Wat als de SPD uit de regering Merkel stapt?

DINSDAG 18 JUNI 2019 Net als in Nederland heeft Duitsland in 2017 Tweede Kamerverkiezingen gehouden, de verkiezingen van de Bondsdag. Van beide is de zittingsduur vier jaar en is men nu dus halverwege. Anders dan in Nederland lijkt in Duitsland de coalitieregering van CDU/CSU en SPD het moeilijk te hebben: het enthousiasme bij de sociaaldemocratische SPD voor deelname aan Merkel IV is nooit echt groot geweest maar lijkt nu in een vrije val te zijn terechtgekomen. Binnen de SPD gaan er namelijk steeds meer stemmen op om nog dit jaar uit de regering te stappen, helemaal na de dramatisch verlopen Europese verkiezingen waarin de partij bijna werd gehalveerd. Teken aan de wand is dat er nu al maandenlang wordt gezocht naar een opvolger van de minister van Justitie, zo stond vorige week donderdag in de Süddeutsche Zeitung. Het is al lang bekend dat Katarina Barley ermee stopt, zij was namelijk bij die Europese verkiezingen lijsttrekker voor de SPD. Niet dat er in Duitsland geen andere geschikte SPD’ers zijn voor dit ambt, maar niemand wil een carrièreswitch die hooguit enkele maanden duurt. Wat zou het betekenen als de regering van Angela Merkel niet meer op steun van de SPD kan rekenen?

Parlement Net als in Nederland bestaat het Duitse parlement uit twee Kamers: de Bondsdag, vergelijkbaar met onze Tweede Kamer, en de Bondsraad, vergelijkbaar met onze Eerste Kamer. In beide landen is voor de regering de Tweede Kamer/Bondsdag de belangrijkste.

GroKo De Duitse regering bestaat uit de bondskanselier en de ministers. Bondskanselier is Angela Merkel; zij is van het CDU. Verder bestaat de regering uit ministers van CDU, CSU en SPD. CDU en CSU zijn christendemocratische partijen, SPD is een sociaaldemocratische partij. Deze coalitie van CDU, CSU en SPD wordt Grosse Koalition (GroKo) genoemd. In de Bondsdag zijn 398 van de 709 zetels in handen van de coalitie. Weliswaar een ruime meerderheid, maar diezelfde coalitiepartijen bezetten volgens Wikipedia onder Merkel I 448 van de 615 zetels. Dat was tussen 2005 en 2009. En eind jaren zestig – tussen 1966 en 1969 – zelfs 468 van de 518 (regering Kiesinger)! Gross wordt dus steeds kleiner. Overigens is in Nederland de versplintering nog veel groter: coalitiepartijen CDA en PvdA bezetten in de jaren negentig onder Lubbers III 103 van de 150 zetels. Dat zouden er nu 28 zijn!

Bondsdag en Tweede Kamer (gewijzigd) Net als in Nederland moet een nieuwe regering in Duitsland het vertrouwen hebben van het parlement. In Nederland bestaat de vertrouwensregel met beide Kamers, al is het de bedoeling dat de Eerste Kamer daar veel terughoudender gebruik van maakt dan de Tweede Kamer. In Duitsland is alleen het vertrouwen nodig van de (meerderheid van de) Bondsdag. Er zijn echter meer verschillen. In Duitsland is deze vertrouwensregel in de Grondwet vastgelegd, in Nederland is het een regel van ongeschreven recht. Bovendien moet in Nederland elke nieuwe minister het vertrouwen hebben van de Kamers, in Duitsland heeft alleen de bondskanselier het vertrouwen van de Bondsdag nodig. Volgens de Duitse Grondwet hoeven de andere ministers alleen het vertrouwen van die bondskanselier te hebben.

De ene vertrouwensregel is de andere niet Het derde verschil is het volgende. Als in Nederland het kabinet niet langer het vertrouwen heeft van de Tweede Kamer, dan moet zij haar ontslag aanbieden aan de Koning. Het kabinet is daarna demissionair. Weliswaar blijft het aan totdat er een nieuw kabinet is gevormd, maar in het algemeen zal het zich hooguit bezig houden met spoedeisende zaken en onderwerpen die politiek niet controversieel zijn. Meestal gebeurt de formatie van een nieuw kabinet pas nadat er (vervroegde) Tweede Kamerverkiezingen zijn geweest. In Duitsland is dit anders geregeld. De Bondsdag kan niet zomaar het vertrouwen opzeggen in de bondskanselier (en daarmee in de hele regering). Ze moet namelijk tegelijkertijd een nieuwe bondskanselier aanwijzen. Voor het demissionair worden van de regering is het daar dus niet voldoende dat de meerderheid van de Bondsdag geen vertrouwen meer heeft in de zittende bondskanselier; ook is nodig dat die meerderheid tegelijkertijd haar vertrouwen uitspreekt in een nieuwe bondskanselier. Pas dan valt de regering. Dat is volgens Wikipedia tot nu toe slechts één keer gebeurd, namelijk in 1982. Toen werd de regering van Helmut Schmidt (SPD) tussentijds vervangen door die van Helmut Kohl (CDU). Het is ook niet zo makkelijk: stel dat we in Nederland ook zo’n regel hadden en dat ChristenUnie uit de huidige coalitie zou stappen. Waarschijnlijk is er dan een meerderheid in de Tweede Kamer die geen vertrouwen heeft in de coalitie van VVD, CDA en D66, maar zou diezelfde meerderheid het eens kunnen worden over een andere coalitie?

Bondsdag wetten Weliswaar mag de regering Merkel aanblijven als de Bondsdag het vertrouwen opzegt in Merkel zonder tegelijkertijd een nieuwe bondskanselier aan te wijzen, maar de regering heeft wel een meerderheid nodig in diezelfde Bondsdag voor de vaststelling van wetten. Ook de (jaarlijkse) regeringsbegroting wordt – net als in ons land – bij wet vastgesteld. Als die meerderheid niet wil lukken in een regering zonder SPD-ministers, dan mag Merkel vervroegde verkiezingen uitschrijven.

Bondsraad en Eerste Kamer Tot zover de Bondsdag. Dan nu die andere Kamer van het Duitse parlement: de Bondsraad, vergelijkbaar met onze Eerste Kamer. Zowel in Nederland als in Duitsland heeft de regering niet het vertrouwen nodig van de Eerste Kamer/Bondsraad. In beide landen is die Kamer echter wel wetgever. Als de coalitiepartijen daarin geen meerderheid bezitten, kan ze het de regering dus moeilijk maken. In Nederland een stuk moeilijker dan in Duitsland: in Nederland kan geen enkele wet worden vastgesteld zonder toestemming van de Eerste Kamer, terwijl dat bij onze oosterburen slechts in een minderheid van de wetten het geval is. De meerderheid van de wetten kan zonder toestemming van de Bondsraad worden vastgesteld. Zo is vaststelling van de regeringsbegroting zonder toestemming van de Bondsraad mogelijk. Daarom zijn voor de totstandkoming van wetten de politieke verhoudingen in de Bondsraad minder belangrijk dan in onze Eerste Kamer. Eind mei zij hier Eerste Kamerverkiezingen gehouden en vorige week dinsdag is de nieuwgekozen Kamer geïnstalleerd. Met ingrijpend gewijzigde politieke verhoudingen: de coalitiepartijen hebben namelijk hun meerderheid verloren. De fracties van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie bezetten nog maar 32 van de 75 zetels. Voortaan moet het kabinet dus voor elke nieuwe wet – zoals de jaarlijkse begroting – steun zoeken bij een oppositiepartij; dat dilemma kan zich voor de Duitse regering bij de meeste wetten niet voordoen.

Dus Bij onze oosterburen is het staatsrechtelijk moeilijker om de regering ten val te brengen, zijn de grote politieke partijen in de afgelopen decennia minder versplinterd en is voor de jaarlijkse begroting en de meeste andere wetten – anders dan in ons land – geen toestemming nodig van de Kamer waarin de coalitie geen meerderheid heeft. Toch lijkt het Nederlandse kabinet er twee jaar na de verkiezingen een stuk beter voor te staan dan het Duitse.

BRONNEN:

Inleiding

Artikel 39 Grundgesetz luidt (gedeeltelijk): Der Bundestag wird vorbehaltlich der nachfolgenden Bestimmungen auf vier Jahre gewählt.

”Parlement”

Artikel 51 Grondwet luidt (gedeeltelijk): De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

”GroKo”

Art 62 Grundgesetz luidt: Die Bundesregierung besteht aus dem Bundeskanzler und aus den Bundesministern.

”Bondsdag en Tweede Kamer”

Art 63 Grundgesetz luidt (gedeeltelijk): Der Bundeskanzler wird auf Vorschlag des Bundespräsidenten vom Bundestage ohne Aussprache gewählt. Gewählt ist, wer die Stimmen der Mehrheit der Mitglieder des Bundestages auf sich vereinigt. Der Gewählte ist vom Bundespräsidenten zu ernennen.

Art 64 luidt (gedeeltelijk): Die Bundesminister werden auf Vorschlag des Bundeskanzlers vom Bundespräsidenten ernannt und entlassen.

”De ene vertrouwensregel is de andere niet”

Artikel 64 Grondwet luidt (gedeeltelijk): Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

Artikel 67 Grundgesetz luidt (gedeeltelijk): Der Bundestag kann dem Bundeskanzler das Mißtrauen nur dadurch aussprechen, daß er mit der Mehrheit seiner Mitglieder einen Nachfolger wählt und den Bundespräsidenten ersucht, den Bundeskanzler zu entlassen. Der Bundespräsident muß dem Ersuchen entsprechen und den Gewählten ernennen.

”Bondsdag wetten”

Artikel 105 Grondwet luidt (gedeeltelijk): De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

Art 110 Grundgesetz luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Alle Einnahmen und Ausgaben des Bundes sind in den Haushaltsplan einzustellen (…). Lid 2, eerste zin. Der Haushaltsplan wird für ein oder mehrere Rechnungsjahre, nach Jahren getrennt, vor Beginn des ersten

Rechnungsjahres durch das Haushaltsgesetz festgestellt. Lid 3. Die Gesetzesvorlage nach Absatz 2 Satz 1 sowie Vorlagen zur Änderung des Haushaltsgesetzes und des Haushaltsplanes werden gleichzeitig mit der Zuleitung an den Bundesrat beim Bundestage eingebracht; der Bundesrat ist berechtigt (..) zu den Vorlagen Stellung zu nehmen.

Artikel 77 luidt (gedeeltelijk): Die Bundesgesetze werden vom Bundestage beschlossen.

Artikel 68 luidt (gedeeltelijk): Findet ein Antrag des Bundeskanzlers, ihm das Vertrauen auszusprechen, nicht die Zustimmung der Mehrheit der Mitglieder des Bundestages, so kann der Bundespräsident auf Vorschlag des Bundeskanzlers binnen einundzwanzig Tagen den Bundestag auflösen. Das Recht zur Auflösung erlischt, sobald der Bundestag mit der Mehrheit seiner Mitglieder einen anderen Bundeskanzler wählt.

”Bondsraad en Eerste Kamer”

Artikel 81 Grondwet luidt: De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 51 luidt (gedeeltelijk): De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

Artikel 50 Grundgesetz luidt: Durch den Bundesrat wirken die Länder bei der Gesetzgebung und Verwaltung des Bundes und in Angelegenheiten der Europäischen Union mit.

P.P.T. Bovend’Eert en M.C. Burkens in Het Staatsrecht van Zeven Europese landen, 2018, Wolters Kluwer, bladzijde 85: ”In de praktijk viel ongeveer 60% van de bondswetten (..) onder de categorie toestemmingswetten. Met de hervorming van 2006 beoogde de grondwetgever dit aantal terug te dringen tot 35 à 40%.”

Partijdiscipline bij de Eerste Kamerverkiezingen van 2019

DINSDAG 4 JUNI 2019 Vorige week maandag zijn de Eerste Kamerverkiezingen gehouden. Het electoraat bestond uit de leden van Provinciale Staten. Hoe is er op provinciaal niveau gestemd? Ik heb geen rekening gehouden met de verkiezingsuitslag in Caribisch Nederland.

Stemmen De leden van Provinciale Staten hebben 27 mei jl. in hun eigen provinciehuizen hun stem uitgebracht, even na drieën in de middag. Het tellen van de stemmen gebeurde in elke provincie door een stembureau bestaande uit de commissaris van de koning en enkele leden van diezelfde Provinciale Staten.

Stem Alle 570 Statenleden hebben hun stem uitgebracht en die waren allemaal geldig. Niet elke uitgebrachte stem woog even zwaar. Naarmate een provincie meer inwoners telt, weegt de stem van een Statenlid zwaarder. Een Zeeuwse stem was dan ook het lichtst en een Zuid-Hollandse stem het zwaarst. De laatste woog ruim zes keer meer dan de eerste. Daarom wogen de twee stemmen die in Zuid-Holland op 50PLUS werden uitgebracht tezamen bijna het dubbele van de zeven stemmen die in Zeeland op het CDA werden uitgebracht. Alle Statenleden hebben hun stem uitgebracht, maar niet elk Statenlid was erbij: twaalf Statenleden hebben een collega gemachtigd om namens hem/haar te stemmen.

Vreemd stemmen In de provincies Groningen, Flevoland, Utrecht, Noord-Brabant en Zuid-Holland hebben enkele Statenleden niet op hun eigen partij gestemd maar op een andere partij. Het zijn er niet veel: in totaal gaat het om zeven Statenleden, exclusief de Onafhankelijke Senaatsfractie en regionale partijen. Van de coalitiepartijen hebben twee VVD’ers op D66 gestemd, net als een CDA’er, terwijl een ander CDA’er op ChristenUnie heeft gestemd.

Legaal geritsel Uit de verkiezingsuitslag per provincie moet worden geconcludeerd dat er vreemde stemmen zijn uitgebracht, zoals bedoeld in de vorige alinea, ook al is het zo dat het stemgeheim ook voor Statenleden geldt. In de weken die aan de stemming voorafgingen hebben kranten herhaaldelijk bericht over Statenleden van CDA en VVD die niet op hun eigen partij gaan stemmen maar op die van coalitiegenoten D66 en ChristenUnie. Doel van dit vreemd stemmen was om die laatste partijen aan een (rest)zetel te helpen om daarmee de coalitiepartijen in de Eerste Kamer zo groot mogelijk te maken. Vreemde stemmen zijn in elk geval uitgebracht in de provincies Flevoland, Noord-Brabant, Groningen en Utrecht. In Flevoland en Noord-Brabant stemde een VVD’er op D66. In Groningen stemde een CDA’er op D66 en in Utrecht stemde een CDA’er op de ChristenUnie. De kranten lijken weinig waardering te hebben voor deze praktijk. Zo spreekt de Volkskrant van ”achter de schermen doende met een soort handjeklap” en ”achter de schermen een uitgebreide koehandel” en het AD van ”coalitie sleept sluw restzetels binnen”. Ook staatsrechtelijk kan bij deze praktijk een vraagteken worden geplaatst. Immers, om ervoor te zorgen dat alleen de overtollige stemmen naar een coalitiepartij gaan en bovendien dat die naar een bepaalde coalitiepartij gaan, moet het stemgedrag van alle Statenleden van die partij gecoördineerd worden. Anders gezegd: ze moeten stemmen in overeenstemming met instructies van hun partij. Kortom: partijdiscipline! De staatsrechtelijke vraag is dan: stemmen Statenleden daardoor nog wel vrij, naar eigen inzicht en overtuiging? Want dat is namelijk wat de Grondwet van hun verlangt, dat zij hun stem zonder last uitbrengen. De Staatscommissie parlementair stelsel die eind vorig jaar haar rapport publiceerde, brengt ook deze praktijk ter sprake en noemt het legaal geritsel (p 309/310). Anders gezegd: weliswaar niet on(grond)wettig, maar het wringt wel.

P.v.d.A. Het landelijke verkiezingsresultaat is dat Forum voor Democratie en VVD elk twaalf zetels hebben in de Eerste Kamer, CDA negen, GroenLinks acht, D66 zeven, P.v.d.A. zes, PVV vijf, SP en ChristenUnie elk vier, Partij voor de Dieren drie, 50PLUS en SGP elk twee en de Onafhankelijke Senaatsfractie één zetel. De nieuwe Eerste Kamer wordt over een week geïnstalleerd. De regeringspartijen VVD, CDA, D66 en ChristenUnie hebben daarin 32 zetels. Dat resultaat is mede bereikt dankzij de vreemde stemmen van VVD en CDA. Die 32 zetels vormen weliswaar geen meerderheid, want daarvoor zijn er 38 nodig, maar wel genoeg om alleen met de P.v.d.A. afspraken te hoeven maken.

Volgorde De volgorde op de kandidatenlijst is nooit willekeurig, maar door de politieke partij met veel zorg vastgesteld. De lijstvolgorde maakt de voorkeur van de partij duidelijk: hoe hoger een kandidaat op de lijst staat, hoe groter de partijvoorkeur is voor deze kandidaat. De Kieswet sluit daarbij aan door alle stemmen die op de lijsttrekker zijn uitgebracht en die deze zelf niet nodig heeft voor een (Eerste Kamer) zetel over te hevelen naar de andere kandidaten, in de volgorde van de lijst.

Voorkeurstemmen Kiezers kunnen deze lijstvolgorde doorbreken door op een lager geplaatste kandidaat te stemmen. Zij brengen dan een voorkeurstem uit. Als een kandidaat genoeg voorkeurstemmen heeft gekregen, krijgt hij een Eerste Kamer zetel terwijl een boven hem geplaatste kandidaat geen zetel hoeft te krijgen. Die kandidaat heeft dan een voorkeurszetel. Hoeveel voorkeurstemmen heeft hij nodig om een voorkeurszetel te krijgen? Dat verschilt per verkiezingen. Voor de Eerste Kamerverkiezingen zijn dat er net zoveel als nodig is om de lijst één volle zetel te geven; dit aantal heet de kiesdeler. Voor de Tweede Kamerverkiezingen is een kwart van de kiesdeler genoeg.

Voorkeurstemmen EK 2019: hoeveel? Zoals dat ook bij gewone verkiezingen het geval is, zijn bij de Eerste Kamerverkiezingen veruit de meeste stemmen op lijsttrekkers uitgebracht. Er zijn bij de stemming van vorige week maandag 87 voorkeurstemmen uitgebracht. Ik heb Forum voor Democratie buiten beschouwing gelaten, omdat in deze partij eind april een vertrouwensbreuk ontstond met de lijsttrekker. De andere kandidaten op de lijst hebben dit officieel verklaard en het partijbestuur kon zich daarin vinden. Gevolg is dat vorige week maandag slechts vier keer op hem is gestemd.

Voorkeurstemmen EK 2019: waar? Hoe zijn de voorkeurstemmen verdeeld over de provincies? De meeste voorkeurstemmen zijn uitgebracht in de middelgrote provincies: elf in Groningen, veertien in Limburg (waarvan negen op het CDA) en vijftien in Friesland. In totaal zijn in elk van deze top drie provincies ongeveer 45 stemmen uitgebracht. In de vier grootste provincies zijn veel minder voorkeurstemmen uitgebracht: zes in Gelderland en Zuid-Holland en vier in Noord-Holland en Noord-Brabant. Vanwaar deze verschillen? Heeft het ermee te maken dat (ook) de voorkeurstem in de ene provincie zwaarder weegt dan in de andere? Ik denk het niet want geen enkele van de drie provincies waar een voorkeurstem het lichtste is – Zeeland, Flevoland en Drenthe – maakt deel uit van de top drie.

Voorkeurstemmen EK 2019: waarop? Hoe zijn de voorkeurstemmen verdeeld over de partijen? Op sommige partijen zijn helemaal geen (VVD) of is slechts één voorkeurstem (SP) uitgebracht. Landelijk zijn de meeste voorkeurstemmen uitgebracht op PVV, SGP, GroenLinks en PvdA. Bij PVV is dat bijna de helft (16 van de in totaal 38 stemmen). Bij de andere drie is dat een derde tot een vierde: SGP (5 van de in totaal 15), GroenLinks (20 van de in totaal 61) en PvdA (15 van de in totaal 53). Hoe komt het dat op de partij die de meeste stemmen heeft gekregen – VVD – geen enkele voorkeurstem is uitgebracht? Kan dat te maken met partijdiscipline?

Voorkeurszetels Overigens hebben slechts twee kandidaten voldoende voorkeurstemmen gekregen voor een voorkeurszetel. Een kandidaat van GroenLinks en een kandidaat van PVV. De kandidaat van GroenLinks was trouwens ook zonder voorkeursstemmen gekozen, want zij heeft genoeg overtollige stemmen van de lijsttrekker gekregen.

BRONNEN:

”Stemmen”

Artikel T 1 Kieswet luidt (gedeeltelijk): De stemming vindt plaats om vijftien uur (Europees-Nederlandse tijd).

Artikel T 3: De voorzitter benoemt uit de statenvergadering drie leden, die met hem als voorzitter het stembureau vormen.

Artikel T 4 luidt (gedeeltelijk): Een statenlid brengt zijn stem uit door een wit stipje, geplaatst vóór de kandidaat van zijn keuze, rood te maken.

Artikel T 9 luidt: In geval van twijfel over de geldigheid van een stembiljet beslist de vergadering. Bij staken van stemmen beslist de voorzitter.

”Stem”

Artikel U 2 Kieswet luidt (gedeeltelijk): Elke stem geldt, naar gelang van de provincie waar zij is uitgebracht, voor een aantal stemmen, gelijk aan het getal dat verkregen wordt door het inwonertal van de provincie te delen door het honderdvoud van het aantal leden waaruit provinciale staten bestaan. Dit getal wordt de stemwaarde genoemd.

Artikel T 4 luidt (gedeeltelijk): Aan een statenlid wordt op zijn verzoek toegestaan bij volmacht te stemmen. Een statenlid mag niet meer dan één aanwijzing als gemachtigde aannemen.

”Legaal geritsel”

Artikel T 5 Kieswet luidt: Na het uitbrengen van zijn stem levert het statenlid het stembiljet dichtgevouwen bij de voorzitter in.

Artikel 129 Grondwet luidt (gedeeltelijk): De leden van provinciale staten (..) stemmen zonder last.

”Volgorde”

Artikel P 17 van de Kieswet luidt (gedeeltelijk): De zetels worden aan de nog niet gekozen kandidaten van de desbetreffende lijsten toegewezen in de volgorde van de lijst.

”Voorkeurstemmen”

Artikel T 4 van de Kieswet luidt (gedeeltelijk): Een statenlid brengt zijn stem uit door een wit stipje, geplaatst vóór de kandidaat van zijn keuze, rood te maken.

Artikel U 15 luidt (gedeeltelijk): Gekozen (voor de Eerste Kamer) zijn de kandidaten van de lijst die een aantal stemmen hebben verkregen, groter dan of gelijk aan de kiesdeler.

Artikel P 15 lid 1 luidt (gedeeltelijk): In de volgorde van de aantallen op hen uitgebrachte stemmen zijn (voor de Tweede Kamer) gekozen die kandidaten die op de gezamenlijke lijsten waarop zij voorkomen, een aantal stemmen hebben verkregen, groter dan 25% van de kiesdeler, voor zover aan de lijst voldoende zetels zijn toegewezen.

Wat zegt de uitslag van de provinciale staten verkiezingen over de samenstelling van de Eerste Kamer?

DINSDAG 2 APRIL 2019 Op 27 mei zijn er de verkiezingen voor de Eerste Kamer. De Eerste Kamer – de senaat – wordt niet door de burgers verkozen maar door volksvertegenwoordigers. Uit de uitslag van de provinciale staten verkiezingen van 20 maart wordt duidelijk dat de coalitiepartijen hun meerderheid in de Eerste Kamer zullen verliezen. Tot nu toe hadden ze een meerderheid, al is die met 38 van de 75 zetels aan de nipte kant.

Electoraat Electoraat van de Eerste Kamer zijn de leden van de Provinciale Staten, niet de burgers. Provinciale Staten zijn het parlement van de provincie. Elk van de twaalf provincies heeft één Provinciale Staten. In totaal zijn dat 570 Statenleden. Dat is echter niet het hele electoraat voor de Eerste Kamer. Daar komen namelijk nog bij de leden van de kiescolleges in Caribisch Nederland, de overzeese gemeenten Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De burgers hebben op 20 maart per overzeese gemeente een eigen kiescollege gekozen. De leden van deze drie kiescolleges brengen op 27 mei hun stem uit voor de Eerste Kamer. In totaal zijn dat 19 kiescollegeleden, waarvan Bonaire met 9 leden bijna net zoveel leden heeft als de andere tezamen. De kiescollegeleden van Bonaire zijn verdeeld over drie verschillende partijen. Op 27 mei brengen al deze 570 plus 19 kiezers in hun eigen vergaderzalen hun stem uit, om drie uur ’s middags (althans: in Nederland). Allen stemmen individueel en in het geheim. Er wordt dus niet per partij gestemd, en zeker niet per Provinciale Staten. Een Statenlid hoeft niet te stemmen op de eigen partij. Dus hoeft een Statenlid van bijvoorbeeld GroenLinks niet op een Eerste Kamer kandidaat van die partij te stemmen, maar mag zij of hij ook stemmen op een kandidaat van bijvoorbeeld PvdA of ChristenUnie. Dat is een van de redenen waarom de uitslag van de Eerste Kamerverkiezing na vaststelling van de uitslag van de provinciale staten verkiezingen niet al bij voorbaat helemaal vaststaat.

Volle zetels Waarom zou een Statenlid stemmen op een andere partij? De Eerste Kamer heeft 75 zetels. Het aantal zetels dat een partij krijgt, is afhankelijk van het aantal stemmen dat op die partij is uitgebracht. De kiesdeler is het aantal stemmen dat nodig is voor één zetel. De partij die twee keer de kiesdeler heeft gehaald, krijgt twee zetels. Enzovoorts. Ik noem dat hier volle zetels. Het aantal stemmen dat in de praktijk op een partij wordt uitgebracht, is nooit precies het aantal van (een of meer keer) de kiesdeler. Ik noem hier de stemmen die niet nodig zijn voor de kiesdeler resterende stemmen. Vanwege deze resterende stemmen kan het van politieke wijsheid getuigen om op een andere partij te stemmen.

Restzetels Na verdeling van alle volle zetels blijven er altijd een aantal zetels over. Dat zijn de restzetels. Een restzetel gaat naar de partij die het grootste gemiddelde aantal stemmen per zetel heeft gehaald. Naarmate een partij meer volle zetels haalt, heeft ze minder resterende stemmen nodig om een restzetel te krijgen. Een partij met 11 volle zetels heeft dus voor een restzetel minder resterende stemmen nodig dan een met 8 volle zetels, die heeft er weer minder nodig dan een met 6 volle zetels, en die met 6 weer minder dan een met 3. In de NRC van 27 maart staat dat o.a. VVD, CDA, GroenLinks, PvdA, ChristenUnie en Partij voor de Dieren kans maken op een restzetel. De krant maakt onderscheid tussen restzetels die vrij zeker zijn en restzetels die zeer onzeker zijn. Uit het krantenbericht blijkt dat voor de partijen met veel volle zetels een restzetel vrij zeker is: zo hebben VVD (11 volle zetels), CDA (8) en GroenLinks (8) vrij zeker een restzetel. Terwijl voor de kleinere partijen Partij voor de Dieren (2), ChristenUnie (3) en PvdA (6) een restzetel zeer onzeker is. Dat is een mooie illustratie van de regel dat partijen met veel volle zetels minder resterende stemmen nodig hebben dan partijen met weinig volle zetels. Het is trouwens niet uitgesloten dat zelfs een partij die de kiesdeler helemaal niet haalt toch een restzetel krijgt, maar dan zal die partij (veel) meer stemmen moeten hebben dan de andere partijen resterende stemmen hebben. Op 27 mei zou de Onafhankelijke Senaatsfractie op die manier haar ene zetel kunnen krijgen. De OSF komt op voor provinciale partijen. Het is echter nog maar de vraag of dat daadwerkelijk gaat gebeuren: in elk geval overwegen volgens hun websites de beide Groningse provinciale partijen om hun stem aan een andere partij te geven. In elk geval voor één van hen zou dat te maken hebben met onvrede over de opstelling van de Onafhankelijke Senaatsfractie in het Groninger gasdossier. In de Provinciale Staten maakt het na 27 mei trouwens niet meer uit of de zetels waarover een partij beschikt restzetels of volle zetels zijn.

PvdA De vier coalitiepartijen verliezen na 27 mei hun meerderheid in de Eerste Kamer. De coalitie lijkt het straks aan zeven of acht zetels te ontbreken. Acht zetels, als ChristenUnie geen restzetel krijgt. 7 zetels, als ChristenUnie die wel krijgt, maar zoals gezegd is de restzetel voor deze partij zeer onzeker. Stel dat het lukt: ook dan moet bij oppositiepartijen worden gezocht naar kabinetssteun. Die zou bij de PvdA kunnen worden gevonden: deze partij lijkt te kunnen rekenen op zes volle zetels en ze maakt kans op een restzetel, maar die laatste zetel is zoals gezegd zeer onzeker. Alleen GroenLinks (9) en Forum voor Democratie (13) worden groot genoeg om het kabinet aan een meerderheid in de Eerste Kamer te helpen. De andere partijen zijn daarvoor sowieso te klein: SP (4), SGP (1), PVV (5) en 50Plus (2). Of zou een vier partijen kabinet als Rutte 3 afhankelijk willen zijn van de steun van meer oppositiepartijen?

Overleg Zoals gezegd kan het in het belang zijn van een partij dat sommige van haar Statenleden op 27 mei op een andere partij stemmen, bijvoorbeeld een politiek verwante partij of een partij die om andere redenen nuttig is. Als een laatste volle zetel of restzetel er toch niet meer in zit voor een partij – en de uitslag van de provinciale staten verkiezingen kan daarover duidelijkheid verschaffen – dan kunnen de stemmen van deze Statenleden beter op zo’n andere partij worden uitgebracht, als die daarmee nog een extra zetel kan krijgen. Tot dit strategisch stemmen gaan Statenleden alleen over in goed overleg met hun landelijke partijleiding. Enkele Statenleden van coalitiepartijen VVD, CDA en D66 zouden er op 27 mei voor kunnen kiezen om op coalitiegenoot ChristenUnie of zelfs op oppositiepartij PvdA te stemmen, om daarmee deze partijen aan een restzetel te helpen, natuurlijk doen ze dit alleen als hun eigen volle zetels en restzetels daardoor niet in gevaar komen.

De ene stem is de andere niet De stem die een Statenlid van de ene partij uitbrengt is natuurlijk even zwaar als de stem die een Statenlid van een andere partij fractie uitbrengt. Echter: de stem die een Statenlid van de ene provincie uitbrengt, weegt nooit hetzelfde als de stem die een Statenlid van een andere provincie uitbrengt. Het stemgewicht kan zo sterk uiteenlopen dat de zwaarste stem (bijna) tien keer zoveel weegt als de lichtste. Het stemgewicht neemt toe naarmate een provincie meer inwoners telt. Daarom hebben de 55 Zuid-Hollandse Statenleden de zwaarste stemmen en de 39 Zeeuwse Statenleden de lichtste stemmen. De andere provincies zitten daar ergens tussen in. Zo wegen de stemmen van de 43 Groningse Statenleden anderhalf keer zoveel als die van de Zeeuwse, maar slechts 1/7 van die van de Zuid-Hollandse. Bij het strategisch stemmen moet natuurlijk rekening worden gehouden met deze uiteenlopende stemgewichten. Het stemgewicht van de 19 kiescollegeleden van Caribisch Nederland is trouwens nog veel minder dan die van de Zeeuwse Statenleden: de stemmen van de 9 kiescollegeleden van Bonaire wegen slechts 1/20 van de Zeeuwse stemmen.

Voorkeurstemmen Net als burgers bij rechtstreekse verkiezingen doen, brengen Statenleden hun stem niet uit op een partij, maar op een kandidaat van die partij. Ze brengen met andere woorden altijd een voorkeurstem uit; ook een stem op de hoogste kandidaat – de lijsttrekker – is een voorkeursstem, in ieder geval in de zin van de wet. De Statenleden van een van de Groningse provinciale partijen overwegen volgens hun website om hun stem aan de nummer twee van een andere partij te geven, dat is dan dus een echte voorkeurstem. Burgers kunnen bij rechtstreekse verkiezingen de lijstvolgorde doorbreken met 25% van de kiesdeler. Dat gaat niet op voor Statenleden: zij kunnen bij de Eerste Kamerverkiezingen de lijstvolgorde pas met 100% van de kiesdeler doorbreken. De lijstvolgorde wordt bepaald door de landelijke partijorganisatie.

BRONNEN:

”Electoraat”

Artikel Q 1 van de Kieswet luidt: De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De leden van provinciale staten komen per provincie in vergadering bijeen tot het uitbrengen van hun stem.

Artikel Ya 30 luidt: De leden van de Eerste Kamer worden in de openbare lichamen gekozen door de leden van de kiescolleges. De leden van de kiescolleges komen per openbaar lichaam in vergadering bijeen tot het uitbrengen van hun stem. De bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen betreffende de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer zijn, voor zover deze paragraaf niet anders bepaalt, van toepassing op de verkiezing van deze leden door de leden van de kiescolleges, met dien verstande dat telkens in die bepalingen mede wordt gelezen in plaats van:a. «de provincie» of «de provincies»: het openbaar lichaam onderscheidenlijk de openbare lichamen; b. «provinciale staten» en «staten»: het kiescollege; c. «statenlid»: kiescollegelid; d. «statenvergadering»: vergadering van het kiescollege.

Artikel Ya 2 luidt (gedeeltelijk): In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

Artikel Ya 22 luidt (gedeeltelijk): De bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen betreffende de verkiezing van de leden van provinciale staten zijn, voor zover deze paragraaf niet anders bepaalt, van toepassing op het kiescollege, met dien verstande dat telkens in die bepalingen wordt gelezen in plaats van: a. «de provincie» en «een provincie die één kieskring vormt»: het openbaar lichaam; b. «provinciale staten» en «staten»: het kiescollege;

Website Kiesraad 27 maart 2019: Op 27 mei vindt de verkiezing plaats van de 75 leden van de Eerste Kamer. Gestemd wordt door de op 20 maart gekozen (570) provinciale statenleden en de (19) leden van de kiescolleges van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Niet iedere stem telt daarbij even zwaar; dit hangt af van het inwoneraantal van de provincie respectievelijk openbaar lichaam. Op basis van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde bevolkingsaantallen per 1 januari 2019 heeft de Kiesraad de volgende stemwaarden vastgesteld.

Artikel T 1 luidt (gedeeltelijk): De stemming vindt plaats om vijftien uur (Europees-Nederlandse tijd).

Artikel T 3 luidt: De voorzitter benoemt uit de statenvergadering drie leden, die met hem als voorzitter het stembureau vormen.

Artikel 53 Grondwet luidt: De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

”Volle zetels”

Artikel O 2 Kieswet luidt (gedeeltelijk): Het hoofdstembureau stelt ten aanzien van iedere lijst vast het aantal op iedere kandidaat uitgebrachte stemmen en de som van deze aantallen. Deze som wordt stemcijfer genoemd.

Artikel U 7 luidt: Het centraal stembureau deelt de som van de stemcijfers van alle lijsten door het aantal te verdelen zetels. Het aldus verkregen quotiënt wordt kiesdeler genoemd.

Artikel U 8 luidt: Zoveel maal als de kiesdeler is begrepen in het stemcijfer van een lijst wordt aan die lijst een zetel toegewezen.

”Restzetels”

Artikel U 9 van de Kieswet luidt: De overblijvende zetels, die restzetels worden genoemd, worden achtereenvolgens toegewezen aan de lijsten die na toewijzing van de zetels het grootste gemiddelde aantal stemmen per toegewezen zetel hebben. Indien gemiddelden gelijk zijn, beslist zo nodig het lot.

”De ene stem is de andere niet”

Artikel U 2 van de Kieswet luidt (gedeeltelijk): Elke stem geldt, naar gelang van de provincie waar zij is uitgebracht, voor een aantal stemmen, gelijk aan het getal dat verkregen wordt door het inwonertal van de provincie te delen door het honderdvoud van het aantal leden waaruit provinciale staten bestaan. Het quotiënt wordt daarna afgerond tot een geheel getal, naar boven, indien een breuk 1/2 of meer, en naar beneden, indien een breuk minder dan 1/2 bedraagt. Dit getal wordt de stemwaarde genoemd.

Artikel U 3 luidt: Ten aanzien van iedere provincie vermenigvuldigt het centraal stembureau de aantallen op iedere kandidaat uitgebrachte stemmen en de stemcijfers van de lijsten met de voor die provincie geldende stemwaarde. Voor de vaststelling van de uitslag van de verkiezing gelden de aldus verkregen produkten als de aantallen op ieder kandidaat uitgebrachte stemmen, onderscheidenlijk de stemcijfers van de lijsten.

De stemgewichten van provincies en kiescolleges staan op de website van de Kiesraad.

”Voorkeursstemmen”

Artikel Q 4 van de Kieswet luidt: De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer vindt plaats op de dinsdag in de periode van 19 tot en met 25 april.

Artikel R 4 luidt (gedeeltelijk): De namen van de kandidaten worden op de lijsten geplaatst in de volgorde waarin aan hen de voorkeur wordt gegeven.

Artikel U 15 luidt (gedeeltelijk): Gekozen zijn de kandidaten van de lijst, daartoe aangewezen door overeenkomstige toepassing van de artikelen P 15 tot en met P18 en P 19 en P 19a, met dien verstande dat in afwijking van artikel P 15, eerste lid, eerste zin, zijn gekozen de kandidaten die een aantal stemmen hebben verkregen, groter dan of gelijk aan de kiesdeler.

Artikel P 15 luidt (gedeeltelijk): In de volgorde van de aantallen op hen uitgebrachte stemmen zijn gekozen die kandidaten die op de gezamenlijke lijsten waarop zij voorkomen, een aantal stemmen hebben verkregen, groter dan 25% van de kiesdeler, voor zover aan de lijstengroep of de niet van een lijstengroep deel uitmakende lijst voldoende zetels zijn toegewezen. Indien aantallen gelijk zijn, beslist zo nodig het lot.

Artikel P 17 luidt: De zetels, toegewezen aan de al dan niet van een lijstengroep deel uitmakende lijsten, die na toepassing van de artikelen P 15 en P 16 nog niet aan een kandidaat zijn toegewezen, worden aan de nog niet gekozen kandidaten van de desbetreffende lijsten toegewezen in de volgorde van de lijst.

Lijsttrekkersdebat Eerste Kamer op TV

DINSDAG 19 FEBRUARI 2019 Afgelopen zondag is het eerste televisiedebat gehouden voor de provinciale verkiezingen van 20 maart aanstaande. Dat zijn de verkiezingen van de provinciale staten, het parlement dat elke provincie heeft. De provincie is een bestuurslaag tussen gemeenten en nationale overheid in, en gaat bijvoorbeeld over openbaar vervoer en ruimtelijke ordening. Afgelopen zondag is echter gedebatteerd over Nederland in Europa, het nationaal klimaatbeleid en wie bereid is steun te verlenen aan Rutte-III. Provinciale onderwerpen zijn niet aan bod gekomen. Wat is er aan de hand?

Eerste Kamer Het was een debat tussen de lijsttrekkers van GroenLinks, Forum voor Democratie, PvdA, CDA, VVD en D66, de lijsttrekkers voor de Eerste Kamer. De Eerste Kamerverkiezing vindt plaats op 27 mei aanstaande. Welke relatie is er tussen deze verkiezing en de provinciale verkiezingen? De nieuwe Eerste Kamer wordt gekozen door de leden van de twaalf provinciale staten die op 20 maart worden gekozen (plus door Caribisch Nederland).

570 kiezers Op 27 mei zullen daarom 570 statenleden de 75 leden van de Eerste Kamer kiezen. Het ligt voor de hand dat een statenlid stemt op een kandidaat-Kamerlid van de eigen partij: een CDA-statenlid stemt op een kandidaat-Kamerlid van het CDA, een GroenLinks-statenlid op een kandidaat-Kamerlid van GroenLinks, enzovoorts. De Nederlandse inwoners van een provincie kiezen de statenleden van hun provincie op 20 maart. Deze keuze is tevens een keuze voor de (politieke samenstelling van de) Eerste Kamer vanaf 27 mei, al is dat dan ook een indirecte keuze. Dit is een belangrijke reden dat in het kader van de provinciale verkiezingen lijsttrekkers voor de Eerste Kamer met elkaar televisiedebatten aangaan over nationale onderwerpen (die weinig of niets met provinciaal beleid van doen hebben).

Burger Eigenlijk brengt de burger op 20 maart dus twee stemmen uit: een voor het provinciaal bestuur en een voor de Eerste Kamer. Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat een kiezer voor het provinciaal bestuur op een kandidaat van de ene partij wil stemmen en voor de Eerste Kamer op een kandidaat van een andere partij. Hij zal dan moeten beslissen welke keuze voorrang krijgt, zoals ook de Staatscommissie parlementair stelsel vorig jaar schreef in haar eindrapport Lage Drempels, Hoge Dijken. Democratie en rechtsstaat in balans (bladzijde 308). Toch is de staatscommissie er geen voorstander van om de burger twee echte stemmen te geven, een keer voor het provinciaal bestuur en een keer voor de Eerste Kamer. De Staatscommissie is geen voorstander van directe verkiezing van de Eerste Kamer (bladzijde 309).

7000 kiezers Directe verkiezing van de Eerste Kamer is natuurlijk niet de enige oplossing van deze keuzestress. Een andere oplossing is om de Eerste Kamer te laten kiezen door gemeenteraadsleden. Het is waar dat de burgers ook de gemeenteraden kiezen, maar er zijn belangrijke verschillen. Zo is het aantal gemeenteraadsleden veel groter (7000 in plaats van 570) en worden in gemeenteraden veel meer volksvertegenwoordigers gekozen voor (lokale) partijen die niet in de Eerste Kamer zijn vertegenwoordigd.

Franse Eerste Kamer Er zijn landen waar de Eerste Kamer wordt gekozen door de gemeenteraadsleden. Bijvoorbeeld Frankrijk; de senaat wordt hier (vrijwel uitsluitend) gekozen door de gemeenteraadsleden.

Buitenlandse kiezers De staatscommissie is hier evenmin voorstander van, omdat buitenlandse kiezers die hier wonen hun stem mogen uitbrengen voor de gemeenteraad en op die manier indirect invloed krijgen op de samenstelling van de Eerste Kamer (bladzijde 310), en dat is onwenselijk. Voor de gemeenteraad zijn buitenlanders die uit de Europese Unie komen sowieso kiesgerechtigd. Andere buitenlanders – bijvoorbeeld vluchtelingen – kunnen ook kiesgerechtigd zijn; daarvoor moeten zij in elk geval vijf jaar een verblijfsvergunning hebben. Wie als buitenlander kiesgerechtigd is, mag zich ook kandidaat stellen voor de gemeenteraad.

Electoraat van Franse Eerste Kamer? Hoe wordt daarover in Frankrijk gedacht? Buitenlanders die uit de Europese Unie komten, zijn in Frankrijk – net als in Nederland – kiesgerechtigd voor de gemeenteraad. Andere buitenlanders – zoals vluchtelingen – komen daarvoor niet in aanmerking, anders dan in ons land. Hoe dan ook: de EU-kiezers hebben daardoor indirect invloed op de samenstelling van de Franse Eerste Kamer, de Sénat. Zij mogen zich ook kandidaat stellen voor de gemeenteraad. Echter, de gemeenteraadsleden uit de EU mogen niet meedoen aan de verkiezing van de Franse Eerste Kamer, Sénat.

BRONNEN:

Onderstaande Franse wetsbepalingen zijn afkomstig van DILA. Constitution Version consolidée https://www.legifrance.gouv.fr/affichCode.do?cidTexte=LEGITEXT000006070239 au premier janvier 2019

”Eerste Kamer”

Artikel Q 1 van de Kieswet luidt (gedeeltelijk): De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten.

‘570 kiezers”

Artikel B 2 van de Kieswet luidt: De leden van provinciale staten worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van de provincie, mits zij Nederlander zijn en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

”Burger”

Staatscommissie, Eindrapport :LAGE DREMPELS, HOGE DIJKEN Democratie en rechtsstaat in balans Eindrapport van de staatscommissie parlementair stelsel 2018

”7000 kiezers”

Artikel B3 Kieswet (gedeeltelijk): Lid 1. De leden van de gemeenteraden worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van de gemeente en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. Lid 2. Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, dienen om kiesgerechtigd te zijn op de dag van de kandidaatstelling tevens te voldoen aan de vereisten dat: a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l van de Vreemdelinenwet 2000 of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag van de kandidaatstelling gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel op grond van artikel 3 of artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES.

”Franse Eerste Kamer”

Artikel L280 Code électoral luidt: La composition du collège électoral appelé à élire les sénateurs assure, dans chaque département, la représentation des différentes catégories de collectivités territoriales et de la diversité des communes, en tenant compte de la population qui y réside.

Ce collège électoral est composé :1° Des députés et des sénateurs ; 2° Des conseillers régionaux de la section départementale correspondant au département et des conseillers de l’Assemblée de Corse désignés dans les conditions prévues par le titre III bis du présent livre ; 2° bis Des conseillers à l’assemblée de Guyane et des conseillers à l’assemblée de Martinique ; 3° Des conseillers départementaux ; 4° Des délégués des conseils municipaux ou des suppléants de ces délégués.

Artikel L284 luidt: Les conseils municipaux élisent parmi leurs membres dans les communes de moins de 9 000 habitants :

– un délégué pour les conseils municipaux de sept et onze membres ;

– trois délégués pour les conseils municipaux de quinze membres ;

– cinq délégués pour les conseils municipaux de dix-neuf membres ;

– sept délégués pour les conseils municipaux de vingt-trois membres ;

– quinze délégués pour les conseils municipaux de vingt-sept et vingt-neuf membres.

Dans le cas où le conseil municipal est constitué par application des articles L. 2113-6 et L. 2113-7 du code général des collectivités territoriales relatif aux fusions de communes dans leur rédaction antérieure à la loi n° 2010-1563 du 16 décembre 2010 de réforme des collectivités territoriales, le nombre de délégués est égal à celui auquel les anciennes communes auraient eu droit avant la fusion.

Artikel L285 luidt: Dans les communes de 9 000 habitants et plus, tous les conseillers municipaux sont délégués de droit.En outre, dans les communes de plus de 30 000 habitants, les conseils municipaux élisent des délégués supplémentaires à raison de 1 pour 800 habitants en sus de 30 000.

”Buitenlandse kiezers”

Artikel B3 Kieswet luidt (gedeeltelijk): Lid 1. De leden van de gemeenteraden worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van de gemeente en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. Lid 2. Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, dienen om kiesgerechtigd te zijn op de dag van de kandidaatstelling tevens te voldoen aan de vereisten dat: a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l van de Vreemdelinenwet 2000 of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag van de kandidaatstelling gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel op grond van artikel 3 of artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES.

Artikel 10 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Voor het lidmaatschap van de raad is vereist dat men ingezetene van de gemeente is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht. Lid 2. Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, dienen tevens te voldoen aan de vereisten dat: a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l van de Vreemdelinenwet 2000 of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop de gemeenteraad beslist over de toelating als lid tot de gemeenteraad gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel rechtmatig in Nederland verbleven op grond van artikel 3 of artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES.

Artikel 10 Provinciewet luidt: Voor het lidmaatschap van provinciale staten is vereist dat men Nederlander en ingezetene van de provincie is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

”Electoraat van Franse Eerste Kamer”

Artikel LO 227-1 van de Code électoral luidt (gedeeltelijk): Les citoyens de l’Union européenne résidant en France, autres que les citoyens français, peuvent participer à l’élection des conseillers municipaux dans les mêmes conditions que les électeurs français, sous réserve des dispositions de la présente section.

Les personnes mentionnées au premier alinéa sont considérées comme résidant en France si elles y ont leurdomicile réel ou si leur résidence y a un caractère continu. Pour l’application de la présente section, l’élection des membres du Conseil de Paris est assimilée à celle des conseillers municipaux.

Artikel L228 luidt: Sont éligibles au conseil municipal tous les électeurs de la commune et les citoyens inscrits au rôle des contributions directes ou justifiant qu’ils devaient y être inscrits au 1er janvier de l’année de l’élection.

Artikel L228-1 luidt: Sont en outre éligibles au conseil municipal ou au Conseil de Paris les ressortissants des Etats membres del’Union européenne autres que la France qui :

a) Soit sont inscrits sur la liste électorale complémentaire de la commune ;

b) Soit remplissent les conditions légales autres que la nationalité française pour être électeurs et être inscritssur une liste électorale complémentaire en France et sont inscrits au rôle d’une des contributions directes de la commune ou justifient qu’ils devaient y être inscrits au 1er janvier de l’année de l’élection.

Artikel LO286-1 luidt: Les conseillers municipaux et les membres du Conseil de Paris qui n’ont pas la nationalité française ne peuvent ni être membres à un titre quelconque du collège électoral sénatorial ni participer à l’élection à ce collège de délégués, de délégués supplémentaires et de suppléants.

Artikel LO286-2 luidt: Dans les communes dont tous les conseillers municipaux sont délégués de droit, les conseillers municipaux qui n’ont pas la nationalité française sont remplacés au collège électoral des sénateurs et lors de la désignation des délégués supplémentaires et suppléants par les candidats français venant immédiatement après le dernier candidat élu de la liste sur laquelle ils se sont présentés à l’élection municipale.

Three is a crowd, maar niet genoeg voor verkiezingen!

DINSDAG 4 DECEMBER 2018 In de Eerste Kamer staat vanmiddag het wetsvoorstel Regeling van de mogelijke toewijzing van extra zetels voor Nederland in het Europees Parlement op de agenda van de commissie Binnenlandse Zaken. Waar gaat het over?

28 juni 2018 De Europese Raad heeft op 28 juni van dit jaar besloten dat Nederland drie extra zetels krijgt in het nieuwe Europees Parlement, nadat Groot-Brittannië zich uit de Europese Unie heeft teruggetrokken. In de laatste week van mei volgend jaar zijn er de verkiezingen voor het Europees Parlement; in Nederland is dat op 23 mei. Het is natuurlijk nog niet zeker of Groot-Brittannië zich terugtrekt, en als if so is evenmin duidelijk when. Er is weliswaar een schema; volgens schema gebeurt de terugtrekking op 29 maart volgend jaar, maar het is dus de vraag of hij volgens schema zal verlopen.

29 maart 2019 Als het allemaal volgens schema verloopt, dan is de terugtrekking een feit vóór de verkiezingen van het Europees Parlement. In dat geval zal de kiesdeler voor Nederland kleiner worden. De kiesdeler is het aantal stemmen op een kandidatenlijst (stemcijfer) dat gegarandeerd een zetel oplevert voor die lijst. Als op een lijst zoveel (geldige) stemmen zijn uitgebracht dat twee keer de kiesdeler is gehaald, dan worden aan die lijst gegarandeerd twee zetels toegedeeld, enzovoorts. Nederland gaat met de drie extra zetels van 26 naar 29 zetels. Een toename dus van ongeveer 10% en dus wordt de kiesdeler ook ongeveer 10% kleiner. Een kandidatenlijst heeft straks dus 10% minder stemmen nodig voor een gegarandeerde zetel, een 10% lager stemcijfer dus.

23 mei 2019 Als het allemaal niet volgens schema verloopt, dan is de terugtrekking nog geen feit vóór de verkiezingen van het Europees Parlement (23 mei volgend jaar). Als de terugtrekking tot ergens na die datum wordt uitgesteld, dan is er een probleem. Het wetsvoorstel Regeling van de mogelijke toewijzing van extra zetels voor Nederland in het Europees parlement wil voor dat probleem een oplossing bieden. Vanmiddag behandelt de Eerste Kamer commissie dit wetsvoorstel. De Tweede Kamer heeft het al aangenomen, met ruime meerderheid. Het wetsvoorstel zoekt aansluiting bij de (bestaande) wettelijke regeling voor de restzetelverdeling, zoals die geldt bij diverse verkiezingen. Een restzetel is een (extra) zetel voor een kandidatenlijst die niet (voor die extra zetel) de kiesdeler heeft gehaald. De wettelijke regeling voor de restzetelverdeling staat in de Kieswet. De restzetel(s) gaan volgens die wet naar de lijsten met het grootste gemiddelde aantal stemmen per zetel. Diezelfde regeling wordt nu dus in het wetsvoorstel voorgesteld voor de verdeling van de drie extra zetels in het Europees Parlement. Strikt genomen zijn het evenwel geen restzetels. De regering heeft ook andere opties overwogen, zoals het houden van aparte verkiezingen voor de drie extra zetels.

BRONNEN:

Artikel 3 van het Besluit (EU) 2018/937 van de Europese Raad van 28 juni 2018 inzake de samenstelling van het Europees Parlement luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Voor de zittingsperiode 2019-2024 wordt het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers in het Europees Parlement als volgt vastgesteld: Nederland 29.

Lid 2. Indien evenwel het Verenigd Koninkrijk aan het begin van de zittingsperiode 2019-2024 nog steeds een lidstaat van de Unie is, is het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers dat het ambt aanvaardt het aantal dat bepaald is in artikel 3 van Besluit 2013/312/EU van de Europese Raad (2), totdat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie rechtsgeldig wordt. Zodra de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie rechtsgeldig wordt, is het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers in het Europees Parlement het aantal als bepaald in lid 1 van dit artikel.

Artikel 1 van het wetsvoorstel Regeling van de mogelijke toewijzing van extra zetels voor Nederland in het Europees Parlement (wetsvoorstel nummer 35016) luidt: Deze wet geldt indien de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie overeenkomstig artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie plaatsvindt in de periode tussen 23 mei 2019 en de dag van de eerste zitting van het Europees parlement in de periode 2024–2029.

Artikel 3 van het wetsvoorstel luidt (gedeeltelijk): Lid 2. De extra zetels vallen toe aan de lijst of lijsten die, na toewijzing van de laatst toegewezen restzetel bij de vaststelling van de uitslag van de verkiezing van de leden van het Europees parlement in mei 2019, bij voortgezette toepassing van de artikelen P 7, P 10 tot en met P 18, P 19, eerste tot en met het vierde lid, P 19a en Y 23a van de Kieswet achtereenvolgens als eerste in aanmerking komen voor de toewijzing van de extra zetels.

Artikel 6 van het wetsvoorstel luidt: Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Deze wet vervalt met ingang van 1 september 2024.

Artikel P 6 van de Kieswet luidt: Zoveel maal als de kiesdeler is begrepen in het stemcijfer van een lijst wordt aan die lijst een zetel toegewezen.

Artikel P 7 luidt (gedeeltelijk): De overblijvende zetels, die restzetels worden genoemd, worden, indien het aantal te verdelen zetels negentien of meer bedraagt, achtereenvolgens toegewezen aan de lijsten die na toewijzing van de zetel het grootste gemiddelde aantal stemmen per toegewezen zetel hebben. Indien gemiddelden gelijk zijn, beslist zo nodig het lot.

Weinig aandacht voor commissaris van de Koning in Eerste Kamer debat

DONDERDAG 15 NOVEMBER 2018 Afgelopen dinsdag heeft de Eerste Kamer vergaderd over het wetsvoorstel om de benoeming van de burgemeester en de commissaris van de Koning uit de Grondwet te halen, te deconstitutionaliseren dus. De vergadering heeft geduurd van half twee tot elf uur. Hoeveel aandacht was er in het debat (voor de deconstitutionalisering van de benoeming van) de commissaris van de Koning?

CdK De commissaris van de Koning heette ten tijde van Koningin Beatrix commissaris van de Koningin of ook wel commissaris der Koningin. Dat laatste werd dan vaak afgekort tot CdK. Die afkorting wordt tegenwoordig nog steeds gebruikt. Ook commissaris (zonder toevoeging) is in zwang. In de provincie Limburg wordt hij om historische redenen gouverneur genoemd.

Benoemingswijze nu De regering benoemt de commissaris (per koninklijk besluit). De minister van Binnenlandse Zaken doet daartoe een voordracht. Provinciale Staten doen de minister een aanbeveling waarop twee kandidaten staan. De persoon die de minister voordraagt is één van deze twee, althans in beginsel. Vervolgens benoemt de regering dus de commissaris (per koninklijk besluit): de Kroonbenoeming. Deze regeling staat in de Provinciewet. In de Grondwet staat dat de Kroonbenoeming niet mag verdwijnen en een andere regeling in de Provinciewet dus niet is toegestaan. De voorgestelde deconstitutionalisering zorgt ervoor dat een andere regeling in de Provinciewet straks wel is toegestaan.

Verslag Wat hier volgt is uit het nog niet gecorrigeerde verslag dat van de vergadering afgelopen dinsdag is gemaakt, en op de website van de Eerste Kamer staat.

Onbekend Opvallend is dat de meeste fractiewoordvoerders eigenlijk alleen spreken over de deconstitutionalisering van de burgemeestersbenoeming. Volgens de woordvoerder van GroenLinks komt dit doordat de commissaris veel verder van de burger af staat en veel minder bekendheid geniet. Enkele fracties hebben wél specifieke aandacht voor de commissaris.

Ambtsinstructie De commissaris heeft een aantal rijkstaken/regeringstaken. Dat is onder andere geregeld in de zogenaamde Ambtsinstructie commissaris van de Koning. Daardoor is hij (ook) een rijksorgaan. Als rijksorgaan heeft hij bijvoorbeeld een belangrijke rol bij benoeming, herbenoeming en ontslag van burgemeesters en bij gemeenten waarin de bestuurlijke verhoudingen verstoord zijn of de bestuurlijke integriteit in geding is.

Ambtsinstructie en dus? De woordvoerders van de fracties van VVD, ChristenUnie en CDA menen dat er daarom weinig reden is om de huidige benoemingswijze van de commissaris te veranderen. In hun reacties maken initiatiefnemer (en fractieleider van D66 in de Tweede Kamer) Rob Jetten en de minister van Binnenlandse Zaken duidelijk dat zij daar best wel eens gelijk in kunnen hebben maar dat dit de voorgestelde deconstitutionalisering zeker niet in de weg staat.

BRONNEN:

Artikel 61 Provinciewet luidt (gedeeltelijk): De commissaris van de Koning wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes jaar. Onze Minister overlegt met provinciale staten over de eisen die aan de te benoemen commissaris worden gesteld met betrekking tot de vervulling van het ambt. Voorafgaand aan het overleg met Onze Minister stellen provinciale staten gedeputeerde staten in de gelegenheid hun wensen en bedenkingen ten aanzien van deze eisen kenbaar te maken. Na het overleg met Onze Minister stellen provinciale staten uit hun midden een vertrouwenscommissie in, belast met de beoordeling van de kandidaten. Onze Minister verschaft de vertrouwenscommissie een opgave van degenen die naar het ambt van commissaris hebben gesolliciteerd, vergezeld van zijn oordeel over kandidaten die hij in beginsel geschikt acht voor benoeming. Als de vertrouwenscommissie besluit naast deze kandidaten ook andere kandidaten die gesolliciteerd hebben, bij haar beoordeling te betrekken, doet zij daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister. Deze brengt zijn oordeel over laatstgenoemde kandidaten ter kennis van de vertrouwenscommissie. De vertrouwenscommissie brengt verslag uit van haar bevindingen aan de staten en aan Onze Minister. Provinciale staten zenden Onze Minister binnen vier maanden nadat de gelegenheid tot sollicitatie voor de functie is gegeven een aanbeveling inzake de benoeming. Deze aanbeveling omvat twee personen. In een bijzonder, door provinciale staten te motiveren geval, kan worden volstaan met een aanbeveling waarop één persoon vermeld staat. Onze Minister slaat geen acht op een enkelvoudige aanbeveling, indien naar zijn oordeel geen sprake is van een bijzonder geval. Onze Minister volgt in zijn voordracht in beginsel de aanbeveling, met inbegrip van de daarop gehanteerde volgorde, tenzij zwaarwegende gronden aanleiding tot afwijking geven. Een afwijking wordt gemotiveerd.

Artikel 126 Grondwet luidt: Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie

Artikel 6 Ambtsinstructie commissaris van de Koning luidt (gedeeltelijk): De commissaris ziet toe op een ordelijk verloop van de procedure met betrekking tot de benoeming van een burgemeester. Voordat de vacature van burgemeester in een gemeente wordt opengesteld overlegt de commissaris met de raad over de eisen die aan de te benoemen burgemeester worden gesteld met betrekking tot de vervulling van het ambt. De commissaris verschaft de vertrouwenscommissie een opgave van degenen die naar het ambt van burgemeester hebben gesolliciteerd, vergezeld van zijn oordeel over kandidaten die hij in beginsel geschikt acht voor benoeming.

Artikel 7 luidt (gedeeltelijk): De commissaris ziet toe op een ordelijk verloop van de procedure met betrekking tot de herbenoeming van een burgemeester.Voordat de raad een aanbeveling inzake de herbenoeming van de burgemeester opstelt overlegt hij met de commissaris over het functioneren van de burgemeester. Na de ontvangst van de aanbeveling inzake de herbenoeming van de burgemeester zendt de commissaris deze door naar Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vergezeld van zijn advies daarover. Tevens rapporteert de commissaris over zijn bevindingen met betrekking tot de inhoud en het verloop van de procedure. Daarbij gaat hij in op zijn overleg met de raad.

Artikel 7a luidt (gedeeltelijk): De commissaris ziet toe op een ordelijk verloop van de procedure met betrekking tot het ontslag van een burgemeester. De commissaris onderzoekt de mogelijkheid of een gerezen conflict tussen de raad en de burgemeester kan worden opgelost. Ingeval van een mogelijke verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad adviseert de commissaris op diens verzoek Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (..). Na de ontvangst van de aanbeveling inzake het ontslag van de burgemeester zendt de commissaris deze door naar Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vergezeld van zijn advies daarover. Tevens rapporteert de commissaris over zijn bevindingen met betrekking tot de inhoud en het verloop van de procedure. Daarbij gaat hij in op zijn overleg met de raad.

Artikel 7b luidt: De commissaris informeert Onze Minister bij verstoorde bestuurlijke verhoudingen in een gemeente en wanneer de bestuurlijke integriteit van een gemeente in het geding is. Hij informeert Onze Minister daarbij tevens over de maatregelen die hij ter zake neemt.

Niet gecorrigeerde verslag van de plenaire vergadering van dinsdag 13 november 2018 op de website van de Eerste Kamer: https://www.eerstekamer.nl/verslag/20181113/verslag

Eerste Kamer: dinsdag vergaderdag

DINSDAG 13 NOVEMBER 2018 Op 27 mei 2019 worden verkiezingen gehouden voor de Eerste Kamer. Waarmee houdt de Eerste Kamer zich zoal bezig? Hieronder volgen de activiteiten van vandaag.

Dinsdag De Eerste Kamer heeft niet elke dag activiteiten. Er is wekelijks een vaste vergaderdag: de dinsdag. In sommige weken zijn er ook op de maandag vergaderingen. Deze week wordt er alleen op dinsdag – vandaag dus – vergaderd.

Wetsvoorstellen Vanmiddag is er een vergadering over het wetsvoorstel om de Grondwet te wijzigen. In dat wetsvoorstel wordt voorgesteld om de benoeming van de burgemeester uit de Grondwet te halen. Als de Eerste Kamer vergadert over een wetsvoorstel, dan betekent dit dat hetzelfde wetsvoorstel al in de Tweede kamer is aangenomen. Zodra het ook door de Eerste Kamer is aangenomen, wordt het wet (en in dit geval zelfs deel van de Grondwet). Elk wetsvoorstel moet door beide Kamers worden aangenomen, altijd eerst door de Tweede Kamer en pas daarna door de Eerste Kamer. De vergadering van vandaag begint volgens planning om half twee en gaat door tot in de late uurtjes.

Miljoenennota Dit is niet de enige vergadering vanmiddag, maar wel de enige plenaire vergadering. In een andere vergadering wordt de Miljoenennota besproken. De Miljoenennota wordt vanmiddag in een zogenaamd commissie besproken.

Commissies De Kamer heeft verschillende commissies, voor elk ministerie minstens één. Zo’n commissie bereidt voorstellen – waaronder wetsvoorstellen – voor die op een andere dag in een plenaire vergadering zullen worden besproken. Elke commissie bestaat uit een beperkt aantal Kamerleden. Hoeveel dat er zijn verschilt per commissie. Wel is het zo dat in elke commissie elke fractie met minstens één lid is vertegenwoordigd. Bovendien krijgen grotere fracties meestal meer commissieleden dan kleinere fracties. De Miljoenennota wordt besproken in de commissie voor Financiën.

Donorwet Ook de commissie voor Volksgezondheid vergadert vanmiddag. Op haar agenda staat onder andere de overheidscommunicatie over de (onlangs aangenomen) nieuwe Wet op de orgaandonatie.

Schonere lucht De commissie voor Omgeving vergadert vanmiddag over minder luchtverontreiniging.

Venezuela De commissie voor Koninkrijksrelaties bespreekt de opvang van Venezolaanse vluchtelingen in het Caribisch deel van ons koninkrijk.

Pensioenen De commissie Sociale Zaken vergadert over een wetsvoorstel. Het gaat over bedrijfspensioenen: het pensioen dat een werknemer opbouwt via zijn werkgever.

Openbaar Volgens de website van de Eerste Kamer zijn de commissievergaderingen niet openbaar. Volgens het reglement van orde zijn ze dat echter wel. De plenaire vergaderingen zijn sowieso openbaar; dat staat zelfs in de Grondwet.

Binnenhof De Eerste Kamer houdt haar plenaire vergaderingen in Den Haag, op het Binnenhof.

BRONNEN:

Artikel 85 Grondwet luidt (gedeeltelijk): Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden.

Artikel 87 luidt (gedeeltelijk): Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

Artikel 51 luidt (gedeeltelijk): De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

Artikel 32 Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (december 2017) luidt (gedeeltelijk): De schriftelijke of mondelinge voorbereiding van naar de Kamer gezonden en door deze in behandeling genomen voorstellen geschiedt door de vaste of bijzondere commissies die volgens de hierna volgende bepalingen daartoe zijn ingesteld en aangewezen

Artikel 34 luidt (gedeeltelijk): De Kamer stelt voor elk ministerie ten minste één vaste commissie in

Artikel 36 luidt (gedeeltelijk): De Voorzitter bepaalt het aantal leden van een commissie.

Met inachtneming van de getalsverhoudingen tussen de fracties en tevens met de bepaling dat elk der fracties in elke commissie vertegenwoordigd zij, tenzij de Kamer uitdrukkelijk en per geval anders heeft besloten, wijst de Voorzitter de leden en zo mogelijk plaatsvervangende leden van de commissie aan.

Artikel 1 luidt (gedeeltelijk): Een commissievergadering is «openbaar», de commissievergaderingen zijn toegankelijk voor publiek binnen de ruimtelijke mogelijkheden als ook, dan wel, te volgen via een livestream.

Artikel 66 Grondwet luidt (gedeeltelijk): De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

Regering hoeft niet meer te gaan over benoeming burgemeesters

VRIJDAG 9 NOVEMBER 2018 De burgemeesters van onder andere Rotterdam, Den Bosch, Haarlem en Zoetermeer hebben de Eerste Kamer gevraagd om de burgemeestersbenoeming in de Grondwet te laten. De Eerste Kamer buigt zich volgende week over het wetsvoorstel om de benoeming van burgemeesters en commissarissen van de Koning uit de Grondwet te halen.

Deconstitutionaliseren Als een regeling uit de Grondwet wordt gehaald, spreekt men ook wel van deconstitutionaliseren. Een ander woord voor grondwet is constitutie.

Grondwet nu In de Grondwet staat nu (nog) dat de burgemeester wordt benoemd bij koninklijk besluit. Dat betekent dat de burgemeester wordt benoemd door de regering.

Gemeentewet In de Gemeentewet staat dat de gemeenteraad twee kandidaten aanbeveelt voor het burgemeesterschap waarbij de eerste kandidaat de voorkeur geniet. De minister draagt in beginsel die kandidaat voor om te worden benoemd. De regering hoeft deze voordracht evenwel niet over te nemen, ook niet in beginsel. Als de regering de door de minister voorgedragen persoon altijd wél zou moeten benoemen en de minister de aanbeveling van de gemeenteraad altijd wél zou moeten overnemen in zijn voordracht, dan was de Gemeentewet hier in strijd met de Grondwet. Daarin staat immers dat de regering de burgemeester benoemt. De regering mag van elke voordracht afwijken. Uit de krant begrijp ik dat de regering de voordracht van de minister meestal overneemt.

Grondwet straks Als de Eerste Kamer het wetsvoorstel aanneemt, dan komt er in de Grondwet te staan dat de burgemeester wordt aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze, en dat krachtens de wet nadere regels kunnen worden gesteld over de daarbij te volgen procedures. De voorgestelde Grondwetsbepaling maakt het dus mogelijk dat de regering geen enkele betrokkenheid meer heeft bij de burgemeestersbenoeming. Dan moet de Gemeentewet wel worden gewijzigd. Zolang dat niet gebeurt, verandert de benoeming ook na de deconstitutionalisering niet. Opvallend is trouwens dat de Grondwettelijke regeling van de burgemeestersbenoeming ná deconstitutionaliseren uit veel meer woorden bestaat!

Tweede Lezing Een wetsvoorstel waarin de Grondwet wordt gewijzigd moet niet één keer maar twee keer door het parlement worden aangenomen. Bovendien is de tweede keer een 2/3 meerderheid van de uitgebrachte stemmen nodig. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel inmiddels twee keer aangenomen. De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel de eerste keer in april 2015 aangenomen. Met 48 stemmen voor en 21 stemmen tegen. Dat is genoeg voor een gewone meerderheid. Dat is ook genoeg voor een 2/3 meerderheid. Bij die stemming was echter niet iedereen aanwezig: slechts 69 van de 75 Kamerleden. Bovendien waren er een maand later verkiezingen voor de Eerste Kamer waardoor de samenstelling is gewijzigd. In april 2015 stemden de fracties van CDA, ChristenUnie, SGP en een deel van de PvdA tegen.

BRONNEN:

Artikel 131 Grondwet: De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 47 Grondwet luidt: Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 42 Grondwet luidt: De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

Artikel 61 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De raad zendt Onze Minister binnen vier maanden nadat de gelegenheid tot sollicitatie voor de functie is gegeven een aanbeveling inzake de benoeming. Deze aanbeveling omvat twee personen. In een bijzonder, door de raad te motiveren geval, kan worden volstaan met een aanbeveling waarop één persoon vermeld staat. Onze Minister slaat geen acht op een enkelvoudige aanbeveling, indien naar zijn oordeel geen sprake is van een bijzonder geval. Onze Minister volgt in zijn voordracht in beginsel de aanbeveling, met inbegrip van de daarop gehanteerde volgorde, tenzij zwaarwegende gronden aanleiding tot afwijking geven. Een afwijking wordt gemotiveerd.

Wetsvoorstel waarover Eerste Kamer zich volgende week buigt: Artikel 131 van de Grondwet komt te luiden als volgt: De commissaris van de Koning en de burgemeester worden aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze. Krachtens de wet kunnen nadere regels worden gesteld over de daarbij te volgen procedures.

Artikel 137 Grondwet luidt (gedeeltelijk): Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Eerste Kamer verkiezing: van 17 miljoen inwoners via 570 kiezers naar 75 senatoren

5 NOVEMBER 2018 Op 27 mei 2019 worden de verkiezingen gehouden voor de Eerste Kamer. Wie zijn de kiezers?

75 Senatoren De Eerste Kamer bestaat uit 75 leden, ook wel senatoren geheten. Hun vergaderingen zijn op het Binnenhof.

Staten-Generaal De Eerste Kamer en de Tweede Kamer vormen samen de Staten-Generaal. De Staten-Generaal is het parlement van Nederland. De Eerste Kamer vergadert op het Binnenhof in Den Haag.

Provinciale Staten Het zijn de leden van Provinciale Staten die de Eerste Kamer kiezen. Provinciale Staten is de volksvertegenwoordiging in elke provincie, zeg maar het provinciale parlement. Het zijn de Nederlandse burgers die in die provincie wonen die de Provinciale Staten kiezen: de provinciale verkiezingen. Over ruim vier maanden (20 maart 2019) zijn er weer provinciale verkiezingen. De twaalf nieuwe Provinciale Staten kiezen enkele maanden daarna de Eerste Kamer.

Caribisch Nederland In 2019 mag voor de eerste keer ook Caribisch Nederland meestemmen: dat zijn de bijzondere gemeenten Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Geen stem hebben Aruba, Sint Maarten en Curaçao: zij behoren wel tot het koninkrijk maar niet tot Nederland.

15.00 uur De Statenleden van alle twaalf provincies brengen op dezelfde dag en op hetzelfde tijdstip hun stem uit, namelijk op maandag 27 mei 2019 om drie uur in de middag. Zij komen daartoe in een bijzondere vergadering bijeen: elk op hun eigen provinciehuis in de provinciehoofdsteden. Ik weet niet of die vergadering openbaar is.

Stembiljetten Er wordt schriftelijk gestemd. Er wordt gestemd met stembiljetten. Daarop moet het Statenlid het witte stipje rood maken vóór de kandidaat van zijn keuze. Hij of zij mag ook een blanco stem uitbrengen. Het stemmen gebeurt dus hetzelfde als voor gewone burgers in het stemlokaal. Zonder stemhokje evenwel.

570 Het electoraat – de kiezers – bestond bij de vorige Eerste Kamer verkiezingen in 2015 uit 570 personen. Iedereen heeft gestemd en alle stemmen waren geldig. Het aantal Statenleden per provincie verschilt. Zo had Zeeland er 39 en Zuid-Holland 55. Het aantal kiezers verschilt navenant. Zeeland heeft minder inwoners dan Zuid-Holland, en dus is het terecht dat deze provincie minder kiezers heeft dan Zuid-Holland. Zeeland had in 2015 380.000 inwoners. Zuid-Holland 3.600.000. Dat zijn er tien keer zoveel. Het aantal Statenleden is echter niet tien keer zoveel maar nog niet eens twee keer zoveel! Daarmee wordt dan ook rekening gehouden bij het tellen van de stemmen. Ik kom daarop in een volgende bijdrage terug.

BRONNEN

Artikel 51 Grondwet luidt (gedeeltelijk): De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

Artikel Q 1 Kieswet luidt (gedeeltelijk): De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten.

Artikel 7 Provinciewet luidt: Provinciale staten vertegenwoordigen de gehele bevolking van de provincie.

Artikel B 2 Kieswet luidt: De leden van provinciale staten worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van de provincie, mits zij Nederlander zijn en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

Artikel Ya 30 Kieswet luidt (gedeeltelijk): De leden van de Eerste Kamer worden in de openbare lichamen gekozen door de leden van de kiescolleges.

Artikel Ya 2 Kieswet luidt (gedeeltelijk): In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

Artikel T 1 Kieswet luidt: De stemming vindt plaats op de vierendertigste dag na de kandidaatstelling. De stemming vindt plaats om vijftien uur (Europees-Nederlandse tijd).

Artikel Q 4 Kieswet: De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer vindt plaats op de dinsdag in de periode van 19 tot en met 25 april.

Artikel Q 1 Kieswet luidt (gedeeltelijk): De leden van provinciale staten komen per provincie in vergadering bijeen tot het uitbrengen van hun stem.

Artikel 23 Provinciewet luidt (gedeeltelijk): De vergadering van provinciale staten wordt in het openbaar gehouden. De deuren worden gesloten, wanneer ten minste een tiende van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Provinciale staten beslissen vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

Artikel T 2 Kieswet luidt (gedeeltelijk): Op het bij de verkiezing te bezigen stembiljet (..)

Artikel T 4 Kieswet luidt (gedeeltelijk): Een statenlid brengt zijn stem uit door een wit stipje, geplaatst vóór de kandidaat van zijn keuze, rood te maken.

Artikel T 5 Kieswet luidt: Na het uitbrengen van zijn stem levert het statenlid het stembiljet dichtgevouwen bij de voorzitter in.

Artikel T 8 Kieswet luidt (gedeeltelijk): Blanco is de stem uitgebracht op een stembiljet dat door de kiezer is ingeleverd zonder dat hij geheel of gedeeltelijk een wit stipje in een stemvak rood heeft gemaakt en zonder dat hij anderszins op het stembiljet geschreven of getekend heeft.

Verkiezing lijsttrekker Eerste Kamer bij VVD en dierenpartij

MAANDAG 29 OKTOBER 2018 Op 27 mei 2019 worden de verkiezingen gehouden voor de Eerste Kamer. Vandaag stond in de krant dat de partijtop van ChristenUnie Mirjam Bikker als lijsttrekker heeft voorgedragen. Wie mag bij andere partijen een voordracht doen en wie mag kiezen/benoemen? Ik bespreek de VVD en de Partij voor de Dieren (PvdD).

Voordracht VVD Het landelijk bestuursoverleg doet een voordracht. Het landelijk bestuursoverleg bestaat uit het landelijke hoofdbestuur en de regiovoorzitters. Alle leden die aanwezig waren op het partijcongres hebben het landelijk hoofdbestuur gekozen. Alle leden die in een regio wonen en aanwezig waren op de ledenvergadering hebben hun regiovoorzitter gekozen. Een lid moet 18 jaar of ouder zijn. Een regionale ledenvergadering kan ook een eigen lijsttrekker voor de Eerste Kamer voordragen. Ook een lokale ledenvergadering kan dat doen, net als een (zogenaamd) thematisch netwerk. Regio’s, lokaal en thematische netwerken kunnen alleen met medewerking van het hoofdbestuur worden opgericht.

Benoemen Als er maar één voordracht is, is er slechts één kandidaat en wordt die persoon automatisch de lijsttrekker. Als er meer voordrachten zijn, zijn er meer kandidaten. Dan wordt er een ledenraadpleging gehouden. Alle leden kunnen dan bijvoorbeeld via internet of brief hun stem uitbrengen. Elk lid heeft daarbij een keuze. Hij of zij kiest voor slechts één kandidaat. Of kiest meerdere kandidaten maar brengt daarbij dan wel een volgorde aan.

Annemarie Jorritsma Het landelijk bestuursoverleg heeft huidig senator en fractievoorzitter Annemarie Jorritsma voorgedragen. Ik weet niet of er ook andere kandidaten zijn.

Voordracht PvdD Het landelijk partijbestuur stelt de ontwerpkandidatenlijst op, inclusief de volgorde van de kandidaten. De nummer 1 is de (voorgedragen) lijsttrekker; hij of zij is de kandidaat van het partijbestuur. Alle leden die aanwezig waren op het partijcongres hebben het partijbestuur gekozen. Een lid moet 16 jaar of ouder zijn. Elk lid dat zich heeft aangemeld voor de ontwerpkandidatenlijst kan zich voor een bepaalde plek op die lijst tegenkandidaat stellen. Voor eenzelfde plek kunnen er dan meerdere tegenkandidaten zijn. Het partijbestuur kan een tegenkandidaat uitsluiten, als hij of zij duidelijk niet past in de profielschets of de partij door zijn of haar kandidatuur schade kan toebrengen.

Benoemen Als er maar één kandidaat voor het lijsttrekkerschap is, is er geen tegenkandidaat. Dan wordt die persoon automatisch de lijsttrekker. Als er wel tegenkandidaten zijn, kiest het partijcongres de lijsttrekker uit alle kandidaten voor de eerste plek op de kandidatenlijst. Het partijcongres bestaat uit alle leden die op de vergadering aanwezig zijn. Elk lid heeft één stem. Als de kandidaat van het partijbestuur wordt gekozen, kunnen de tegenkandidaten niet meer meedingen naar een lagere plek op de kandidatenlijst. Maar als een tegenkandidaat wordt gekozen, dingt de kandidaat van het partijbestuur automatisch mee voor de lagere plekken (te beginnen met de tweede plek).

Niko Koffeman De kandidaat van het partijbestuur is huidig senator en fractievoorzitter Niko Koffeman. Ik weet niet of er tegenkandidaten zijn. Het partijcongres wordt in december gehouden.

BRONNEN

VVD

https://www.vvd.nl/content/uploads/2016/12/statuten_huishoudelijk.pdf

Statuten artikelen 1, 6, 8 en 17; Huishoudelijk Reglement artikelen 1, 6, 34 en 97

Partij voor de Dieren

https://www.partijvoordedieren.nl/downloads/www/2012/06/1340723346_20120626_Statuten_Partij_voor_de_Dieren.pdf

Statuten artikelen 4, 5, 7, 14 en 16

https://www.partijvoordedieren.nl/data/files/2016/02/6ab0fdd3449e5178408a8497c981d3b7.pdf

Huishoudelijk Reglement artikelen 9.4, 9.5, 9.7 en 9.8