarvan mag niet in strijd zijn met een hogere regeling, zoals een parlementaire wet of de Grondwet. Maar wanneer is dat het geval? Wanneer wordt met andere woorden de bovengrens geschonden? De rechtbank zegt hierover dat een APV-bepaling in strijd is met een parlementaire wet als – onder andere – die wet hetzelfde onderwerp regelt, dat vanuit hetzelfde motief doet en bovendien geen ruimte laat voor aanvulling met een regeling zoals die van dit gemeentelijk APV-artikel.

Uitjouwen De rechtbank zegt dat het gemeentelijk verbod van uitjouwen in strijd is met de wet. Het is namelijk met enkele artikelen uit het Wetboek van Strafrecht in strijd. Te weten de wetboekartikelen over opzettelijke belediging (artikel 266) en bedreiging (artikel 285). Deze artikelen regelen namelijk hetzelfde onderwerp en vanuit hetzelfde motief als het gemeentelijke APV-artikel over straatintimidatie en bovendien laten ze geen ruimte voor aanvulling. Het uitjouwverbod in de Rotterdamse APV is daarom in strijd met een parlementaire wet, en daarmee onverbindend (ongeldig).

Lastigvallen De rechtbank zegt dat dit niet het geval is met het Rotterdams verbod van lastigvallen. Dit gedeelte van het APV-artikel over straatintimidatie is dus niet in strijd met een parlementaire wet. Echter, dat betekent niet automatisch dat het geldig is en dat mensen die het hebben overtreden strafbaar zijn.

Morgen volgt hier een tweede en laatste bijdrage over het Rotterdamse vonnis. Daarin krijgt de laatste zin van de vorige alinea uitwerking.

BRONNEN:

”APV:”

Artikel 108 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente wordt aan het gemeentebestuur overgelaten.

Artikel 149 luidt: De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.

”Uitleg:”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: De eerste twee begrippen, ‘uitjouwen’ en ‘lastigvallen’, vormen de kern van het verwijt en zijn daarmee de kwalificerende begrippen in de tenlastelegging. Het derde begrip ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ vormt een invulling van het begrip ‘lastigvallen’.

”Bovengrens:”

Artikel 121 Gemeentewet luidt: De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Bij de uitleg van alle drie de begrippen moet steeds in het oog worden gehouden dat het in artikel 2:1a APV strafbaar gestelde gedrag een begrenzing vindt in strafbare feiten die al op andere wijze (bij wet in formele zin) zijn strafbaar gesteld. De gemeentelijke wetgever heeft namelijk een relatief ruime, maar wel slechts aanvullende verordenende bevoegdheid. Uit de toelichting wordt afgeleid dat het motief van de strafbaarstelling van straatintimidatie primair is gelegen in de bescherming van het openbare leven in de openbare ruimte en daarmee de openbare orde. In het verlengde daarvan moet de strafbaarstelling de personen die de straatintimidatie rechtstreeks ondergaan en de personen die het waarnemen beschermen. Bij de duiding van de begrippen moet van deze motieven van de gemeentelijke regelgever worden uitgegaan.

Uitjouwen:

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Toch laat het begrip uitjouwen zich lastig duiden wanneer daarbij wordt bedacht dat die uitlatingen dan bijvoorbeeld niet beledigend of bedreigend van aard mogen zijn. Dan zou immers dat gedrag al in het Wetboek van Strafrecht zijn strafbaar gesteld en is er geen ruimte voor strafbaarstelling door de gemeentelijke regelgever.

Het kwalificerende begrip uitjouwen is een smal begrip. Dit vindt zijn oorzaak in de betekenis die aan het begrip moet worden toegekend waardoor het begrip zijn begrenzing vaak zal vinden in andere strafbaarstellingen.

Artikel 266 Wetboek van Strafrecht luidt: Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 285 luidt (gedeeltelijk): Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met enig misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

”Lastigvallen:”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Lastigvallen als kwalificerend begrip is juist breed en ziet vooral op het (be)naderen met oneerzame bedoelingen. Die oneerzame bedoelingen zullen dan moeten volgen en/of worden ingekleurd door de ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ waarmee iemand of meerdere personen worden benaderd. Het moet dan gaan om uitlatingen of handelingen die ergernis veroorzaken. Van deze betekenissen van de begrippen zal bij de verdere beoordeling worden uitgegaan.

BTW

WOENSDAG 2 JANUARI 2019 De btw – de belasting over de toegevoegde waarde – is sinds gisteren hoger. De btw is een omzetbelasting; de belasting bestaat uit een percentage van de omzet. Dat percentage is 21%; dat is niet veranderd. Voor sommige goederen en diensten geldt echter een lager percentage. Dat lagere percentage bedroeg tot 1 januari 6% maar bedraagt sinds gisteren 9%. Anderhalf keer zoveel dus! Wat valt er zoal onder het lage tarief? En wie heeft het verhoogd en waarom?

Inclusief De consument die goederen en diensten afneemt van een ondernemer, betaalt daarvoor een prijs inclusief btw. De ondernemer die de goederen en diensten verstrekt, draagt de btw enige tijd later af aan de belastingdienst.

Boeken Het lage percentage gold en geldt onder andere voor boeken. De prijs van een nieuw boek dat in de winkel ligt voor 43,60 euro bestaat dus voor 3,60 euro uit btw (of te wel omzetbelasting). Datzelfde boek was tot 1 januari te koop voor 42,40 euro.

Zwembad Ook de ticket voor een zwembad of het abonnement voor een sportschool viel en valt onder het lage tarief.

Kopje Dat geldt net zo goed voor het kopje koffie op een (verwarmd) terras of in het café.

Schouwburg En voor de toneelvoorstelling in de schouwburg, de dierentuin, het museum, het attractiepark en de bioscoop.

Fietsenmaker Ook het herstellen van fietsen, schoenen en kleren viel en valt onder het lage percentage. Ook hun klanten krijgen dus te maken met een prijsverhoging.

Kapper Daarmee krijgt ook de clientèle van de kapper te maken. Maar ook de btw voor de (witte) schoonmaker en de (winter)schilder is van 6 naar 9% gegaan.

Wet Voor deze verhoging van het btw-tarief was een wetswijziging nodig. Het gaat hier om de Wet op de Omzetbelasting 1968. Dat is een parlementaire wet. Voor een wijziging daarvan is de medewerking van het parlement nodig. De Tweede Kamer en de Eerste Kamer hebben dus ingestemd met de wetswijziging. Het voorstel voor de wetswijziging komt van de regering. De regering stelde deze verhoging voor ter compensatie van een belastingverlaging op inkomen uit arbeid, zo staat het in de toelichting.

Boeken De winkelprijs van een Nederlands boek dat in de afgelopen maanden op de markt is gekomen, mag niet zomaar worden verhoogd. De uitgever moet daarvoor namelijk een vaste prijs vaststellen, en die prijs mag pas na een half jaar worden veranderd. Dat is zo wettelijk geregeld, in de Wet op de vaste boekenprijs. Daarom is deze wet tegelijkertijd met de Wet op de Omzetbelasting 1968 gewijzigd. De wetswijziging laat toe dat ook de prijs van een Nederlands boek waarvoor in het afgelopen half jaar al een vaste prijs is vastgesteld wordt verhoogd, maar alleen ter compensatie van het hogere btw-tarief.

BRONNEN:

Inclusief”:

Artikel 1 van de Wet op de Omzetbelasting 1968 luidt (gedeeltelijk): Onder de naam ‘omzetbelasting’ wordt een belasting geheven ter zake van: a. leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht;

Artikel 3 luidt (gedeeltelijk): Leveringen van goederen zijn: a. de overdracht of overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken;

Artikel 4 luidt (gedeeltelijk): Diensten zijn alle prestaties, niet zijnde leveringen van goederen in de zin van artikel 3.

Artikel 7 luidt (gedeeltelijk): Ondernemer is ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. Waar in deze wet wordt gesproken van bedrijf, wordt daaronder mede verstaan: a. beroep;

Artikel 8 luidt (gedeeltelijk): De (omzet)belasting wordt berekend over de vergoeding. De vergoeding is het totale bedrag dat ter zake van de levering of de dienst in rekening wordt gebracht, de omzetbelasting niet daaronder begrepen.

Artikel 12 luidt (gedeeltelijk): De belasting wordt geheven van de ondernemer die de levering of de dienst verricht.

”Boeken tot en met kapper”:

Artikel 9 van de Wet op de Omzetbelasting 1968 luidt: Lid 1. De belasting bedraagt 21 percent. Lid 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting: a. 9 percent voor leveringen van goederen en diensten, genoemd in de bij deze wet behorende tabel I; b. nihil voor leveringen van goederen en diensten, genoemd in de bij deze wet behorende tabel II, mits is voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden.

Tabel I. behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968 luidt (gedeeltelijk):

a.

1. voedingsmiddelen, te weten: a. eet- en drinkwaren die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie;

30. boeken (..); dagbladen, weekbladen, tijdschriften en andere tenminste driemaal per jaar periodiek verschijnende uitgaven;

b.

3. het geven van gelegenheid tot sportbeoefening en baden;

4. het herstellen van fietsen;

5. het herstellen van schoeisel en lederwaren;

6. het herstellen en vermaken van kleding en huishoudlinnen;

7. de diensten die door kappers als zodanig worden verricht;

8. het schilderen en stukadoren van woningen na meer dan twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming;

14. het verlenen van toegang tot: a. circussen; b. dierentuinen; c. openbare musea of verzamelingen, daaronder begrepen nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen, zoals catalogi, foto’s en fotokopieën; d. muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen, daaronder begrepen opera’s, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets, alsmede lezingen, met uitzondering van peepshows en andere optredens die primair zijn gericht op erotisch vermaak; e. bioscopen; f. sportwedstrijden, sportdemonstraties en dergelijke; g. attractieparken, speel- en siertuinen, en andere dergelijke primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen;

19. het aanbrengen van op energiebesparing gericht isolatiemateriaal aan vloeren, muren en daken van woningen na meer dan twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming, met uitzondering van materialen die een deel vertegenwoordigen van de waarde van deze diensten;

20. het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden binnen woningen.

”Wet”:

Artikel 81 Grondwet luidt: De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 51 Grondwet luidt (gedeeltelijk): De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

Memorie van toelichting bladzijden 22 en 23 bij het wetsontwerp: Het kabinet stelt voor het verlaagde btw-tarief te verhogen van 6 naar 9 percent. Deze maatregel past in het streven dat is gericht op een schuif in de belastingmix van directe naar indirecte belastingen. De verhoging van het verlaagde btw-tarief is direct verbonden met de voorstellen die zien op de structurele verlaging van de belastingen op inkomen. Door het samenstel van fiscale maatregelen gaan alle inkomensgroepen er de komende jaren in koopkracht op vooruit. Het belasten van consumptie is economisch minder verstorend dan het belasten van inkomen.

”Boeken”:

Artikel 5: Lid 1. De uitgever en de importeur kunnen de vaste prijs telkens na verloop van een half jaar aanpassen met ingang van een daarbij te bepalen tijdstip. Lid 3. In afwijking van het eerste lid kunnen de uitgever en de importeur de vaste prijs eerder dan na verloop van een half jaar aanpassen met ingang van een daarbij te bepalen tijdstip ter verdiscontering van een wijziging van het belastingpercentage, genoemd in artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968. (De toevoeging van lid 3 is de wijziging van deze wet.)

Verkeersborden

MAANDAG 10 DECEMBER 2018 Vorige week stond in de krant een groot artikel over de verkeersborden en dat op sommige plaatsen langs de weg zoveel verkeersborden bij elkaar staan dat automobilist en andere weggebruikers niet genoeg tijd hebben om ze allemaal te lezen. Wie gaat er in Nederland over de borden? Hoe verhouden die borden zich tot andere vormen van verkeersregulering?

Borden versus regels Verkeersborden hangen bijvoorbeeld boven de weg of zijn bevestigd aan een paal naast de weg. Verkeersborden regelen het verkeer maar het zijn geen verkeersregels. Die zijn er ook,verkeersregels. Bijvoorbeeld voor fietsers, voetgangers en ruiters. Zo mogen fietsers met tweeën naast elkaar rijden, andere fietsers alleen maar links inhalen en niet zo hardrijden dat ze niet meer op tijd kunnen stoppen voor iets of iemand die zichtbaar is op de weg voor hun. Voetgangers mogen op het fietspad lopen áls er geen trottoir of voetpad is. Dat is ruiters verboden: als er geen ruiterpad is, mogen zij (alleen) van de rijbaan of berm gebruik maken.

Borden boven regels Verkeersborden gaan boven verkeersregels: als een verkeersbord onverenigbaar is met een verkeersbord, dient de weggebruiker zich aan het verkeersbord te houden.

Borden door wegbeheerder De wegbeheerder gaat over de plaatsing (en verwijdering) van verkeersborden. Wegbeheerder is meestal een overheidsorgaan. De minister van Verkeer is de wegbeheerder voor de rijkswegen; gedeputeerde staten is het voor de provinciale wegen; het algemeen bestuur van een waterschap is het voor de waterschapswegen; het college van burgemeester en wethouders is het voor de gemeentelijke wegen.

Regels door regering Verkeersregels staan onder andere in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, officieel afgekort tot het RVV 1990. Het RVV 1990 is een wet; weliswaar is deze wet niet aangenomen door het parlement maar hij is wel aangenomen door de regering. Zo’n wet heet algemene maatregel van bestuur. Verkeersborden gaan bovenverkeersregels. Een verkeersbord dat is geplaatst door het college van burgemeester en wethouders gaat dus boven een verkeersregel die de regering heeft uitgevaardigd! De hierboven gegeven voorbeelden van verkeersregels zullen overigens niet snel onverenigbaar zijn met een verkeersbord, maar dat terzijde.

Straf Weggebruikers die geen gevolg geven aan een verkeersbord, maken zich schuldig aan een strafbaar feit. Zij kunnen worden veroordeeld tot een gevangenisstraf of tot een boete van meer dan 4000 euro. Het moet daarbij wel gaan om verkeersborden die een verbod of gebod inhouden.

Andere verkeerstekens Verkeersborden zijn niet de enige verkeerstekens.Andere verkeerstekens zijn verkeerslichten – zoals stoplichten,overweglichten en bruglichten – en verkeerstekens op het wegdek,zoals strepen en haaientanden. Wegbeheerders gaan ook over het aanbrengen van deze andere verkeerstekens; en ook deze verkeerstekens gaan boven de verkeersregels. De weggebruiker die zich er niet aanhoudt, maakt zich ook hier schuldig aan een strafbare feit en kan dezelfde straffen tegemoet zien. Ik denk niet – maar weet het niet zeker – dat wegbeheerders zelf verkeersborden en andere verkeerstekens mogen maken. Ik denk dat zij een keuze moeten maken uit de verkeersborden en andere verkeerstekens die in het RVV 1990 zijn opgenomen; alle verkeersborden staan in een bijlage van het RVV. Ze zijn dus allemaal door de regering uitgevaardigd.

BRONNEN:

Borden versus regels:

Artikel 3 RVV luidt (gedeeltelijk): Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar rijden. Dit geldt niet voor snorfietsers.

Artikel 4 RVV luidt (gedeeltelijk): Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad. Zij gebruiken het fietspad of het fiets/bromfietspad indien trottoir en voetpad ontbreken.

Artikel 8 RVV luidt: Ruiters gebruiken het ruiterpad. Zij gebruiken de berm of de rijbaan indien een ruiterpad ontbreekt.

Artikel11 RVV luidt (gedeeltelijk): Fietsers dienen elkaar links in te halen; zij mogen andere bestuurders rechts inhalen.

Artikel1 RVV luidt (gedeeltelijk): In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bestuurders:alle weggebruikers behalve voetgangers; voertuigen:fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens;

Artikel 19 RVV luidt: De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.

Borden boven regels

Artikel 63 RVV luidt: Verkeerstekens gaan bovenverkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens.

Artikel 64 RVV luidt: Verkeerslichten gaan boven verkeerstekens die de voorrang regelen.

Borden door wegbeheerder

Artikel 15 RVV luidt (gedeeltelijk): De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

Artikel 16 luidt (gedeeltelijk): De in artikel 15 bedoelde verkeerstekens en onderborden worden geplaatst of verwijderd, en de daar bedoelde maatregelen worden getroffen, door de zorg van het gezag dat het verkeersbesluit heeft genomen.

Artikel 18 Wegenverkeerswet (gedeeltelijk): Verkeersbesluiten worden genomen: a. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van het Rijk door Onze Minister; b. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een provincie door gedeputeerde staten; c. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een waterschap door het algemeen bestuur of, krachtens besluit van het algemeen bestuur, door het dagelijks bestuur; d. voor zover zij betreffen het verkeer op andere wegen door burgemeester en wethouders, of krachtens besluit van hen,door een door hen ingestelde bestuurscommissie.

Regels door regering

Artikel 47 Grondwet luidt: Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 89 Grondwet luidt (gedeeltelijk): Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

Dit besluit kan worden aangehaald als “Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” of als “RVV 1990”. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Tavarnelle, 26 juli 1990

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

J. R. H. Maij-Weggen

Uitgegeven de elfde oktober 1990

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Straf

Artikel 62 RVV luidt: Weggebruikers zijn verplichtgevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

Artikel 92 RVV luidt (gedeeltelijk): Overtreding van de artikelen (..) 62,met uitzondering van verkeersbord C22 van bijlage 1 is een strafbaar feit.

Artikel 177 Wegenverkeerswet luidt (gedeeltelijk): Overtreding van het bepaalde krachtens deze wet, voor zover die overtreding uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 23 Wetboek van Strafrecht luidt (gedeeltelijk): Hij die tot een geldboete is veroordeeld is verplicht tot betaling van het vastgestelde bedrag aan de staat binnen de termijn door het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging vande strafbeschikking of het vonnis of arrest is belast, te stellen.Het bedrag van de geldboete is ten minste € 3. De geldboete die voor een strafbaar feit ten hoogste kan worden opgelegd, is gelijk aan het bedrag van de categorie die voor dat feit is bepaald. Er zijn zes categorieën: (..) de tweede categorie, € 3 350 [Red: Per 1januari 2018: € 4.150.].

“Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” of als “RVV 1990”

Bijlage 1. Verkeersborden

Briefgeheim

DONDERDAG 6 DECEMBER 2018 In de krant stond deze week een kort bericht over het briefgeheim. Het Openbaar Ministerie wil het briefgeheim afschaffen voor zover het gaat om postpakketten waarin de aanwezigheid van drugs wordt vermoed. Het Openbaar Ministerie, vaak afgekort tot OM, dat zijn zeg maar de officieren van justitie. Officieren van justitie geven leiding aan de politie als die zich bezighoudt met de opsporing van strafbare feiten. Hoe is het briefgeheim nu geregeld?

Briefgeheim Het briefgeheim houdt in dat ook de overheid brieven en postpakketten niet mag openen. Uiteraard mag de overheid dat weer wel doen in het geval dat ze de geadresseerde is. In de andere gevallen mag ook de politie de post niet openen.

Mensenrecht Het briefgeheim is één van de grondrechten die in onze Grondwet staan. Het staat in artikel 13 van de Grondwet. Daarin staat dat de politie een postpakket alleen mag openen met een ”last” van de rechter, en die rechter mag zo’n last alleen geven in de gevallen die in de wet staan. Dit grondrecht of mensenrecht staat al sinds 1848 in de Grondwet. Ruim anderhalve eeuw dus!

Officier van justitie De officier van justitie mag een pakket wel in beslag nemen, in bepaalde gevallen. Dat betekent dat de postvervoerder het pakket aan hem moet afgeven. Dat betekent echter nog niet dat justitie of politie het pakket ook zouden mogen openen.

Rechter-commissaris Zij mogen het pakket pas openen nadat de rechter daartoe een last heeft gegeven. De rechter die over deze lasten gaat, heet de rechter-commissaris.

Wetboek van Strafvordering De rechter-commissaris mag niet zomaar een last geven. Dat mag immers alleen in de gevallen die in de wet staan. Die wet is het Wetboek van Strafvordering; ik ga er even van uit dat dit de enige wet is waarin deze gevallen staan. In dit wetboek zijn de gevallen genoemd waarin de rechter-commissaris een last mag geven. In andere gevallen mag die last niet worden gegeven.

Strikt genomen zegt het wetboek niets over de gevallen waarin de rechter-commissaris een last mag geven. Het spreekt namelijk alleen over de gevallen waarin de officier van justitie een postpakket in beslag mag nemen. Ik neem echter aan dat de rechter-commissaris steeds toetst of zich zo’n geval heeft voorgedaan, en vervolgens weigert om een last te geven als blijkt dat zich zo’n geval niet heeft voorgedaan. Deze gevallen zijn bijvoorbeeld – eenvoudig en niet helemaal juist geformuleerd – postpakketten die klaarblijkelijk iets te maken met het plegen van strafbare feiten of met mensen die ervan worden verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd.

BRONNEN:

Artikel 13 eerste lid van de huidige Grondwet luidt: Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.

Artikel 154 van de Grondwet van 1848 luidde: Het geheim der aan de post of andere openbare instelling van vervoer toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve op last des regters, in de gevallen in de wet omschreven.

Artikel 100 Wetboek van Strafvordering luidt (gedeeltelijk): In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 eerste lid kan de officier van justitie ter inbeslagneming de uitlevering tegen ontvangstbewijs bevelen van de pakketten, brieven, stukken en andere berichten, welke aan een postvervoerbedrijf (…) dan wel aan een andere instelling van vervoer zijn toevertrouwd; een en ander voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn of op hem betrekking hebben, of wel indien zij klaarblijkelijk het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben. Ieder die ten behoeve van dat vervoer zoodanige zaken onder zich heeft of krijgt, geeft dienaangaande aan den officier van justitie of aan den hulpofficier op diens vordering de door dezen gewenschte inlichtingen.

Artikel 101 luidt (gedeeltelijk): De officier van justitie geeft inbeslaggenomen pakketten, brieven, stukken en andere berichten, welke aan een postvervoerbedrijf (..) dan wel aan een andere instelling van vervoer waren toevertrouwd en welker inbeslagneming niet wordt gehandhaafd onverwijld aan de vervoerder ter verzending terug. Tot de kennisneming van de inhoud der overige zaken, voor zover deze gesloten zijn, gaat de officier van justitie niet over dan na daartoe door de rechter-commissaris te zijn gemachtigd. De machtiging kan zowel mondeling als schriftelijk worden gevorderd en verleend. Wordt de machtiging geweigerd, dan geeft de officier van justitie de inbeslaggenomen zaken onverwijld aan de vervoerder ter verzending terug.