Limburg krijgt extraparlementaire gedeputeerden

DINSDAG 26 JUNI 2019 Afgelopen maart waren er provinciale verkiezingen. Sindsdien wordt onderhandeld over een nieuw dagelijks bestuur, het college van Gedeputeerde Staten (GS). In sommige provincies is er al een nieuw college benoemd. In de provincie Limburg wordt naar alle waarschijnlijkheid aanstaande vrijdag een nieuw college benoemd. Dat wordt dan een extraparlementair college. Dat is heel bijzonder, want volgens de eigen website wordt dat het eerste extraparlementaire college van ons land. Wat is hier aan de hand?

Parlement Provinciale Staten van Limburg heeft 47 leden. Voor de ruim 1 miljoen Limburgers zijn er dus 47 Statenleden. De provincie met de minste inwoners – Zeeland – heeft er 39; de provincies met de meeste inwoners – zoals Gelderland en Zuid-Holland – hebben er 55. In Limburg wordt Provinciale Staten ook wel genoemd het Limburgs Parlement.

Gouverneur Dit Limburgs Parlement benoemt de gedeputeerden, de dagelijkse bestuurders van de provincie. Er is één dagelijkse bestuurder die het niet benoemt en dat is de commissaris van de Koning. De commissaris wordt door de regering benoemd; wel is het zo dat Provinciale Staten van Limburg en de gedeputeerden betrokken worden. De commissaris is ook voorzitter van het Limburgs Parlement. In Limburg wordt hij trouwens ook wel gouverneur genoemd.

Zeven gedeputeerden Alle dagelijkse bestuurders – de gedeputeerden én de commissaris – heten samen het college van Gedeputeerde Staten, of kortweg Gedeputeerde Staten, of nog korter het college, of op zijn kortst GS. De commissaris is ook hiervan de voorzitter; dat betekent niet dat hij de baas is. Provinciale Staten mogen maximaal zeven gedeputeerden benoemen. Als alles volgens verwachting verloopt, gaat het Limburgs Parlement aanstaande vrijdag zeven gedeputeerden benoemen, het maximumaantal dus. Het huidige college – dat vier jaar geleden is gekozen – bestaat uit vijf gedeputeerden. In het nieuwe college zit één vrouw, dat is er een meer dan in het huidige college.

Nederlanderschap Het Limburgs Parlement is niet 100% vrij in wie het tot gedeputeerde benoemt. Er worden namelijk allerlei wettelijke eisen aan een gedeputeerde gesteld, zoals dat ie Nederlander is en dat ze in de provincie woont. In Limburg onderzoekt een speciale Statencommissie of een kandidaat aan alle wettelijke eisen voldoet. Van de woonplicht mag ontheffing worden verleend. Geen vereiste is dat de gedeputeerde is gekozen als lid van het Limburgs Parlement. Toch zal dat vrijdag bij vijf (van de zeven) gedeputeerden het geval zijn; in het huidige college is dat bij vier (van de vijf) het geval.

Geen voortzetten bestaand college In het vorige Limburgs Parlement was er een coalitie en die bestond uit CDA, VVD, D66 en PvdA. Samen hadden zij 24 zetels: een (nipte) meerderheid. De gedeputeerden zouden zonder hun lidmaatschap van één van deze partijen niet zijn benoemd, ofschoon er uiteraard ook nog allerlei andere redenen waren om juist hen tot gedeputeerden te benoemen. In het nieuwe Limburgse Parlement hebben die vier (!) partijen zelfs niet meer een nipte meerderheid, ze beschikken nog slechts over 20 zetels. Voortzetting van de coalitie is dus niet zonder meer mogelijk. En een andere coalitie ligt ook niet meteen voor de hand; de resterende 27 zetels zijn namelijk over nog eens zeven andere partijen verdeeld. Dit alles betekent overigens niet dat de nieuwe gedeputeerden partijloos zijn: minstens vijf van hen zijn (prominente) partijleden. Bovendien maken drie van hen ook deel uit van het huidige college.

Informateurs Snel na de provinciale verkiezingen heeft het nieuwe Limburgs Parlement twee personen tot informateur benoemd. Eén is Statenlid van de grootste fractie (CDA) en de ander is van een andere partij maar niet actief in de provinciale politiek (wel in de lokale politiek). Zij moesten advies uitbrengen over hoe de oude coalitie kan worden versterkt en aangevuld. Hun conclusie was tweeërlei. Ten eerste ontbreekt de politiek-bestuurlijke wil om de oude coalitie te versterken en aan te vullen. Versterking en aanvulling van de oude coalitie is dus onbereikbaar. Ten tweede zijn er – toch – geen onoverbrugbare politiek-inhoudelijke verschillen tussen de vier oude coalitiepartijen en de andere zeven partijen. Wat de inhoud betreft, kunnen alle partijen dus wel met elkaar in zee.

Extra De informateurs adviseren daarom de benoeming van extraparlementaire gedeputeerden. Extra betekent hier buiten; extraparlementair betekent hier dus buitenparlementair. Buitenparlementair betekent dat ook iemand die geen lid is van de eigen politieke partij of van een coalitiepartij tot gedeputeerde kan worden benoemd. In een coalitie spreken de coalitiepartijen met elkaar af dat ze de kandidaat van de andere coalitiepartijen zullen steunen. Maar – zoals gezegd – een meerderheidscoalitie bleek in Limburg onbereikbaar.

Extra (2) Extraparlementaire gedeputeerden betekent niet dat de gedeputeerden geen partijlid mogen zijn, want van de zeven gedeputeerden die vrijdag worden benoemd zijn er twee Statenlid voor het CDA en de drie anderen zijn Statenleden voor VVD, PVV of Forum voor Democratie. Extraparlementaire gedeputeerden betekent hier evenmin dat gedeputeerden buiten het Limburgs Parlement om worden benoemd. Integendeel: nog steeds is het zo dat (een meerderheid van) het Limburgs Parlement de gedeputeerden gaat benoemen.

Ontslag Bovendien is het niet zo dat een eenmaal benoemde gedeputeerde verzekerd is van zijn aanstelling tot de volgende verkiezingen, want een gedeputeerde heeft steeds het vertrouwen nodig van (een meerderheid van) het Limburgs Parlement. Als duidelijk is dat dit vertrouwen er op een gegeven moment niet meer is, dan moet de gedeputeerde opstappen, wat ook de reden is geweest voor de vertrouwensbreuk.

Vertrouwensbreuk Zo’n vertrouwensbreuk kan bijvoorbeeld blijken bij het afleggen van verantwoording. Elke gedeputeerde moet aan het Limburgs Parlement verantwoording afleggen van het bestuur dat hij of zij voert en heeft gevoerd. Verantwoording afleggen gebeurt bijvoorbeeld bij de beantwoording van een vraag van een Statenlid. Het gebeurt ook in de jaarrekening en het jaarverslag. Gedeputeerde Staten stellen elk jaar een jaarrekening en jaarverslag op, en die wordt besproken in het Limburgs Parlement.

Amendementen In plaats van ontslag geven aan een gedeputeerde wiens bestuur te ver af staat van wat het Limburgs Parlement wil, kan het ook bijsturen. Het kan dat doen door te dreigen met ontslag. Maar het kan dat ook directer doen. Zoals door een wijziging in een nieuwe verordening die de gedeputeerde voorstelt. Of door een wijziging van de voorgestelde begroting. Gedeputeerde Staten stelt elk jaar een ontwerp-begroting op. Een gedeputeerde mag zonder begroting geen geld uitgeven en zonder geld uit te geven kan een provincie niet bestuurd worden. Opstelling van de ontwerp-begroting is niet genoeg om geld te mogen uitgeven. Daarvoor is vaststelling nodig van de begroting. Vaststelling gebeurt door het Limburgs Parlement, uitzonderingen daargelaten. De inhoud van de vastgestelde begroting mag afwijken van de voorgestelde ontwerp-begroting. Ook op die manier kan het Limburgs Parlement een gedeputeerde bijsturen.

Formateurs Aanstaande vrijdag gaat het Limburgs Parlement vergaderen over de benoeming van de zeven kandidaat-gedeputeerden. Deze kandidaten zijn uitgekozen door twee formateurs. Het Limburgs Parlement heeft niet alleen de informateurs maar ook de formateurs benoemd. Dat is enkele weken geleden gebeurd door een ruime meerderheid bestaande uit de fractieleden van CDA, Forum voor Democratie, PVV, VVD, Lokaal-Limburg en 50PLUS. De twee formateurs zijn Statenleden voor CDA en VVD. De formateurs hebben niet alleen de kandidaten geselecteerd en de portefeuilles verdeeld, maar ook een collegeprogramma opgesteld dat door alle kandidaten is ondertekend. Dit collegeprogramma Vernieuwend Verbinden is gisteren in het Maastrichtse Provinciehuis gepresenteerd. Het is dus niet zo dat dit stuk van zo’n zestig pagina’s het product is van een of meer fracties, zoals het geval is bij coalitieakkoorden. De commissaris van de Koning was dus geen formateur; hij moet wel over de uitkomsten van de collegeonderhandelingen geïnformeerd zijn en in de gelegenheid zijn gesteld om over voorstellen van het collegeprogramma zijn opvattingen kenbaar te maken.

Correcties en aanvullingen op deze bijdrage. Op Zeven gedeputeerden: Provinciale Staten mogen maximaal zeven fulltime gedeputeerden benoemen. Als er ook gedeputeerden in deeltijd worden benoemd, dan mogen er maximaal negen worden benoemd.

BRONNEN

”Parlement”

Artikel 8 Provinciewet luidt (gedeeltelijk): Provinciale staten bestaan uit: 39 leden in een provincie beneden de 400 001 inwoners; 47 leden in een provincie van 1 000 001 – 1 250 000 inwoners; 55 leden in een provincie boven de 2 000 000 inwoners.

”Gouverneur”

Artikel 35 Provinciewet luidt (gedeeltelijk): Provinciale staten benoemen de gedeputeerden.

Artikel 158 luidt (gedeeltelijk): Gedeputeerde staten zijn in ieder geval bevoegd: a. het dagelijks bestuur van de provincie te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet provinciale staten of de commissaris van de Koning hiermee zijn belast;

Artikel 61 luidt (gedeeltelijk): De commissaris van de Koning wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes jaar. Onze Minister overlegt met provinciale staten. Na het overleg met Onze Minister stellen provinciale staten uit hun midden een vertrouwenscommissie in, belast met de beoordeling van de kandidaten.

Artikel 9 luidt: De commissaris van de Koning is voorzitter van provinciale staten.

”Zeven gedeputeerden”

Artikel 35a Provinciewet luidt (gedeeltelijk): Het aantal gedeputeerden bedraagt ten minste drie en ten hoogste zeven.

Artikel 34 luidt: De commissaris van de Koning en de gedeputeerden vormen tezamen gedeputeerde staten. De commissaris is voorzitter van gedeputeerde staten.

Artikel 53a luidt: De commissaris van de Koning bevordert de eenheid van het beleid van gedeputeerde staten. De commissaris kan onderwerpen aan de agenda voor een vergadering van gedeputeerde staten toevoegen. De commissaris kan ten aanzien van geagendeerde onderwerpen een eigen voorstel aan gedeputeerde staten voorleggen.

Uit de brief van de Limburgse formateurs van 18 juni 2019: Wij hebben de griffie van uw Staten verzocht de voorbereidingen te treffen die nodig zijn om de voorgestelde kandidaat-gedeputeerden te kunnen benoemen in uw vergadering van 28 juni 2019.

”Nederlanderschap”

Artikel 10 Provinciewet luidt: Voor het lidmaatschap van provinciale staten is vereist dat men Nederlander en ingezetene van de provincie is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 35b luidt (gedeeltelijk): Voor het ambt van gedeputeerde gelden de vereisten voor het lidmaatschap van provinciale staten, bedoeld in artikel 10. Provinciale staten kunnen voor de duur van een jaar ontheffing verlenen van het vereiste van ingezetenschap. De ontheffing kan in bijzondere gevallen, telkens met een periode van maximaal een jaar, worden verlengd.

Artikel 7 Reglement van Orde voor Provinciale Staten van Limburg luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Aan het begin van een nieuwe Statenperiode stelt de voorzitter van Provinciale Staten twee commissies in die elk bestaan uit drie Statenleden. Lid 5. Bij de benoeming van een gedeputeerde stelt de voorzitter van Provinciale Staten eveneens een commissie overeenkomstig het eerste lid in die onderzoekt of de kandidaat voldoet aan de eisen gesteld in de Provinciewet.

”Informateurs”

Artikel 35 Provinciewet luidt (gedeeltelijk): Provinciale staten benoemen de gedeputeerden. De commissaris van de Koning wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de college-onderhandelingen. Hij wordt alsdan in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over voorstellen ten behoeve van het collegeprogramma kenbaar te maken.

Uit het Eindverslag van de Limburgse informateurs (24 mei): PS hebben informatie opdracht gegeven aan Statenlid CDA (Koopmans) en iemand die niet actief is in de provinciale politiek (Gabriëls). Te onderzoeken op welke wijze de huidige coalitie versterkt en aangevuld zou kunnen worden”. Met onze brief van 10 mei jl. hebben wij tussentijds aan uw Staten gerapporteerd over de voortgang. Daarbij zijn de ‘Uitgangspunten van de Limburgse coalitie 2019-2023’ gepresenteerd, waarmee een verbinding gemaakt kan worden tussen de vier partijen van de huidige coalitie én alle mogelijke coalitiepartners. Deze verbinding was wat ons betreft nodig en een gezamenlijke tussenstap om te voorkomen dat mogelijkerwijs op grond van beelden of vermoedens, onoverbrugbare verschillen worden geconstateerd die in de Limburgse politieke werkelijkheid anders zijn of wél overbrugbaar zijn. Alle partijen hebben deze uitgangspunten onderschreven.

”Extra”

Uit het Eindverslag van de Limburgse informateurs (24 mei): Het is hierom, en nogmaals vanuit onze belangrijke constatering dat op inhoud elke coalitie mogelijk was, maar dat op basis van de politiek-bestuurlijke wil dit uiteindelijk niet mogelijk bleek te zijn, concluderen wij, om misschien niet naar de letter van de opdracht, maar wat ons betreft volstrekt in de geest van de opdracht, uw Staten te adviseren om te komen tot een extraparlementair college van maximaal zeven gedeputeerden. Een college waarbij niet het partij-lidmaatschap van de kandidaten doorslaggevend is (..).

”Extra (2)”

Artikel 35 Provinciewet luidt (gedeeltelijk): Provinciale staten benoemen de gedeputeerden.

”Vertrouwen”

Artikel 49 Provinciewet luidt (gedeeltelijk): Indien een uitspraak van provinciale staten inhoudende de opzegging van hun vertrouwen in een gedeputeerde er niet toe leidt dat de betrokken gedeputeerde onmiddellijk ontslag neemt, kunnen provinciale staten besluiten tot ontslag.

Artikel 50 luidt: De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop provinciale staten tot ontslag van een gedeputeerde hebben besloten.

”Vertrouwensbreuk”

Artikel 151 Provinciewet luidt (gedeeltelijk): Een lid van provinciale staten kan gedeputeerde staten mondeling of schriftelijk vragen stellen. Een lid van provinciale staten kan provinciale staten verlof vragen tot het houden van een interpellatie over een onderwerp dat niet staat vermeld op de agenda om gedeputeerde staten hierover inlichtingen te vragen.

Artikel 167 luidt (gedeeltelijk): Gedeputeerde staten en elk van hun leden afzonderlijk zijn aan provinciale staten verantwoording schuldig over het door hen gevoerde bestuur.

Artikel 201 luidt (gedeeltelijk): Gedeputeerde staten leggen aan provinciale staten over elk begrotingsjaar verantwoording af over het door hen gevoerde bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag.

Artikel 202 luidt (gedeeltelijk): Provinciale staten stellen de jaarrekening en het jaarverslag vast in het jaar volgend op het begrotingsjaar. De jaarrekening betreft alle baten en lasten van de provincie.

”Amendementen”

Artikel 143b Provinciewet luidt (gedeeltelijk): Een lid van provinciale staten kan een voorstel tot wijziging van een voor de vergadering van provinciale staten geagendeerde ontwerp-verordening of ontwerp-beslissing indienen.

Artikel 195 luidt (gedeeltelijk): Provinciale staten stellen de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

Artikel 194 luidt (gedeeltelijk): Gedeputeerde staten bieden jaarlijks, tijdig voor de in artikel 195, eerste lid, bedoelde vaststelling, provinciale staten een ontwerp aan voor de begroting met toelichting van de provincie en een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren.

Artikel 205 luidt (gedeeltelijk): Indien provinciale staten de jaarrekening niet of niet naar behoren vaststellen, zenden gedeputeerde staten de jaarrekening ter vaststelling aan Onze Minister.

”Formateurs”: Artikel 35 Provinciewet luidt: De commissaris van de Koning wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de college-onderhandelingen. Hij wordt alsdan in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over voorstellen ten behoeve van het collegeprogramma kenbaar te maken.

Partijdiscipline bij de Eerste Kamerverkiezingen van 2019

DINSDAG 4 JUNI 2019 Vorige week maandag zijn de Eerste Kamerverkiezingen gehouden. Het electoraat bestond uit de leden van Provinciale Staten. Hoe is er op provinciaal niveau gestemd? Ik heb geen rekening gehouden met de verkiezingsuitslag in Caribisch Nederland.

Stemmen De leden van Provinciale Staten hebben 27 mei jl. in hun eigen provinciehuizen hun stem uitgebracht, even na drieën in de middag. Het tellen van de stemmen gebeurde in elke provincie door een stembureau bestaande uit de commissaris van de koning en enkele leden van diezelfde Provinciale Staten.

Stem Alle 570 Statenleden hebben hun stem uitgebracht en die waren allemaal geldig. Niet elke uitgebrachte stem woog even zwaar. Naarmate een provincie meer inwoners telt, weegt de stem van een Statenlid zwaarder. Een Zeeuwse stem was dan ook het lichtst en een Zuid-Hollandse stem het zwaarst. De laatste woog ruim zes keer meer dan de eerste. Daarom wogen de twee stemmen die in Zuid-Holland op 50PLUS werden uitgebracht tezamen bijna het dubbele van de zeven stemmen die in Zeeland op het CDA werden uitgebracht. Alle Statenleden hebben hun stem uitgebracht, maar niet elk Statenlid was erbij: twaalf Statenleden hebben een collega gemachtigd om namens hem/haar te stemmen.

Vreemd stemmen In de provincies Groningen, Flevoland, Utrecht, Noord-Brabant en Zuid-Holland hebben enkele Statenleden niet op hun eigen partij gestemd maar op een andere partij. Het zijn er niet veel: in totaal gaat het om zeven Statenleden, exclusief de Onafhankelijke Senaatsfractie en regionale partijen. Van de coalitiepartijen hebben twee VVD’ers op D66 gestemd, net als een CDA’er, terwijl een ander CDA’er op ChristenUnie heeft gestemd.

Legaal geritsel Uit de verkiezingsuitslag per provincie moet worden geconcludeerd dat er vreemde stemmen zijn uitgebracht, zoals bedoeld in de vorige alinea, ook al is het zo dat het stemgeheim ook voor Statenleden geldt. In de weken die aan de stemming voorafgingen hebben kranten herhaaldelijk bericht over Statenleden van CDA en VVD die niet op hun eigen partij gaan stemmen maar op die van coalitiegenoten D66 en ChristenUnie. Doel van dit vreemd stemmen was om die laatste partijen aan een (rest)zetel te helpen om daarmee de coalitiepartijen in de Eerste Kamer zo groot mogelijk te maken. Vreemde stemmen zijn in elk geval uitgebracht in de provincies Flevoland, Noord-Brabant, Groningen en Utrecht. In Flevoland en Noord-Brabant stemde een VVD’er op D66. In Groningen stemde een CDA’er op D66 en in Utrecht stemde een CDA’er op de ChristenUnie. De kranten lijken weinig waardering te hebben voor deze praktijk. Zo spreekt de Volkskrant van ”achter de schermen doende met een soort handjeklap” en ”achter de schermen een uitgebreide koehandel” en het AD van ”coalitie sleept sluw restzetels binnen”. Ook staatsrechtelijk kan bij deze praktijk een vraagteken worden geplaatst. Immers, om ervoor te zorgen dat alleen de overtollige stemmen naar een coalitiepartij gaan en bovendien dat die naar een bepaalde coalitiepartij gaan, moet het stemgedrag van alle Statenleden van die partij gecoördineerd worden. Anders gezegd: ze moeten stemmen in overeenstemming met instructies van hun partij. Kortom: partijdiscipline! De staatsrechtelijke vraag is dan: stemmen Statenleden daardoor nog wel vrij, naar eigen inzicht en overtuiging? Want dat is namelijk wat de Grondwet van hun verlangt, dat zij hun stem zonder last uitbrengen. De Staatscommissie parlementair stelsel die eind vorig jaar haar rapport publiceerde, brengt ook deze praktijk ter sprake en noemt het legaal geritsel (p 309/310). Anders gezegd: weliswaar niet on(grond)wettig, maar het wringt wel.

P.v.d.A. Het landelijke verkiezingsresultaat is dat Forum voor Democratie en VVD elk twaalf zetels hebben in de Eerste Kamer, CDA negen, GroenLinks acht, D66 zeven, P.v.d.A. zes, PVV vijf, SP en ChristenUnie elk vier, Partij voor de Dieren drie, 50PLUS en SGP elk twee en de Onafhankelijke Senaatsfractie één zetel. De nieuwe Eerste Kamer wordt over een week geïnstalleerd. De regeringspartijen VVD, CDA, D66 en ChristenUnie hebben daarin 32 zetels. Dat resultaat is mede bereikt dankzij de vreemde stemmen van VVD en CDA. Die 32 zetels vormen weliswaar geen meerderheid, want daarvoor zijn er 38 nodig, maar wel genoeg om alleen met de P.v.d.A. afspraken te hoeven maken.

Volgorde De volgorde op de kandidatenlijst is nooit willekeurig, maar door de politieke partij met veel zorg vastgesteld. De lijstvolgorde maakt de voorkeur van de partij duidelijk: hoe hoger een kandidaat op de lijst staat, hoe groter de partijvoorkeur is voor deze kandidaat. De Kieswet sluit daarbij aan door alle stemmen die op de lijsttrekker zijn uitgebracht en die deze zelf niet nodig heeft voor een (Eerste Kamer) zetel over te hevelen naar de andere kandidaten, in de volgorde van de lijst.

Voorkeurstemmen Kiezers kunnen deze lijstvolgorde doorbreken door op een lager geplaatste kandidaat te stemmen. Zij brengen dan een voorkeurstem uit. Als een kandidaat genoeg voorkeurstemmen heeft gekregen, krijgt hij een Eerste Kamer zetel terwijl een boven hem geplaatste kandidaat geen zetel hoeft te krijgen. Die kandidaat heeft dan een voorkeurszetel. Hoeveel voorkeurstemmen heeft hij nodig om een voorkeurszetel te krijgen? Dat verschilt per verkiezingen. Voor de Eerste Kamerverkiezingen zijn dat er net zoveel als nodig is om de lijst één volle zetel te geven; dit aantal heet de kiesdeler. Voor de Tweede Kamerverkiezingen is een kwart van de kiesdeler genoeg.

Voorkeurstemmen EK 2019: hoeveel? Zoals dat ook bij gewone verkiezingen het geval is, zijn bij de Eerste Kamerverkiezingen veruit de meeste stemmen op lijsttrekkers uitgebracht. Er zijn bij de stemming van vorige week maandag 87 voorkeurstemmen uitgebracht. Ik heb Forum voor Democratie buiten beschouwing gelaten, omdat in deze partij eind april een vertrouwensbreuk ontstond met de lijsttrekker. De andere kandidaten op de lijst hebben dit officieel verklaard en het partijbestuur kon zich daarin vinden. Gevolg is dat vorige week maandag slechts vier keer op hem is gestemd.

Voorkeurstemmen EK 2019: waar? Hoe zijn de voorkeurstemmen verdeeld over de provincies? De meeste voorkeurstemmen zijn uitgebracht in de middelgrote provincies: elf in Groningen, veertien in Limburg (waarvan negen op het CDA) en vijftien in Friesland. In totaal zijn in elk van deze top drie provincies ongeveer 45 stemmen uitgebracht. In de vier grootste provincies zijn veel minder voorkeurstemmen uitgebracht: zes in Gelderland en Zuid-Holland en vier in Noord-Holland en Noord-Brabant. Vanwaar deze verschillen? Heeft het ermee te maken dat (ook) de voorkeurstem in de ene provincie zwaarder weegt dan in de andere? Ik denk het niet want geen enkele van de drie provincies waar een voorkeurstem het lichtste is – Zeeland, Flevoland en Drenthe – maakt deel uit van de top drie.

Voorkeurstemmen EK 2019: waarop? Hoe zijn de voorkeurstemmen verdeeld over de partijen? Op sommige partijen zijn helemaal geen (VVD) of is slechts één voorkeurstem (SP) uitgebracht. Landelijk zijn de meeste voorkeurstemmen uitgebracht op PVV, SGP, GroenLinks en PvdA. Bij PVV is dat bijna de helft (16 van de in totaal 38 stemmen). Bij de andere drie is dat een derde tot een vierde: SGP (5 van de in totaal 15), GroenLinks (20 van de in totaal 61) en PvdA (15 van de in totaal 53). Hoe komt het dat op de partij die de meeste stemmen heeft gekregen – VVD – geen enkele voorkeurstem is uitgebracht? Kan dat te maken met partijdiscipline?

Voorkeurszetels Overigens hebben slechts twee kandidaten voldoende voorkeurstemmen gekregen voor een voorkeurszetel. Een kandidaat van GroenLinks en een kandidaat van PVV. De kandidaat van GroenLinks was trouwens ook zonder voorkeursstemmen gekozen, want zij heeft genoeg overtollige stemmen van de lijsttrekker gekregen.

BRONNEN:

”Stemmen”

Artikel T 1 Kieswet luidt (gedeeltelijk): De stemming vindt plaats om vijftien uur (Europees-Nederlandse tijd).

Artikel T 3: De voorzitter benoemt uit de statenvergadering drie leden, die met hem als voorzitter het stembureau vormen.

Artikel T 4 luidt (gedeeltelijk): Een statenlid brengt zijn stem uit door een wit stipje, geplaatst vóór de kandidaat van zijn keuze, rood te maken.

Artikel T 9 luidt: In geval van twijfel over de geldigheid van een stembiljet beslist de vergadering. Bij staken van stemmen beslist de voorzitter.

”Stem”

Artikel U 2 Kieswet luidt (gedeeltelijk): Elke stem geldt, naar gelang van de provincie waar zij is uitgebracht, voor een aantal stemmen, gelijk aan het getal dat verkregen wordt door het inwonertal van de provincie te delen door het honderdvoud van het aantal leden waaruit provinciale staten bestaan. Dit getal wordt de stemwaarde genoemd.

Artikel T 4 luidt (gedeeltelijk): Aan een statenlid wordt op zijn verzoek toegestaan bij volmacht te stemmen. Een statenlid mag niet meer dan één aanwijzing als gemachtigde aannemen.

”Legaal geritsel”

Artikel T 5 Kieswet luidt: Na het uitbrengen van zijn stem levert het statenlid het stembiljet dichtgevouwen bij de voorzitter in.

Artikel 129 Grondwet luidt (gedeeltelijk): De leden van provinciale staten (..) stemmen zonder last.

”Volgorde”

Artikel P 17 van de Kieswet luidt (gedeeltelijk): De zetels worden aan de nog niet gekozen kandidaten van de desbetreffende lijsten toegewezen in de volgorde van de lijst.

”Voorkeurstemmen”

Artikel T 4 van de Kieswet luidt (gedeeltelijk): Een statenlid brengt zijn stem uit door een wit stipje, geplaatst vóór de kandidaat van zijn keuze, rood te maken.

Artikel U 15 luidt (gedeeltelijk): Gekozen (voor de Eerste Kamer) zijn de kandidaten van de lijst die een aantal stemmen hebben verkregen, groter dan of gelijk aan de kiesdeler.

Artikel P 15 lid 1 luidt (gedeeltelijk): In de volgorde van de aantallen op hen uitgebrachte stemmen zijn (voor de Tweede Kamer) gekozen die kandidaten die op de gezamenlijke lijsten waarop zij voorkomen, een aantal stemmen hebben verkregen, groter dan 25% van de kiesdeler, voor zover aan de lijst voldoende zetels zijn toegewezen.

Stemmen: Pas, Hokje, Biljet en meer

DINSDAG 19 MAART 2019 Morgen zijn ze er, de verkiezingen voor de waterschappen en voor de provincies. Wat komt er zoal bij kijken?

Stempas Iemand die kiesrecht heeft, is kiesgerechtigde. In de afgelopen weken hebben alle kiesgerechtigden post van hun gemeente ontvangen, met informatie over de verkiezingen. Daarin zat bijvoorbeeld de stempas.

Stemlokaal De kiesgerechtigde mag met die stempas gaan stemmen in een stemlokaal. De gemeente wijst aan welke ruimten als stemlokalen dienst doen. Op verzoek moeten scholen hun gebouwen beschikbaar stellen. De burgemeester is verantwoordelijk voor de juiste inrichting van het stemlokaal. In elk geval staan daarin stemhokjes en stembussen. De kiezer brengt een stem uit door op het stembiljet het witte stipje voor één van de kandidaten rood te maken met een potlood die speciaal daarvoor in het stemhokje is gelegd, en het biljet vervolgens in de gleuf van de stembus te doen. Er is een aparte stembus voor de waterschapsverkiezingen. Wie zich vergist en toch op een ander had willen stemmen, mag een nieuw stembiljet vragen (en het oude met de verkeerde stem inleveren bij het stembureau). De meeste stemlokalen gaan morgen om zeven uur ‘s morgens open om pas weer om negen uur ’s avonds te sluiten.

Werken Een werkgever moet zijn werknemers in de gelegenheid stellen om te gaan stemmen. Een werknemer die ook buiten werktijd kan stemmen, mag van zijn baas niet vergen dat ie dat tijdens werktijd kan doen.

Stembureau De kiezer ontvangt een stembiljet uit handen van het stembureau, de voorzitter daarvan. In elk stemlokaal is een stembureau aanwezig. Het stembureau bestaat uit minstens drie kiesgerechtigden (en hooguit zeven), die achter dezelfde tafel zitten. Het is de gemeente die hen heeft benoemd, en één van hen tot voorzitter. De kiesgerechtigde die een geldige stempas en identiteitsbewijs kan laten zien, ontvangt een stembiljet. De voorzitter heeft samen met een aangewezen lid specifieke taken bij de controle van de geldigheid van stempas en identiteitsbewijs. Een ander aangewezen lid let erop of de kiezer het stembiljet in de stembus doet. Het voltallige stembureau wijst aan wie van hen deze twee leden zullen zijn. Dit besluit wordt bij meerderheid genomen; de voorzitter beslist als de ”stemmen” staken. Deze twee leden zijn tevens de plaatsvervangers van de voorzitter.

Het voltallige stembureau gaat ook over het tellen der stemmen, de stemopneming. Natuurlijk gebeurt dat pas na sluiting van het stemlokaal. Geteld wordt bijvoorbeeld hoeveel geldige stemmen zijn uitgebracht op een lijst en hoeveel op de afzonderlijke kandidaten van die lijst. Het ene lid van het stembureau kan oordelen dat een stem geldig is, terwijl een ander lid die stem als ongeldig beoordeelt. In dat geval besluit het voltallige stembureau over de geldigheid van die stem, bij meerderheid, en bij het staken der ”stemmen” beslist de voorzitter .

Hoofdstembureau De gemeentelijke informatie die kiesgerechtigden in de afgelopen weken hebben ontvangen, bevatte onder andere een heel groot vel papier dat tot A4-formaat is opgevouwen, met daarop de kandidatenlijsten. Op de ene zijde de lijsten voor de provinciale verkiezingen en aan de andere kant de lijsten voor de waterschapsverkiezingen. Deze kandidatenlijsten staan op dezelfde manier vermeld op het stembiljet dat de kiezer in het stemlokaal wordt overhandigd. Dan krijgt hij twee papieren stembiljetten, voor beide verkiezingen een. Op de zijde van de provinciale verkiezingen staat de naam van een kieskring vermeld. Sommige provincies hebben één kieskring (Groningen), anderen hebben er twee (Limburg), drie (Noord-Holland) of zelfs vier (Zuid-Holland). Hoewel een provincie dus uit meer kieskringen kan bestaan, valt elk waterschap samen met één (eigen) kieskring. Elke kieskring heeft één hoofdstembureau. Hier worden de tellingen van alle stembureaus uit dezelfde kieskring bij elkaar opgeteld. Het kieskringtotaal van alle stemmen op één kandidaat heet stemcijfer.

Centraal Stembureau Ten slotte is er nog een centraal stembureau. Daarvan is er in het hele land maar één. Dit bureau telt de tellingen van alle kieskringen van een provincie bij elkaar op, en stelt daarmee voor elke provincie en elk waterschap de uitslag van de verkiezingen vast. Voor de waterschappen en voor een aantal provincies volgde die uitslag al uit de tellingen van hun hoofdstembureau.

Aftreden De huidige Statenleden en leden van het algemeen bestuur van het waterschap treden af ergens tussen aanstaande vrijdag en volgende week vrijdag.

BRONNEN:

Onderstaande artikelen zijn hele of gedeeltelijke artikelen afkomstig uit de Kieswet en het Kiesbesluit.

”Stempas”

Artikel J 7 luidt: Ten minste veertien dagen voor de stemming ontvangt elke kiezer die bevoegd is aan de stemming deel te nemen, van de burgemeester van de gemeente waar hij op de dag van de kandidaatstelling als kiezer is geregistreerd, een stempas.

”Stemlokaal”

Artikel J 4 luidt: Burgemeester en wethouders wijzen voor elk stembureau een geschikt stemlokaal aan. Op verzoek van burgemeester en wethouders stellen de besturen van bijzondere scholen de daarvoor in aanmerking komende lokalen en het zich daarin bevindende materiaal voor de inrichting en het gebruik als stemlokaal beschikbaar, desgewenst tegen vergoeding van de daaruit voortvloeiende onkosten. De burgemeester draagt zorg voor de inrichting van het stemlokaal en wijst zo nodig personen aan die het stembureau ten dienste worden gesteld. Artikel J 4: In elk stemlokaal bevindt zich een zodanig aantal stemhokjes dat een goede voortgang van de stemming is gewaarborgd. Artikel J 5: In elk stemhokje bevindt zich een lessenaar met rood schrijfmateriaal. Artikel J 26: De kiezer gaat na ontvangst van het stembiljet naar een stemhokje en stemt aldaar door een wit stipje, geplaatst vóór de kandidaat van zijn keuze, rood te maken. Hij vouwt vervolgens het stembiljet dicht en gaat daarmee naar het stembureau.

§ 3. Gecombineerde stemmingen voor de verkiezing van de leden van provinciale staten en de leden van het algemeen bestuur: Artikel J 13: De stembescheiden voor de verschillende stemmingen zijn voldoende van elkaar te onderscheiden. Artikel J 14: In het stemlokaal is er zowel voor de stemming voor de verkiezing van de leden van provinciale staten als voor de stemming voor de verkiezing van de leden van de algemene besturen ten minste één afzonderlijke stembus. De verschillende stembussen zijn voldoende van elkaar te onderscheiden. Artikel J 6a: De stemmingen voor de verkiezing van de leden van provinciale staten en de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur vinden in dezelfde stemlokalen plaats.

Artikel J 27: Indien een kiezer zich bij de invulling van zijn stembiljet vergist, geeft hij dit aan de voorzitter terug. Deze verstrekt hem op zijn verzoek eenmaal een nieuw biljet.

Artikel J 1: De stemming vangt aan om zeven uur dertig en duurt tot eenentwintig uur. Lid 3. Burgemeester en wethouders kunnen voor stembureaus waar dat wenselijk is met het oog op de plaats waar de bureaus zitting houden bepalen dat de stemming in deze stembureaus aanvangt op een eerder of een later tijdstip dan zeven uur dertig en eindigt op een eerder tijdstip dan eenentwintig uur.

”Werken”

Artikel J 10: Iedere werkgever is verplicht te zorgen dat iedere kiezer die bij hem in dienstbetrekking is, de gelegenheid krijgt zijn stem uit te brengen voor zover dit niet kan geschieden buiten de vastgestelde arbeidstijd en mits de kiezer daardoor niet meer dan twee uur verhinderd is zijn arbeid te verrichten.

”Stembureau”

Artikel J 16: In het stemlokaal zijn geplaatst een tafel voor het stembureau en een of meer stembussen en stemhokjes. Artikel J 12: Het stembureau bepaalt wie als tweede en derde lid van het stembureau optreden. Bij ontstentenis van de voorzitter treedt het tweede lid en bij diens ontstentenis het derde lid als voorzitter op. Artikel E 1 Kiesbesluit: Het stembureau bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zeven leden. Artikel E 3 De stembureaus voor de verkiezing van de leden van provinciale staten zijn tevens de stembureaus voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur. Artikel E 4: Burgemeester en wethouders benoemen tijdig voor elke verkiezing de leden van elk stembureau en een voldoend aantal plaatsvervangende leden. Als lid en plaatsvervangend lid van het stembureau kunnen worden benoemd degenen die op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en na het volgen van een training naar het oordeel van burgemeester en wethouders over voldoende kennis en vaardigheden beschikken op het terrein van het verkiezingsproces. Artikel J 25: De kiezer overhandigt aan de voorzitter van het stembureau het in artikel J 24, eerste lid, onder a, genoemde identiteitsdocument, en de stempas. Indien de voorzitter constateert dat de kiezer niet beschikt over een geldig identiteitsdocument, wordt de kiezer niet toegelaten tot de stemming. Indien de kiezer beschikt over een geldig identiteitsdocument en een geldige stempas en de identiteit op beide documenten overeenkomt, neemt het tweede lid van het stembureau de stempas in en wordt de kiezer toegelaten tot de stemming. Vervolgens overhandigt de voorzitter aan de kiezer een stembiljet. Artikel J 26: 3: Het derde lid van het stembureau ziet erop toe, dat de kiezer het stembiljet in de stembus steekt.

”Stemopneming”

Artikel N 6: Het stembureau stelt ten aanzien van iedere lijst vast: a. het aantal op iedere kandidaat uitgebrachte stemmen; b. de som van de aantallen stemmen, bedoeld onder a. Daarnaast stelt het stembureau vast: a. het aantal blanco stemmen; b. het aantal ongeldige stemmen. Artikel N 8: Het stembureau beslist over de geldigheid van het stembiljet. Artikel J 13: Indien bij het nemen van een beslissing door het stembureau de stemmen staken, beslist de stem van de voorzitter.

”Hoofdstembureau”

Artikel J 1: De burgemeester bezorgt de kandidatenlijsten, de adressen en de openingstijden van de stemlokalen uiterlijk op de vierde dag voor de stemming aan het adres van de kiezers. Artikel J 20: Op bij de verkiezingen te bezigen stembiljetten kunnen kiezers een keuze maken uit de kandidaten over wie de stemming moet geschieden. De stembiljetten zijn voorzien van de handtekening van de voorzitter van het centraal stembureau alsmede van de naam van het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de verkiezing geldt en een aanduiding van de kieskring.

Artikel E 6: Voor de verkiezing van de leden van provinciale staten wordt voor elke kieskring een hoofdstembureau ingesteld. Het is gevestigd in de gemeente, daartoe aangewezen door provinciale staten. Artikel E 1: Voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur vormt elk waterschap één kieskring. Artikel O 2: Het hoofdstembureau stelt ten aanzien van iedere lijst vast het aantal op iedere kandidaat uitgebrachte stemmen en de som van deze aantallen. Deze som wordt stemcijfer genoemd.

”Centraal Stembureau”

Artikel P 1: Onmiddellijk nadat de processen-verbaal van alle hoofdstembureaus zijn ontvangen, gaat het centraal stembureau over tot het verrichten van de werkzaamheden ter vaststelling en bekendmaking van de uitslag van de verkiezing.

”Aftreden”

Artikel C 4: Zij treden tegelijk af met ingang van de donderdag in de periode van 23 tot en met 29 maart.

Man/vrouw verdeling op de kandidatenlijsten bij de verkiezingen in Zuid-Holland

DINSDAG 12 MAART 2019 Afgelopen vrijdag was het Internationale Vrouwendag. Volgende week woensdag zijn de Provinciale Statenverkiezingen. Hoe ziet voor Zuid-Holland de verdeling van vrouwen en mannen op de kandidatenlijsten eruit?

De Staten De Provinciale Staten van Zuid-Holland bestaan uit 55 leden. Bij de laatste verkiezingen (in 2015) hebben elf politieke partijen een of meer zetels gewonnen. Toch zijn er momenteel dertien fracties. Dat heeft te maken met enkele afscheidingen/afsplitsingen en met twee partijen waarvan de volksvertegenwoordigers samen één fractie vormen. In deze bijdrage wordt uitgegaan van de zetels die de elf politieke partijen in 2015 ieder voor zich hebben gewonnen.

16 lijsten 16 politieke partijen hebben voor de verkiezingen van volgende week een kandidatenlijst: de elf die in 2015 zetels hebben gewonnen en nog vijf partijen die toen niet meededen of toen geen zetels hebben gewonnen.

Aantal kandidaten Het aantal kandidaten op de ingediende lijsten varieert van 14 tot 50. 50 kandidaten is het maximumaantal volgens de wet, tenminste voor een lijst die bij de laatste verkiezingen hooguit vijftien zetels heeft gewonnen. Geen enkele lijst in Zuid-Holland heeft echter meer dan tien zetels gekregen.

Aantal vrouwen Het aantal vrouwen op een lijst varieert van 0 (SGP) tot 27 (CDA). Bij het CDA is daarmee – als enige partij – meer dan de helft van de 50 kandidaten vrouw. Er zijn er twee met een fiftyfifty verdeling: Partij voor de Dieren met 10 vrouwen (van de 20 kandidaten) en PvdA met 25 (van de 50). Boven de 40% scoren achtereenvolgens GroenLinks met 22 (van de 50), ChristenUnie met 19 (van de 46) en VVD met 20 (van de 48). Tussen de 25% en 35% scoren respectievelijk DENK met 17 (van de 50), SP met 9 (van de 30), NIDA met 4 (van de 14) en D66 met 13 (van de 50). Net iets boven de 20% doen 50PLUS met 4 (van de 18) en Code Oranje met 3 (van de 14). Rond de 15% doen Lokale Partijen Zuid Holland met 5 (van de 31) en PVV met 3 (van de 20). Ten slotte de SGP met 0 (van de 30).

Op de bovenste helft Hoeveel van hen staan op de de bovenste helft van de lijst? Dat laat een ander beeld zien. De VVD scoort dan het beste met 65% (13 van de 20), Code Oranje met 66% (2 van de 3) en Lokale Partijen Zuid Holland met 60% (3 van de 5). Tussen de 50% en 60% scoren achtereenvolgens SP met 55% (5 van de 9), D66 met 53% (7 van de 13), PvdA met 52% (13 van de 25) en GroenLinks met 50% (11 van de 22), net als 50PLUS (2 van de 4) en NIDA (2 van de 4). Minstens de helft van de vrouwen staat bij deze partijen op de bovenste helft van de lijst. Bij de andere partijen staan er minder vrouwen op de bovenste helft dan op de onderste helft van de lijst. Dat is bij CDA 44% (12 van de 27), ChristenUnie 42% (8 van de 19) en Partij voor de Dieren 40% (4 van de 10). Bij PVV is dat nog maar 33% (1 van de 3) en bij DENK 29% (5 van de 17).

Numéro Une Bij vijf partijen is een vrouw lijsttrekker: D66, CDA, PvdA, SP en Partij voor de Dieren. Bij D66 en Partij voor de Dieren is ook de nummer 2 een vrouw. VVD, GroenLinks en Code Oranje hebben weliswaar een man als lijsttrekker, maar bij hen staat een vrouw wel op de tweede plaats.

Kansvolle plek Zoals dat altijd het geval is met lijsttrekkers – man of vrouw – zullen zij waarschijnlijk veel meer stemmen krijgen dan nodig is voor hun eigen zetel. De stemmen die ze ”te veel” krijgen gaan naar de volgende kandidaten op de lijst, in de volgorde waarop ze op de lijst staan. Hoeveel vrouwen zijn er onder de kandidaten die op een kansrijke plek staan, inclusief de lijsttrekster? Eenvoudigheidshalve wordt het aantal kansvolle plekken in deze bijdrage gesteld op het aantal zetels dat de partij bij de laatste verkiezingen heeft gewonnen,. Ook dat laat weer een ander beeld zien. Bij de Partij voor de Dieren staan alle vrouwen op een kansrijke plek (2 zetels), bij SP is dat 80% van hen (5 zetels), bij GroenLinks 66% (3 zetels), bij PvdA 60% (5 zetels) en bij de VVD 50% (10 zetels). Bij de VVD wisselen man en vrouw elkaar steeds af. Tot zover de partijen waar de helft of meer een kansrijke plek bezit. Minder goed scoren achtereenvolgens D66 met 43% (7 zetels), ChristenUnie met 33% (3 zetels), CDA met 28% (7 zetels), PVV met 12% (8 zetels). 0% is de score bij SGP (3 zetels) en 50PLUS (2 zetels).

Geen wet Er is in Nederland geen wet met voorschriften voor aantal of volgorde van vrouwen of mannen op een kandidatenlijst voor de provinciale statenverkiezingen, of voor welke verkiezingen dan ook. In sommige andere landen is dat wel het geval. Zo moet in Frankrijk op de kandidatenlijsten voor de regionale verkiezingen na elke man een vrouw volgen en na elke vrouw een man.

FvD Forum voor Democratie doet ook mee aan de verkiezingen in Zuid-Holland, maar komt in deze bijdrage niet voor omdat uit de kandidatenlijst van deze partij niet kan worden afgeleid of een kandidaat man of vrouw is. Op de kandidatenlijsten van de andere partijen staat bij elke kandidaat (m) of (v) en/of de roepnaam vermeld. Bij FvD ontbreken deze gegevens. Het is trouwens geen wettelijke plicht om deze gegevens te vermelden.

BRONNEN:

Onderstaande Franse wetsbepalingen zijn afkomstig van DILA. Code électoral. Version consolidée au 1 janvier 2019. www.legifrance.gouv.fr

”Aantal kandidaten”

Artikel H 6 Kieswet luidt: De namen van de kandidaten worden op de lijsten geplaatst in de volgorde waarin aan hen de voorkeur wordt gegeven. Op dezelfde lijst mogen de namen van ten hoogste vijftig kandidaten worden geplaatst. Op dezelfde lijst van een politieke groepering wier aanduiding was geplaatst boven een kandidatenlijst waaraan bij de laatstgehouden verkiezing van de leden van het desbetreffende vertegenwoordigend orgaan meer dan vijftien zetels zijn toegekend, mag een aantal namen worden geplaatst dat ten hoogste tachtig bedraagt. Het bepaalde in de vorige volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van samenvoeging van aanduidingen van twee of meer groeperingen.

”Kansvolle plek”

Artikel P 17 Kieswet luidt (gedeeltelijk): De zetels (…) worden aan de nog niet gekozen kandidaten van de desbetreffende lijsten toegewezen in de volgorde van de lijst.

”FvD”

Artikel H 2 van het Kiesbesluit luidt (gedeeltelijk): Een kandidaat wordt op de kandidatenlijst vermeld met naam, voorletters (..). Achter de voorletters kan tussen haakjes de roepnaam van de kandidaat worden vermeld. Achter de voorletters of, indien vermeld, de roepnaam, mag ter aanduiding van het geslacht van de kandidaat de toevoeging «(m)» of «(v)» worden geplaatst.

”Geen wet”

Elections des conseillers régionaux.

Artikel L 346 Code électoral luidt (gedeeltelijk): Une déclaration de candidature est obligatoire pour chaque liste de candidats avant chaque tour de scrutin. Le nombre de candidats figurant sur les sections départementales de chaque liste est fixé conformément au tableau n° 7 annexé au présent code. Au sein de chaque section, la liste est composée alternativement d’un candidat de chaque sexe.

Lijsttrekkersdebat Eerste Kamer op TV

DINSDAG 19 FEBRUARI 2019 Afgelopen zondag is het eerste televisiedebat gehouden voor de provinciale verkiezingen van 20 maart aanstaande. Dat zijn de verkiezingen van de provinciale staten, het parlement dat elke provincie heeft. De provincie is een bestuurslaag tussen gemeenten en nationale overheid in, en gaat bijvoorbeeld over openbaar vervoer en ruimtelijke ordening. Afgelopen zondag is echter gedebatteerd over Nederland in Europa, het nationaal klimaatbeleid en wie bereid is steun te verlenen aan Rutte-III. Provinciale onderwerpen zijn niet aan bod gekomen. Wat is er aan de hand?

Eerste Kamer Het was een debat tussen de lijsttrekkers van GroenLinks, Forum voor Democratie, PvdA, CDA, VVD en D66, de lijsttrekkers voor de Eerste Kamer. De Eerste Kamerverkiezing vindt plaats op 27 mei aanstaande. Welke relatie is er tussen deze verkiezing en de provinciale verkiezingen? De nieuwe Eerste Kamer wordt gekozen door de leden van de twaalf provinciale staten die op 20 maart worden gekozen (plus door Caribisch Nederland).

570 kiezers Op 27 mei zullen daarom 570 statenleden de 75 leden van de Eerste Kamer kiezen. Het ligt voor de hand dat een statenlid stemt op een kandidaat-Kamerlid van de eigen partij: een CDA-statenlid stemt op een kandidaat-Kamerlid van het CDA, een GroenLinks-statenlid op een kandidaat-Kamerlid van GroenLinks, enzovoorts. De Nederlandse inwoners van een provincie kiezen de statenleden van hun provincie op 20 maart. Deze keuze is tevens een keuze voor de (politieke samenstelling van de) Eerste Kamer vanaf 27 mei, al is dat dan ook een indirecte keuze. Dit is een belangrijke reden dat in het kader van de provinciale verkiezingen lijsttrekkers voor de Eerste Kamer met elkaar televisiedebatten aangaan over nationale onderwerpen (die weinig of niets met provinciaal beleid van doen hebben).

Burger Eigenlijk brengt de burger op 20 maart dus twee stemmen uit: een voor het provinciaal bestuur en een voor de Eerste Kamer. Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat een kiezer voor het provinciaal bestuur op een kandidaat van de ene partij wil stemmen en voor de Eerste Kamer op een kandidaat van een andere partij. Hij zal dan moeten beslissen welke keuze voorrang krijgt, zoals ook de Staatscommissie parlementair stelsel vorig jaar schreef in haar eindrapport Lage Drempels, Hoge Dijken. Democratie en rechtsstaat in balans (bladzijde 308). Toch is de staatscommissie er geen voorstander van om de burger twee echte stemmen te geven, een keer voor het provinciaal bestuur en een keer voor de Eerste Kamer. De Staatscommissie is geen voorstander van directe verkiezing van de Eerste Kamer (bladzijde 309).

7000 kiezers Directe verkiezing van de Eerste Kamer is natuurlijk niet de enige oplossing van deze keuzestress. Een andere oplossing is om de Eerste Kamer te laten kiezen door gemeenteraadsleden. Het is waar dat de burgers ook de gemeenteraden kiezen, maar er zijn belangrijke verschillen. Zo is het aantal gemeenteraadsleden veel groter (7000 in plaats van 570) en worden in gemeenteraden veel meer volksvertegenwoordigers gekozen voor (lokale) partijen die niet in de Eerste Kamer zijn vertegenwoordigd.

Franse Eerste Kamer Er zijn landen waar de Eerste Kamer wordt gekozen door de gemeenteraadsleden. Bijvoorbeeld Frankrijk; de senaat wordt hier (vrijwel uitsluitend) gekozen door de gemeenteraadsleden.

Buitenlandse kiezers De staatscommissie is hier evenmin voorstander van, omdat buitenlandse kiezers die hier wonen hun stem mogen uitbrengen voor de gemeenteraad en op die manier indirect invloed krijgen op de samenstelling van de Eerste Kamer (bladzijde 310), en dat is onwenselijk. Voor de gemeenteraad zijn buitenlanders die uit de Europese Unie komen sowieso kiesgerechtigd. Andere buitenlanders – bijvoorbeeld vluchtelingen – kunnen ook kiesgerechtigd zijn; daarvoor moeten zij in elk geval vijf jaar een verblijfsvergunning hebben. Wie als buitenlander kiesgerechtigd is, mag zich ook kandidaat stellen voor de gemeenteraad.

Electoraat van Franse Eerste Kamer? Hoe wordt daarover in Frankrijk gedacht? Buitenlanders die uit de Europese Unie komten, zijn in Frankrijk – net als in Nederland – kiesgerechtigd voor de gemeenteraad. Andere buitenlanders – zoals vluchtelingen – komen daarvoor niet in aanmerking, anders dan in ons land. Hoe dan ook: de EU-kiezers hebben daardoor indirect invloed op de samenstelling van de Franse Eerste Kamer, de Sénat. Zij mogen zich ook kandidaat stellen voor de gemeenteraad. Echter, de gemeenteraadsleden uit de EU mogen niet meedoen aan de verkiezing van de Franse Eerste Kamer, Sénat.

BRONNEN:

Onderstaande Franse wetsbepalingen zijn afkomstig van DILA. Constitution Version consolidée https://www.legifrance.gouv.fr/affichCode.do?cidTexte=LEGITEXT000006070239 au premier janvier 2019

”Eerste Kamer”

Artikel Q 1 van de Kieswet luidt (gedeeltelijk): De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten.

‘570 kiezers”

Artikel B 2 van de Kieswet luidt: De leden van provinciale staten worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van de provincie, mits zij Nederlander zijn en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

”Burger”

Staatscommissie, Eindrapport :LAGE DREMPELS, HOGE DIJKEN Democratie en rechtsstaat in balans Eindrapport van de staatscommissie parlementair stelsel 2018

”7000 kiezers”

Artikel B3 Kieswet (gedeeltelijk): Lid 1. De leden van de gemeenteraden worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van de gemeente en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. Lid 2. Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, dienen om kiesgerechtigd te zijn op de dag van de kandidaatstelling tevens te voldoen aan de vereisten dat: a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l van de Vreemdelinenwet 2000 of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag van de kandidaatstelling gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel op grond van artikel 3 of artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES.

”Franse Eerste Kamer”

Artikel L280 Code électoral luidt: La composition du collège électoral appelé à élire les sénateurs assure, dans chaque département, la représentation des différentes catégories de collectivités territoriales et de la diversité des communes, en tenant compte de la population qui y réside.

Ce collège électoral est composé :1° Des députés et des sénateurs ; 2° Des conseillers régionaux de la section départementale correspondant au département et des conseillers de l’Assemblée de Corse désignés dans les conditions prévues par le titre III bis du présent livre ; 2° bis Des conseillers à l’assemblée de Guyane et des conseillers à l’assemblée de Martinique ; 3° Des conseillers départementaux ; 4° Des délégués des conseils municipaux ou des suppléants de ces délégués.

Artikel L284 luidt: Les conseils municipaux élisent parmi leurs membres dans les communes de moins de 9 000 habitants :

– un délégué pour les conseils municipaux de sept et onze membres ;

– trois délégués pour les conseils municipaux de quinze membres ;

– cinq délégués pour les conseils municipaux de dix-neuf membres ;

– sept délégués pour les conseils municipaux de vingt-trois membres ;

– quinze délégués pour les conseils municipaux de vingt-sept et vingt-neuf membres.

Dans le cas où le conseil municipal est constitué par application des articles L. 2113-6 et L. 2113-7 du code général des collectivités territoriales relatif aux fusions de communes dans leur rédaction antérieure à la loi n° 2010-1563 du 16 décembre 2010 de réforme des collectivités territoriales, le nombre de délégués est égal à celui auquel les anciennes communes auraient eu droit avant la fusion.

Artikel L285 luidt: Dans les communes de 9 000 habitants et plus, tous les conseillers municipaux sont délégués de droit.En outre, dans les communes de plus de 30 000 habitants, les conseils municipaux élisent des délégués supplémentaires à raison de 1 pour 800 habitants en sus de 30 000.

”Buitenlandse kiezers”

Artikel B3 Kieswet luidt (gedeeltelijk): Lid 1. De leden van de gemeenteraden worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van de gemeente en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. Lid 2. Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, dienen om kiesgerechtigd te zijn op de dag van de kandidaatstelling tevens te voldoen aan de vereisten dat: a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l van de Vreemdelinenwet 2000 of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag van de kandidaatstelling gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel op grond van artikel 3 of artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES.

Artikel 10 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Voor het lidmaatschap van de raad is vereist dat men ingezetene van de gemeente is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht. Lid 2. Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, dienen tevens te voldoen aan de vereisten dat: a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l van de Vreemdelinenwet 2000 of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop de gemeenteraad beslist over de toelating als lid tot de gemeenteraad gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel rechtmatig in Nederland verbleven op grond van artikel 3 of artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES.

Artikel 10 Provinciewet luidt: Voor het lidmaatschap van provinciale staten is vereist dat men Nederlander en ingezetene van de provincie is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

”Electoraat van Franse Eerste Kamer”

Artikel LO 227-1 van de Code électoral luidt (gedeeltelijk): Les citoyens de l’Union européenne résidant en France, autres que les citoyens français, peuvent participer à l’élection des conseillers municipaux dans les mêmes conditions que les électeurs français, sous réserve des dispositions de la présente section.

Les personnes mentionnées au premier alinéa sont considérées comme résidant en France si elles y ont leurdomicile réel ou si leur résidence y a un caractère continu. Pour l’application de la présente section, l’élection des membres du Conseil de Paris est assimilée à celle des conseillers municipaux.

Artikel L228 luidt: Sont éligibles au conseil municipal tous les électeurs de la commune et les citoyens inscrits au rôle des contributions directes ou justifiant qu’ils devaient y être inscrits au 1er janvier de l’année de l’élection.

Artikel L228-1 luidt: Sont en outre éligibles au conseil municipal ou au Conseil de Paris les ressortissants des Etats membres del’Union européenne autres que la France qui :

a) Soit sont inscrits sur la liste électorale complémentaire de la commune ;

b) Soit remplissent les conditions légales autres que la nationalité française pour être électeurs et être inscritssur une liste électorale complémentaire en France et sont inscrits au rôle d’une des contributions directes de la commune ou justifient qu’ils devaient y être inscrits au 1er janvier de l’année de l’élection.

Artikel LO286-1 luidt: Les conseillers municipaux et les membres du Conseil de Paris qui n’ont pas la nationalité française ne peuvent ni être membres à un titre quelconque du collège électoral sénatorial ni participer à l’élection à ce collège de délégués, de délégués supplémentaires et de suppléants.

Artikel LO286-2 luidt: Dans les communes dont tous les conseillers municipaux sont délégués de droit, les conseillers municipaux qui n’ont pas la nationalité française sont remplacés au collège électoral des sénateurs et lors de la désignation des délégués supplémentaires et suppléants par les candidats français venant immédiatement après le dernier candidat élu de la liste sur laquelle ils se sont présentés à l’élection municipale.

Provincie Utrecht teert wekelijks 2,6 miljoen euro in op reserves

DONDERDAG 14 FEBRUARI 2019 Een belangrijke inkomstenbron voor provincies is het Provinciefonds. Elke provincie ontvangt uit dit fonds uitkeringen van het Rijk. Utrecht moet het voorlopig met een gekorte uitkering doen; dat betekent 2,6 miljoen Euro minder, per week. Wat is er aan de hand?

Jaarrekening De Utrechtse jaarrekening over 2017 is nog niet vastgesteld. Gedeputeerde staten van een provincie – GS – moeten elk jaar de rekening opstellen van de baten en lasten en van de grootte en samenstelling van het vermogen: de jaarrekening. Die jaarrekening wordt per kalenderjaar opgesteld. GS zijn het dagelijks bestuur van een provincie. Ze leggen met de jaarrekening verantwoording af aan Provinciale Staten, dat is het algemeen bestuur van een provincie. Provinciale staten – PS – wordt gevraagd om deze jaarrekening vast te stellen. PS verlenen décharge aan GS, als ze de jaarrekening vaststellen.

Accountant PS mogen de jaarrekening niet vaststellen zonder accountantsverklaring. De accountantsverklaring wordt afgegeven door een accountant. Een accountant geeft zo’n verklaring pas af na controle van de jaarrekening en als uit die controle blijkt dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de baten en lasten en van de grootte en samenstelling van het vermogen. PS wijzen aan wie de accountant moet worden. De Utrechtse PS hebben accountantskantoor Ernst & Young (EY) aangewezen. EY weigert de accountantsverklaring voor de jaarrekening 2017 af te geven.

Tram EY weigert de accountantsverklaring af te geven in verband met een post van 10 miljoen Euro die te maken heeft met de aanleg van de Uithoflijn, een tramverbinding tussen Utrecht Centraal en universiteitscomplex Uithof, 8 kilometer verderop.

60% Elke provincie moet de vastgestelde jaarrekening met de accountantsverklaring vóór 15 juli naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken sturen. Anders mag het Rijk de uitkering uit het Provinciefonds opschorten. De jaarrekening 2017 moet vóór 15 juli 2018 zijn opgestuurd. De provincie Utrecht heeft anno 2019 nog steeds geen jaarrekening 2017 opgestuurd. De minister heeft daarom besloten om (het voorschot op) de uitkering per 1 januari jl. te korten met 60%, dat betekent wekelijks 2,6 miljoen Euro minder uitkering voor Utrecht. Het is een tijdelijke maatregel, maar het ministerie kan niet aangeven hoe lang hij duurt. Trouwens, als alles weer in orde komt, kan Utrecht de volledige uitkering alsnog tegemoet zien.

Geen shutdown De lagere uitkering betekent voor Utrecht minder inkomsten. In de krant staat dat Utrecht dankzij haar financiële reserves voorlopig al haar begrote uitgaven kan blijven doen, zoals uitbetaling van salarissen en openstelling van openbare parken en diensten. Dat is een groot verschil met de situatie in de VS: de shutdown aldaar. De shutdown in de VS is het gevolg van begrotingsperikelen: de federale begroting is daar niet op tijd vastgesteld. In Utrecht is niet de vaststelling van de begroting overdue maar de vaststelling van de jaarrekening. Als het in Utrecht de begroting 2019 was geweest die niet op tijd was vastgesteld – dat wil zeggen vóór 1 januari – dan zou Utrecht – net als de federale overheid in de VS – geen uitgaven mógen doen.

Wel (weer) shutdown De vaststelling van de federale begroting in de VS is onder andere problematisch vanwege de muur die President Trump wil bouwen aan de Mexicaanse grens, om de migranten uit Midden- en Zuid-Amerika tegen te houden. Daarvoor is een begrotingspost nodig. Vaststelling van de begroting is niet mogelijk zonder medewerking van het Huis van Afgevaardigden. Dat Huis heeft sinds begin januari een meerderheid van Democrats. Zij zien die muur niet zitten, en weigeren daarom hun medewerking. President Trump wil de muur echter niet uit zijn ingediende begroting halen. Eind januari is een ”bestand” gesloten tussen Huis en President, waarmee de shutdown tijdelijk is opgeheven. Dat bestand loopt morgen trouwens alweer af!

BRONNEN:

”Jaarrekening”

Artikel 201 Provinciewet luidt (gedeeltelijk): Gedeputeerde staten leggen aan provinciale staten over elk begrotingsjaar verantwoording af over het door hen gevoerde bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag.

Artikel 202 luidt (gedeeltelijk): Provinciale staten stellen de jaarrekening en het jaarverslag vast in het jaar volgend op het begrotingsjaar. De jaarrekening betreft alle baten en lasten van de provincie.

Artikel 203 luidt: Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van gedeputeerde staten ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer.

”Accountant”

Artikel 201 Provinciewet luidt: Lid 1. Gedeputeerde staten leggen aan provinciale staten over elk begrotingsjaar verantwoording af over het door hen gevoerde bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag. Lid 2. Gedeputeerde staten voegen daarbij de verslagen, bedoeld in artikel 217a, tweede lid. Lid 3. Provinciale staten leggen de in het eerste en tweede lid, alsmede de in artikel 217, derde en vierde lid, bedoelde stukken, wanneer de bespreking daarvan geagendeerd is op de in artikel 19, tweede lid bedoelde wijze, voor een ieder ter inzage en stellen ze algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. Provinciale staten beraadslagen over de jaarrekening en het jaarverslag niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.

Artikel 217 luidt (gedeeltelijk): Lid 2. Provinciale staten wijzen een of meer accountants aan (..) belast met de controle van de in artikel 201 bedoelde jaarrekening en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een verslag van bevindingen. Lid 3. De accountantsverklaring geeft op grond van de uitgevoerde controle aan of: a. de jaarrekening een getrouw beeld geeft van zowel de baten en lasten als de grootte en de samenstelling van het vermogen; b. de baten en lasten, alsmede de balansmutaties rechtmatig tot stand zijn gekomen. Lid 4. Het verslag van bevindingen bevat in ieder geval bevindingen over: a. de vraag of de inrichting van het financiële beheer en van de financiële organisatie een getrouwe en rechtmatige verantwoording mogelijk maken en b. onrechtmatigheden in de jaarrekening. Lid 5. De accountant zendt de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen aan provinciale staten en een afschrift daarvan aan gedeputeerde staten.

”60%”

Artikel 17b Financiële-verhoudingswet luidt (gedeeltelijk): Lid 3. Onze Ministers kunnen de betalingen op grond van artikel 15, eerste lid, aan de betreffende provincie of gemeente geheel of gedeeltelijk opschorten gedurende ten hoogste zesentwintig weken indien: a. gedeputeerde staten nalaten de informatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te zenden binnen de in dat artikellid genoemde termijn, dan wel, als uitstel is verleend, binnen de termijn waarvoor uitstel is verleend, of b. de informatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, na het verstrijken van de voorgeschreven termijn, niet is verstrekt op de wijze zoals voorgeschreven krachtens het derde lid van dat artikel. Lid 4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties doet terstond mededeling aan het desbetreffende bestuursorgaan van een besluit als bedoeld in het derde lid, met vermelding van de mate waarin en de periode waarvoor de betalingen ten hoogste geschorst worden. De betalingen worden hervat in de week nadat de informatie is verstrekt op de wijze zoals voorgeschreven krachtens het derde lid van artikel 17a.

Artikel 17a lid 1 luidt (gedeeltelijk): Gedeputeerde staten zenden de informatie ten behoeve van de verantwoording over de uitvoering van de regeling van een specifieke uitkering uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de vorm van: a. de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 202, eerste lid, van de Provinciewet en b. de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 217, derde en vierde lid, van de Provinciewet.

Artikel 15 eerste lid luidt: Onze Ministers doen betalingen uit de fondsen aan de provincies en de gemeenten, zo nodig vooruitlopend op de vaststelling van de uitkeringen over het uitkeringsjaar.

”Geen shutdown”

Artikel 193 Provinciewet luidt: Lid 1. Voor alle taken en activiteiten brengen provinciale staten jaarlijks op de begroting de bedragen die zij daarvoor beschikbaar stellen, alsmede de financiële middelen die zij naar verwachting kunnen aanwenden. Lid 2. Provinciale staten zien erop toe dat de begroting structureel en reëel in evenwicht is. Hiervan kunnen zij afwijken indien aannemelijk is dat het structureel en reëel evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal worden gebracht. Lid 3. Behoudens het bepaalde in de artikelen 212 en 213 kunnen ten laste van de provincie slechts lasten en daarmee overeenstemmende balansmutaties worden genomen tot de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht. Lid 4. Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.

Artikel 195 luidt (gedeeltelijk): Provinciale staten stellen de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

Artikel 196 luidt (gedeeltelijk): Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.

IPO, wolvenplan en de provincie

DINSDAG 29 JANUARI 2019 Afgelopen donderdag is het Interprovinciaal wolvenplan vastgesteld. Dat gaat over de wettelijke bescherming die de wolf in Nederland geniet, over de schade die hij kan aanrichten (aan reeën en schapen, aan honden) en de vergoeding en/of preventie van die schade, over de bedreiging die de wolf voor de mens vormt en over de (onwenselijke) kruising tussen wolf en hond (hybridisatie). Wie heeft dit wolvenplan gemaakt?

Beschermen Het zijn de provincies die wettelijk verantwoordelijk zijn voor behoud en herstel van de in het wild levende wolf in ons land, de Canis lupus. Deze diersoort geniet een wettelijke bescherming: hij mag daarom niet gedood of verstoord worden. De provincie mag van dit verbod soms vrijstelling of ontheffing verlenen.

Provincie Elke provincie is daarvoor in eigen gebied verantwoordelijk. Het Interprovinciaal wolvenplan richt zich echter op het hele land. De keuze voor een landelijk plan heeft ermee te maken dat het leefgebied zich meestal niet beperkt tot het gebied van één provincie.

IPO Het Interprovinciaal wolvenplan is vastgesteld door het IPO: IPO is de afkorting voor Interprovinciaal Overleg. Het IPO wil beleidscoördinatie en gemeenschappelijke standpuntbepaling/besluitvorming tussen de provincies stimuleren. Het wolvenplan is daarvan een voorbeeld: het wil richting geven aan gezamenlijke beleidsuitvoering van provinciale taken rondom de wolf en de afzonderlijke provincies de basis bieden om beleid formeel te verankeren in verordeningen of beleidsregels.

Zangvereniging Het IPO is een vereniging volgens het Burgerlijk Wetboek, zoals ook de voetbalvereniging en de zangvereniging privaatrechtelijke verenigingen zijn. Het IPO is geen gemeenschappelijke regeling, want dat is publiekrechtelijk.

Twaalf ledenHet IPO is een vereniging volgens het Burgerlijk Wetboek die aan dezelfde wettelijke eisen moet voldoen als al die andere verenigingen die bij de notaris zijn opgericht. Het IPO zal dus onder anderen leden moeten hebben, een algemene vergadering (de ledenvergadering), een bestuur en statuten. IPO-leden kunnen volgens de statuten alleen maar Nederlandse provincies zijn. Het IPO is dus een vereniging van (en voor) de provincies. Elk van de twaalf provincies is er lid van. Het IPO heeft dus twaalf leden.

Stem Iedere provincie kiest twee personen die namens haar de lidmaatschapsrechten uitoefenen, in de algemene vergadering (ledenvergadering). Elke provincie – groot of klein – heeft dus evenveel vertegenwoordigers. Deze vertegenwoordigers worden gekozen door Provinciale Staten. Vertegenwoordigers moeten zelf ook Statenleden zijn. De algemene vergadering neemt allerlei besluiten. Besluiten worden genomen doordat de vertegenwoordigers hun stem uitbrengen. Elke vertegenwoordiger heeft één stem. Elke provincie – groot of klein – heeft dus evenveel stemmen. Een gewone meerderheid van stemmen is in principe genoeg voor het nemen van een besluit.

Voordracht De algemene vergadering besluit er onder andere over wie in het bestuur van het IPO zitten. Dat bestuur bestaat uit dertien personen. Bestuursleden moeten gedeputeerde of commissaris zijn. Het college van Gedeputeerde Staten van iedere provincie mag voor één bestuurder een voordracht doen. Als de algemene vergadering al die voordrachten overneemt, heeft elke provincie dus haar eigen bestuurslid. De algemene vergadering kan zo’n voordracht alleen weigeren, maar dat kan alleen met minstens twee derden van de uitgebrachte stemmen; bovendien geldt een quorumeis. Het gaat hier dus om bindende voordrachten. Het huidige bestuur is politiek als volgt samengesteld: CDA (4), VVD (3), PvdA (3), D66 (2) en SP (1).

Wolvenplan Het Interprovinciaal wolvenplan is een besluit van het bestuur van het IPO. Het bestuur neemt besluiten met een gewone meerderheid van stemmen. Elk bestuurslid heeft één stem. Het bestuurslid van een grote provincie brengt dus evenveel stemmen uit als het bestuurslid van een kleine provincie. Wat elke bestuurder stemt, is niet openbaar.

Gebonden? Is een provincie juridisch gebonden aan bestuursbesluiten? In de statuten staat dat de provincies in beginsel juridisch gebonden zijn aan cao-afspraken die het bestuur met de vakbonden maakt. Het wolvenplan bevat dit soort afspraken natuurlijk niet. In de statuten staat ook dat de algemene vergadering kan besluiten dat de provincies ook door andere bestuursbesluiten worden gebonden, tenminste voor zover het gaat om privaatrechtelijke rechtshandelingen. Het wolvenplan lijkt niet te gaan over privaatrechtelijke rechtshandelingen. Besluiten van de algemene vergadering zijn trouwens – voor zover ik weet – niet openbaar. Conclusie: provincies zijn juridisch niet op grond van de statuten gebonden aan het Interprovinciaal wolvenplan. Provincies kunnen jegens het IPO alleen verplichtingen hebben als dit uit de statuten volgt.

Ten slotte ”Een wolf is een roofdier, geen knuffel, die met respect behandeld moet worden, maar vormt niet op voorhand een bedreiging voor mensen. Menselijke activiteiten in het buitengebied als wandelen, trimmen, mountainbiken, paardrijden, jagen, vissen, kamperen enzovoort zijn in een wolventerritorium gewoon mogelijk.” Gelukkig maar!

Bronnen:

”Beschermen” en ”Provincie”

Artikel 3.5 Wet natuurbescherming luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Lid 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Lid 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

Artikel 3.8 luidt (gedeeltelijk): Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 (…), ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 (..), ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig (..); c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Bijlage IV onderdeel a van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Habitatrichtlijn) luidt (gedeeltelijk):

DIER- EN PLANTESOORTEN VAN COMMUNAUTAIR BELANG DIE STRIKT MOETEN WORDEN BESCHERMD

a) DIERSOORTEN

GEWERVELDE DIEREN

ZOOGDIEREN

CARNIVORA

Canidae

Canis lupus (uitgezonderd de Spaanse populaties ten noorden van de Duero en de Griekse populaties benoorden de 39e breedtegraad)

”IPO”

Artikel 3 Statuten van het IPO :Statuten december 2017 van het IPO: https://ipo.nl/files/6615/4176/8219/afschrift_akte_statutenwijziging.pdf

”Vereniging”

Artikel 1 van de IPO-statuten:

https://ipo.nl/files/6615/4176/8219/afschrift_akte_statutenwijziging.pdf

Artikel 40 Wet gemeenschappelijke regelingen luidt (gedeeltelijk): Provinciale staten, gedeputeerde staten en de commissarissen van de Koning van twee of meer provincies kunnen afzonderlijk of tezamen, ieder voor zover zij voor de eigen provincie bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van die provincies.

”Twaalf leden”

Artikel 5 van de IPO-statuten: 

https://ipo.nl/files/6615/4176/8219/afschrift_akte_statutenwijziging.pdf

Artikel 27 van het Burgerlijk Wetboek (Tweede Boek) luidt gedeeltelijk: Wordt een vereniging opgericht bij een notariële akte, dan moeten de volgende bepalingen in acht worden genomen. De akte bevat de statuten van de vereniging. De statuten houden in: a. de naam van de vereniging en de gemeente in Nederland waar zij haar zetel heeft; b. het doel van de vereniging; c. de verplichtingen die de leden tegenover de vereniging hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd; d. de wijze van bijeenroeping van de algemene vergadering; e. de wijze van benoeming en ontslag van de bestuurders; f. de bestemming van het batig saldo van de vereniging in geval van ontbinding, of de wijze waarop de bestemming zal worden vastgesteld.

”Stem”

Artikelen 5, 18 en 20 van de IPO-statuten:

https://ipo.nl/files/6615/4176/8219/afschrift_akte_statutenwijziging.pdf

”Voordracht”

Artikel 10 van de IPO-statuten:

https://ipo.nl/files/6615/4176/8219/afschrift_akte_statutenwijziging.pdf

”Wolvenplan”

Artikelen 14 en 20 van de IPO-statuten:

https://ipo.nl/files/6615/4176/8219/afschrift_akte_statutenwijziging.pdf

”Gebonden?”

Artikel 9 van de IPO-statuten:

https://ipo.nl/files/6615/4176/8219/afschrift_akte_statutenwijziging.pdf

Artikel 27 van het Burgerlijk Wetboek (Tweede Boek) luidt gedeeltelijk: Wordt een vereniging opgericht bij een notariële akte, dan moeten de volgende bepalingen in acht worden genomen. De akte bevat de statuten van de vereniging. De statuten houden in: c. de verplichtingen die de leden tegenover de vereniging hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd.

Waterschapsinkomsten: taxation!

VRIJDAG 21 DECEMBER 2018 Over enkele maanden zijn er weer verkiezingen voor de waterschappen (maart 2019). Waterschappen worden ook wel hoogheemraadschappen genoemd. Wekelijks staat hier een bijdrage over het waterschap of zijn verkiezing. De laatste drie bijdragen gingen over de (begrote) uitgaven en taken van (het Zuid-Hollandse) Delfland. De bijdrage van deze week gaat over de inkomsten van Delfland en (het grotendeels) Gelderse Rivierenland.

Belastingen en heffingen De inkomsten van een waterschap komen grotendeels uit eigen belastingen en heffingen. Het algemeen bestuur van het waterschap legt die belastingen en heffingen op aan degenen die zij vertegenwoordigt: no representation without taxation!

Algemeen bestuur Het algemeen bestuur bestaat niet alleen uit vertegenwoordigers van de mensen die in het waterschap wonen (de ingezetenen), maar ook uit vertegenwoordigers van de bezitters van land- en tuinbouwgronden en uit vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. Bovendien bestaat het uit vertegenwoordigers van de bezitters van natuurterreinen. In de waterschappen Delfland en Rivierenland telt het algemeen bestuur 30 leden. Het algemeen bestuur van een waterschap – in Delfland Verenigde Vergadering geheten – is enigszins vergelijkbaar met de gemeenteraad.

In Delfland en Rivierenland Het algemeen bestuur in Delfland bestaat uit 21 vertegenwoordigers van de ingezetenen, vier vertegenwoordigers van bezitters van de land- en tuinbouwgronden, vier vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en ten slotte één vertegenwoordiger van de bezitters van natuurterreinen. Het algemeen bestuur in Rivierenland bestaat uit 22 vertegenwoordigers van de ingezetenen, vier vertegenwoordigers van de bezitters van de land- en tuinbouwgronden, drie vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en ten slotte één vertegenwoordiger van de bezitters van natuurterreinen.

Verordeningen Het algemeen bestuur legt de regels voor de belastingen en de heffingen vast in een of meer verordeningen. Het mag die bevoegdheid niet overdragen aan bijvoorbeeld het dagelijks bestuur. Delfland en Rivierenland hebben – als ik het goed zie – voor elke heffing een aparte (waterschaps)verordening gemaakt.

Waterschapswet Er zijn wettelijke grenzen aan de regels die het waterschap voor belastingen en heffingen mag vaststellen. Zo mogen er alleen heffingen worden geheven ter bestrijding van de kosten voor het watersysteem, de afvalwaterzuivering en het wegenbeheer. Mijn bijdragen van 5 december en 28 november gingen over de taken/uitgaven voor afvalwaterzuivering respectievelijk watersysteem in Delfland. Zie: http://staatsrechtpraktijk.nl/?p=546 en http://staatsrechtpraktijk.nl/?p=537

Mogen én moeten Op grond van de Waterschapswet mogen waterschappen niet alleen een heffing vaststellen ter bestrijding van de kosten voor het watersysteem en voor de afvalwaterzuivering, maar moeten ze dat ook doen.

Mogen zonder moeten De heffing voor het wegenbeheer is echter niet verplicht op grond van de Waterschapswet. Delfland heeft bij mijn weten geen heffing voor wegenbeheer. Rivierenland heeft dat echter wel.

Toch weer wel moeten En waterschap Rivierenland moet ook zo’n wegenbeheerheffing opleggen. Weliswaar niet op grond van de Waterschapswet, maar wel op grond van een provinciale verordening. Provinciale Staten stellen bij verordening een reglement vast voor elk waterschap dat in hun provincie ligt. Ze leggen daarin bijvoorbeeld vast uit hoeveel leden het algemeen bestuur bestaat en uit hoeveel leden een categorie vertegenwoordigers bestaat, zie hierboven. Ze kunnen daarin echter veel meer regelen, zoals het waterschap verplichten om een wegenheffing in te voeren. Gelderland heeft dat gedaan voor Rivierenland; Zuid-Holland heeft dat dus niet gedaan voor Delfland.

BRONNEN:

Belastingen en verordeningen:

Artikel 83 Waterschapswet luidt (gedeeltelijk): Het algemeen bestuur kan het dagelijks bestuur niet overdragen de bevoegdheid tot: a. het vaststellen of wijzigen van de begroting; b. het vaststellen van de rekening; d. het heffen van belastingen of rechten; e. het vaststellen van verordeningen (..).

Artikel 110 luidt (gedeeltelijk): Het algemeen bestuur besluit tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een waterschapsbelasting door het vaststellen van een belastingverordening.

Waterschapswet:

Artikel 113 Waterschapswet luidt (gedeeltelijk): Behalve (….) worden door het waterschap geen andere belastingen (..) geheven dan de (..) de heffingen, bedoeld in de artikelen 117, 122a en 122d.

Mogen én moeten:

 Artikel 117 Waterschapswet luidt (gedeeltelijk): Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een heffing geheven (..).

Artikel 122d luidt (gedeeltelijk): Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren.

Mogen zonder moeten:

Artikel 122a Waterschapswet luidt (gedeeltelijk): Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak ter zake van het wegenbeheer kan, binnen het gebied waar deze taak wordt uitgevoerd, onder de naam wegenheffing een heffing worden geheven.

Toch weer wel moeten:

Artikel 2 Waterschapswet luidt (gedeeltelijk): De bevoegdheid tot het opheffen en het instellen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verdere reglementering van waterschappen behoort aan provinciale staten (..). De uitoefening van deze bevoegdheid geschiedt bij provinciale verordening.

Artikel 6 luidt (gedeeltelijk): Het opheffen of instellen van een waterschap dan wel het vaststellen van een reglement van een waterschap, waarvan het gebied in twee of meer provincies is gelegen, geschiedt bij gemeenschappelijk besluit van provinciale staten van de desbetreffende provincies. Hetzelfde geldt voor het wijzigen van dat reglement, tenzij deze colleges bij reglement het vaststellen van wijzigingen die naar hun oordeel van beperkte strekking zijn opdragen aan één van hen.

Artikel 27 van het Besluit van Provinciale Staten van de provincie Gelderland houdende regels omtrent Waterschap Rivierenland Reglement voor Waterschap Rivierenland luidt (gedeeltelijk): Provinciale Staten van Gelderland zijn bevoegd tot wijziging van dit reglement, tenzij het desbetreffende besluit een regeling bevat van de in artikel 5, eerste lid, van de wet genoemde onderwerpen.

Artikel 20 luidt (gedeeltelijk): Heffing wegentaak. In het op de kaart bedoeld in artikel 2, tweede lid, van dit reglement gearceerd aangegeven gebied, wordt ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan het wegenbeheer, door het waterschap onder de naam wegenheffing een heffing geheven (..).

Is vergoeding voor Statenleden en commissieleden goed genoeg?

VRIJDAG 7 DECEMBER 2018 Op woensdag 20 maart worden de provinciale verkiezingen gehouden. Het zijn de verkiezingen voor de provinciale staten. De verschillende partijen zijn momenteel druk bezig met de samenstelling van hun kandidatenlijsten of hebben ze al officieel vastgesteld. Wat zal er in financiële zin tegenover staan voor de kandidaat die Statenlid of commissielid wordt in Zuid-Holland en Gelderland?

1163 Statenleden zullen voor hun werkzaamheden recht hebben op een maandelijkse vergoeding van €1.163,75. Dat bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. Het is een bruto bedrag: er gaat dus nog belasting vanaf.

 20%  Deze vergoeding is in beginsel onafhankelijk van het aanwezig zijn bij vergaderingen. Een provincie mag hiervan afwijken en 1/5 deel van de vergoeding afhankelijk maken van aanwezig zijn bij vergaderingen;dat moet dan wel gebeuren in een verordening. Zuid-Holland noch Gelderland hebben dat gedaan.

 70+Fractievoorzitters hebben recht op een hogere maandelijkse vergoeding, toelage genaamd. De toelage ligt tussen de 70 en 150 euro; voorzitters van grotere fracties zitten dichter bij de 150 euro.

170 Statenleden hebben bovendien recht op een maandelijkse onkostenvergoeding voor de aan hun functie verbonden kosten van €170,17; hiervoor zijn geen declaraties nodig.

112 Commissieleden die geen Statenlid zijn, hebben geen recht op de maandelijkse vergoeding voor werkzaamheden en evenmin op de maandelijkse onkostenvergoeding. Zij hebben wel recht op een vergoeding per vergadering die ze daadwerkelijk hebben bijgewoond. De vergoeding daarvoor bedraagt € 112,25, dat is exclusief jaarlijkse indexering maar ook weer een bruto bedrag.

112+: PS of GS?  Provinciale Staten mogen per verordening regelen dat sommige commissieleden die geen Statenlid zijn onder bepaalde omstandigheden een hogere vergoeding krijgen. Provinciale Staten van Gelderland hebben deze bevoegdheid in een verordening aan gedeputeerde staten overgedragen. Ik vraag mij af of het niet zo is dat alleen Provinciale Staten zelf per verordening zo’n hogere vergoeding mogen regelen. In het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers staat in artikel 2.4.2 immers alleen dat provinciale staten dat mogen regelen. Nu gaat deze algemene maatregel van bestuur pas gelden vanaf 28 maart 2019. Echter, in de huidige algemene maatregel van bestuur, het Rechtspositiebesluit staten-en commissieleden, staat in artikel 13 hetzelfde. Volgens de Provinciewet mogen provinciale staten een bevoegdheid niet overdragen als de aard van die bevoegdheid zich daartegen verzet. Ik zou zeggen dat dit het geval is met de bevoegdheid om een hogere vergoeding te regelen voor leden van Statencommissies die geen Statenlid zijn.

In Zuid-Holland moeten alle commissieleden Statenlid zijn. Statenleden mogen voor hun commissielidmaatschap geen extra vergoeding krijgen; dat is zo in de Provinciewet geregeld.

Andere kosten Zowel commissieleden als Statenleden hebben recht op een reiskostenvergoeding en een verblijfskostenvergoeding. Een provincie mag in principe geen andere of hogere vergoedingen geven.

 Geen vetpot De vergoedingen voor Staten- en commissieleden zijn dusniet bepaald riant, en, gelet op de tijdsinvestering en verantwoordelijkheid, eerder aan de lage kant, vind ik. En dan is het ook nog grotendeels een bruto bedrag. Waarom niet de belasting erop geschrapt?

BRONNEN:

Artikel 93 van de Provinciewet luidt(gedeeltelijk): Lid 1. De leden van provinciale staten ontvangen een bij verordening van provinciale staten vast te stellen vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten. Lid 4. De verordeningen, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

Artikel 94 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. De leden van een door provinciale staten of gedeputeerde staten ingestelde commissie ontvangen, voor zover zij geen lid zijn van provinciale staten of gedeputeerde staten, een bij provinciale verordening vast te stellen vergoeding: a. voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie en b. van reis- en verblijfskosten in verband met reizen binnen de provincie. Lid 3. Ten aanzien van een vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld. Ten aanzien van de overige vergoedingen, bedoeld in dit artikel, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.

Artikel 96 luidt: Lid 1. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend, ontvangen de leden van provinciale staten, en vaneen door provinciale staten of gedeputeerde staten ingestelde commissie als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkoming en ten laste van de provincie. Lid 2. Voordelen ten laste van de provincie, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, genieten zij slechts voor zover dat is bepaald bij of krachtens de wet dan wel bij verordening van provinciale staten.De verordening behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel2.1.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers(gaat pas in vanaf 28 maart volgend jaar) luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Een statenlid ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van provinciale staten een vergoeding voor de werkzaamheden van €1.163,75 per maand. Lid 3. Het bedrag, genoemd in het eerste lid,wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Lid 4. Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat ten hoogste 20% van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt uitgekeerd, berekend naar het aantal gehouden vergaderingen. In dat geval geschiedt de uitkering aan het statenlid op basis van het aantal bijgewoonde vergaderingen.

Artikel 5.3 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Lid 2. In afwijking van het eerste lid,treden de hoofdstukken 2 en 4 en de artikelen 5:1, eerste en tweede lid, en 5:2, eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en tiende lid, inwerking met ingang van 28 maart 2019.

 Artikel 2.1.5 luidt (gedeeltelijk): De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, wordt voor de fractievoorzitters voor de duur van de uitoefening van het fractievoorzitterschap verhoogd met een toelage van €70 per maand,vermeerderd met €10 voor elk statenlid dat de fractie telt, de fractievoorzitter zelf niet meegerekend. De toelage bedraagt ten hoogste €150 per maand.

 Artikel2.1.6 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Een statenlid ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van provinciale staten een onkostenvergoeding voor de aan de uitoefening van het statenlidmaatschap verbonden kosten van €170,17 per maand.Lid 3. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 2.1.7 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Een statenlid heeft ten laste van de provincie aanspraak op vergoeding van: a. reiskosten voor het bijwonen van vergaderingen van provinciale staten en commissies, en b. reis- en verblijfkosten voor reizen zowel binnen de provincie als daarbuiten, gemaakt voor de uitoefening van de functie.

 vergaderingen van de commissie toegekend van €112,25 per vergadering. Lid 2. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 2.4.2 luidt (gedeeltelijk): Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat de vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie naar boven afwijkt van het bedrag, genoemd in artikel 2.4.1, eerste lid, ten aanzien van: a. een commissielid dat op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken; en b. een commissielid ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten arbeid.

Artikel 2.4.3 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Een commissielid heeft ten laste van de provincie aanspraak op vergoeding van: a. reiskosten voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie, en b. reis- en verblijfkosten voor reizen binnen de provincie gemaakt voor de uitoefening van de functie.

Artikel2.1 van het Reglement van Orde Provinciale Staten van Gelderland 2017 luidt (gedeeltelijk): In dit hoofdstuk ende daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. statenlid: lid van provinciale staten; c. fractievoorzitter: statenlid waarvan door de voorzitter is vastgesteld dat dit lid fractievoorzitter is dan wel enig lid van een fractie; d. commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 80, 81 en 82 van de Provinciewet, dat niet tevens statenlid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd.

Artikel 6 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Fracties kunnen fractievolgers benoemen. Provinciale Staten besluiten over het maximaal aantal te benoemen fractievolgers. Lid 2. Een fractievolger dient tijdens de laatste verkiezingen voor Provinciale Staten geplaatst te zijn op de kandidatenlijst van de partij, die hij als fractievolger vertegenwoordigt. Op hem zijn de artikelen 10, 11, 12,13 en 15 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing. Lid 3.Een fractievolger kan zijn fractie vertegenwoordigen in commissies als bedoeld in hoofdstukken 8 en 9.

Artikel 1 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen van Provinciale Staten van Zuid-Holland, e.a. luidt(gedeeltelijk): Commissielid: een lid van Provinciale Staten dat als lid van een commissie fungeert.

Artikel 65 luidt: Reservering t.b.v. Fractievertegenwoordigers

Artikel31 Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden Gelderland 2007 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de vergaderingen van een commissie en haar subcommissies een vergoeding die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 13 van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden,zoals dit bedrag jaarlijks ingevolge artikel 13 voornoemd wordt herzien. Indien een fractievolger, als bedoeld in art. 6 van het Reglement van Orde Provinciale Staten van Gelderland 2017, op dezelfde dag meerdere vergaderingen van één of meerdere commissies bijwoont, bestaat de vergoeding voor alle vergaderingen tezamen uit twee maal het hiervoor genoemde bedrag. Lid 4. Gedeputeerde Staten kunnen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een hogere vergoeding vaststellen ten aanzien van: a. een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en b. een lid van een commissie ten aanzien van wie de vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten arbeid.

Artikel13 van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden(vervalt op 28 maart 2019) luidt (gedeeltelijk): Aan een lid van een commissie wordt ten laste van de provincie een vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie toegekend van €112,25 per vergadering. Artikel 14 luidt (gedeeltelijk): Ten aanzien van: a. een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voordeelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en b. een lid vaneen commissie ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten arbeid, kunnen provinciale staten bij verordening bepalen dat de vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie naar boven afwijkt van het bedrag, genoemd in artikel 13.

Artikel152 Provinciewet luidt (gedeeltelijk):Provinciale staten kunnen aan gedeputeerde staten bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

Weinig aandacht voor commissaris van de Koning in Eerste Kamer debat

DONDERDAG 15 NOVEMBER 2018 Afgelopen dinsdag heeft de Eerste Kamer vergaderd over het wetsvoorstel om de benoeming van de burgemeester en de commissaris van de Koning uit de Grondwet te halen, te deconstitutionaliseren dus. De vergadering heeft geduurd van half twee tot elf uur. Hoeveel aandacht was er in het debat (voor de deconstitutionalisering van de benoeming van) de commissaris van de Koning?

CdK De commissaris van de Koning heette ten tijde van Koningin Beatrix commissaris van de Koningin of ook wel commissaris der Koningin. Dat laatste werd dan vaak afgekort tot CdK. Die afkorting wordt tegenwoordig nog steeds gebruikt. Ook commissaris (zonder toevoeging) is in zwang. In de provincie Limburg wordt hij om historische redenen gouverneur genoemd.

Benoemingswijze nu De regering benoemt de commissaris (per koninklijk besluit). De minister van Binnenlandse Zaken doet daartoe een voordracht. Provinciale Staten doen de minister een aanbeveling waarop twee kandidaten staan. De persoon die de minister voordraagt is één van deze twee, althans in beginsel. Vervolgens benoemt de regering dus de commissaris (per koninklijk besluit): de Kroonbenoeming. Deze regeling staat in de Provinciewet. In de Grondwet staat dat de Kroonbenoeming niet mag verdwijnen en een andere regeling in de Provinciewet dus niet is toegestaan. De voorgestelde deconstitutionalisering zorgt ervoor dat een andere regeling in de Provinciewet straks wel is toegestaan.

Verslag Wat hier volgt is uit het nog niet gecorrigeerde verslag dat van de vergadering afgelopen dinsdag is gemaakt, en op de website van de Eerste Kamer staat.

Onbekend Opvallend is dat de meeste fractiewoordvoerders eigenlijk alleen spreken over de deconstitutionalisering van de burgemeestersbenoeming. Volgens de woordvoerder van GroenLinks komt dit doordat de commissaris veel verder van de burger af staat en veel minder bekendheid geniet. Enkele fracties hebben wél specifieke aandacht voor de commissaris.

Ambtsinstructie De commissaris heeft een aantal rijkstaken/regeringstaken. Dat is onder andere geregeld in de zogenaamde Ambtsinstructie commissaris van de Koning. Daardoor is hij (ook) een rijksorgaan. Als rijksorgaan heeft hij bijvoorbeeld een belangrijke rol bij benoeming, herbenoeming en ontslag van burgemeesters en bij gemeenten waarin de bestuurlijke verhoudingen verstoord zijn of de bestuurlijke integriteit in geding is.

Ambtsinstructie en dus? De woordvoerders van de fracties van VVD, ChristenUnie en CDA menen dat er daarom weinig reden is om de huidige benoemingswijze van de commissaris te veranderen. In hun reacties maken initiatiefnemer (en fractieleider van D66 in de Tweede Kamer) Rob Jetten en de minister van Binnenlandse Zaken duidelijk dat zij daar best wel eens gelijk in kunnen hebben maar dat dit de voorgestelde deconstitutionalisering zeker niet in de weg staat.

BRONNEN:

Artikel 61 Provinciewet luidt (gedeeltelijk): De commissaris van de Koning wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes jaar. Onze Minister overlegt met provinciale staten over de eisen die aan de te benoemen commissaris worden gesteld met betrekking tot de vervulling van het ambt. Voorafgaand aan het overleg met Onze Minister stellen provinciale staten gedeputeerde staten in de gelegenheid hun wensen en bedenkingen ten aanzien van deze eisen kenbaar te maken. Na het overleg met Onze Minister stellen provinciale staten uit hun midden een vertrouwenscommissie in, belast met de beoordeling van de kandidaten. Onze Minister verschaft de vertrouwenscommissie een opgave van degenen die naar het ambt van commissaris hebben gesolliciteerd, vergezeld van zijn oordeel over kandidaten die hij in beginsel geschikt acht voor benoeming. Als de vertrouwenscommissie besluit naast deze kandidaten ook andere kandidaten die gesolliciteerd hebben, bij haar beoordeling te betrekken, doet zij daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister. Deze brengt zijn oordeel over laatstgenoemde kandidaten ter kennis van de vertrouwenscommissie. De vertrouwenscommissie brengt verslag uit van haar bevindingen aan de staten en aan Onze Minister. Provinciale staten zenden Onze Minister binnen vier maanden nadat de gelegenheid tot sollicitatie voor de functie is gegeven een aanbeveling inzake de benoeming. Deze aanbeveling omvat twee personen. In een bijzonder, door provinciale staten te motiveren geval, kan worden volstaan met een aanbeveling waarop één persoon vermeld staat. Onze Minister slaat geen acht op een enkelvoudige aanbeveling, indien naar zijn oordeel geen sprake is van een bijzonder geval. Onze Minister volgt in zijn voordracht in beginsel de aanbeveling, met inbegrip van de daarop gehanteerde volgorde, tenzij zwaarwegende gronden aanleiding tot afwijking geven. Een afwijking wordt gemotiveerd.

Artikel 126 Grondwet luidt: Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie

Artikel 6 Ambtsinstructie commissaris van de Koning luidt (gedeeltelijk): De commissaris ziet toe op een ordelijk verloop van de procedure met betrekking tot de benoeming van een burgemeester. Voordat de vacature van burgemeester in een gemeente wordt opengesteld overlegt de commissaris met de raad over de eisen die aan de te benoemen burgemeester worden gesteld met betrekking tot de vervulling van het ambt. De commissaris verschaft de vertrouwenscommissie een opgave van degenen die naar het ambt van burgemeester hebben gesolliciteerd, vergezeld van zijn oordeel over kandidaten die hij in beginsel geschikt acht voor benoeming.

Artikel 7 luidt (gedeeltelijk): De commissaris ziet toe op een ordelijk verloop van de procedure met betrekking tot de herbenoeming van een burgemeester.Voordat de raad een aanbeveling inzake de herbenoeming van de burgemeester opstelt overlegt hij met de commissaris over het functioneren van de burgemeester. Na de ontvangst van de aanbeveling inzake de herbenoeming van de burgemeester zendt de commissaris deze door naar Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vergezeld van zijn advies daarover. Tevens rapporteert de commissaris over zijn bevindingen met betrekking tot de inhoud en het verloop van de procedure. Daarbij gaat hij in op zijn overleg met de raad.

Artikel 7a luidt (gedeeltelijk): De commissaris ziet toe op een ordelijk verloop van de procedure met betrekking tot het ontslag van een burgemeester. De commissaris onderzoekt de mogelijkheid of een gerezen conflict tussen de raad en de burgemeester kan worden opgelost. Ingeval van een mogelijke verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad adviseert de commissaris op diens verzoek Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (..). Na de ontvangst van de aanbeveling inzake het ontslag van de burgemeester zendt de commissaris deze door naar Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vergezeld van zijn advies daarover. Tevens rapporteert de commissaris over zijn bevindingen met betrekking tot de inhoud en het verloop van de procedure. Daarbij gaat hij in op zijn overleg met de raad.

Artikel 7b luidt: De commissaris informeert Onze Minister bij verstoorde bestuurlijke verhoudingen in een gemeente en wanneer de bestuurlijke integriteit van een gemeente in het geding is. Hij informeert Onze Minister daarbij tevens over de maatregelen die hij ter zake neemt.

Niet gecorrigeerde verslag van de plenaire vergadering van dinsdag 13 november 2018 op de website van de Eerste Kamer: https://www.eerstekamer.nl/verslag/20181113/verslag