Autoriteit Financiële Markten (AFM)

Dinsdag 14 november 2017. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) waarschuwt consumenten tegen investeringen in ICO’s, Initial Public Offerings. ICO’s worden uitgegeven voor de financiering van een nieuwe onderneming. AFM geeft een waarschuwing af, omdat ICO’s een ideale voedingsbodem voor oplichters zijn. AFM is vaker in het nieuws. Wat is eigenlijk de Autoriteit Financiële Markten? Het is een stichting opgericht bij de notaris. Aan deze stichting is in de Wet op het financieel toezicht openbaar gezag verleend, namelijk het zijn van officiële toezichthouder op de financiële markten. AFM is niet ondergeschikt aan de regering, maar de regering heeft wel invloed op wie in het bestuur van de stichting zit. AFM is een zelfstandig bestuursorgaan.

Artikel 1.1 Statuten luidt: De stichting draagt de naam Stichting Autoriteit Financiële Markten. De stichting draagt als verkorte naam Autoriteit Financiële Markten of AFM.

Artikel 2.1 sub a (gedeeltelijk) Statuten luidt: De stichting heeft tot doel en als taak het gedragstoezicht op financiële markten uit te oefenen.

Artikel 1.25 lid 2 (gedeeltelijk) Wet op het financieel toezicht luidt: De Autoriteit Financiële Markten heeft, op de grondslag van deze wet, tot taak het gedragstoezicht op financiële markten uit te oefenen.

Artikel 1.26 lid 1 (gedeeltelijk) van dezelfde wet luidt: Het bestuur van de Autoriteit Financiële Markten bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. De voorzitter en de andere leden van het bestuur worden bij koninklijk besluit benoemd. 

Artikel 1.27 lid 3 (gedeeltelijk) van dezelfde wet luidt: De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht worden door Onze Minister benoemd.

Artikel 1.30 lid 1 sub a (gedeeltelijk) van dezelfde wet luidt: De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op de Autoriteit Financiële Markten, met uitzondering van de artikelen 21.

Artikel 1 sub a Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (gedeeltelijk) luidt: In deze wet wordt verstaan onder zelfstandig bestuursorgaan: (dat wat) bij de wet met openbaar gezag is bekleed, en dat niet hiërarchisch ondergeschikt is aan een minister.

Rulings en belastinginspecteurs

Maandag 13 november 2017. Belastinginspecteurs kunnen rulings afgegeven aan belastingplichtigen, zowel particulieren als bedrijven. Op de site van de belastingdienst staat over rulings het volgende (ik heb het enigszins aangepast). ‘Het is een overleg tussen de inspecteur en de belastingplichtige en het  leidt tot een standpunt van de inspecteur over de manier waarop het recht in een specifiek geval zal worden toegepast. Belastingplichtige kan daardoor vooraf weten waar hij aan toe is bij de latere belastingheffing.’ Wie de krant leest, weet dat een belastinginspecteur pas een ruling mag afgeven na het volgen van een interne procedure bij de belastingdienst. In 800 van de 4000 rulings zou dat niet zijn gebeurd. Maar wie is volgens de wet belastinginspecteur?

Artikel 2 derde lid onder b Algemene wet inzake rijksbelastingen (gedeeltelijk) luidt: De belastingwet verstaat onder inspecteur: de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen.

Artikel 2 eerste lid onder i Invorderingswet 1990 (gedeeltelijk) luidt: Deze wet verstaat onder inspecteur de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen.

Artikel 1 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (gedeeltelijk) luidt: Deze regeling berust op de artikelen 2 derde lid onder b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 2 eerste lid onder i van de Invorderingswet 1990. Dit is de ministeriële regeling die in bovenstaande wetten wordt bedoeld.

Artikel 5 lid 1 van die ministeriële regeling (gedeeltelijk) luidt: De landelijk directeuren, de directeuren van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3 eerste lid onderdelen a2 en c1 zijn inspecteur als bedoeld in artikel 2 derde lid onderdeel b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 2 eerste lid onderdeel i van de Invorderingswet 1990.

Artikel 3 eerste lid onderdelen a2 en c1 van die regeling (gedeeltelijk) luidt: De organisatie van de Belastingdienst bestaat uit de volgende onderdelen: Belastingdienst/Belastingen, bestaande uit Belastingdienst/Caribisch Nederland; Belastingdienst/Centrale administratie (B/CA).

Artikel 4 lid 2 van die regeling (gedeeltelijk) luidt: De organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen a2 en c1 staan elk onder leiding van een directeur.

Inspecteur zijn dus de directeuren van sommige organisatieonderdelen van de Belastingdienst.

Dwanglicentie dure geneesmiddelen

Vrijdag 10 november 2017. Een farmaceutisch bedrijf dat een geneesmiddel ontwikkelt, vraagt daarop patent of octrooi aan bij de overheid. Het bedrijf krijgt door patent of octrooi een wettelijk monopolie: alleen hij mag het geneesmiddel maken en verkopen. De wet verbiedt dat andere bedrijven hetzelfde geneesmiddel of een vergelijkbaar geneesmiddel maken en verkopen. De Rijksoctrooiwet biedt daarvoor de regeling. Dankzij die positie kan het patenthoudende bedrijf een zeer hoge prijs vragen voor het geneesmiddel.  In de praktijk gebeurt dat ook. De kloof tussen gemaakte kosten en in rekening gebrachte prijs kan erg groot zijn.  Uiteindelijk wordt die prijs betaald door de belastingbetalers, zorgverzekerden en patiënten. De patenthouder kan een ander bedrijf vrijwillig een licentie geven voor het maken en verkopen van het geneesmiddel, maar zo’n licentie wordt uiteraard ook slechts tegen een hoge prijs gegeven. Ook de vrijwillige licentie is in de Rijksoctrooiwet geregeld (heet daarin verhuur van werkwijze). Een belangrijk adviesorgaan heeft het kabinet nu geadviseerd dat de overheid een dwanglicentie gaat afgeven, als het farmaceutische bedrijf voor een geneesmiddel een prijs in rekening brengt die zo hoog is dat het onaanvaardbaar is. De Rijksoctrooiwet maakt  dwanglicentie mogelijk als dat in het algemeen belang is. Een dwanglicentie geeft een ander bedrijf het recht om het gepatenteerde geneesmiddel tegen de wens van de patenthouder te maken en te verkopen. Dat andere bedrijf zal het geneesmiddel dan verkopen tegen een veel lagere prijs. Dat scheelt in de portemonnee van belastingbetaler, zorgverzekerde en patiënt. De patenthouder blijft niet met lege handen staan: hij krijgt voor zo’n dwanglicentie een redelijke vergoeding.

Artikel 53 lid 1 Rijksoctrooiwet (gedeeltelijk): Een octrooi geeft de octrooihouder het uitsluitend recht:

  • a. het geoctrooieerde voortbrengsel in of voor zijn bedrijf te vervaardigen of te verkopen;

  • b. de geoctrooieerde werkwijze te verhuren.

Artikel 57 lid 1 Rijksoctrooiwet (gedeeltelijk): Onze Minister kan, indien het algemeen belang dit naar zijn oordeel vordert, onder een octrooi een licentie van een door hem nauwkeurig omschreven inhoud aan een door hem aangewezen persoon verlenen. Alvorens zijn beschikking te geven onderzoekt Onze Minister, tenzij de te dezen vereiste spoed zich daartegen verzet, of de octrooihouder bereid is de licentie onder redelijke voorwaarden vrijwillig te verlenen. Hij stelt daartoe de octrooihouder in de gelegenheid schriftelijk en, zo deze dit verzoekt, ook mondeling van zijn gevoelen te doen blijken.

Artikel 57 lid 5 Rijksoctrooiwet (gedeeltelijk): Op vordering van de meest gerede partij bepaalt de rechter bij gebreke van overeenstemming de vergoeding, die de verkrijger van de licentie aan de octrooihouder dient te betalen.

Politieambtenaar met hoofddoek?

Donderdag 9 november 2017. Geüniformeerde politieambtenaar (buitengewoon opsporingsambtenaar) wil haar werk graag doen met hoofddoek, omdat ze moslima is. Van haar werkgever mag dat niet, omdat ze daarmee minder gezag en neutraliteit uitstraalt en in strijd handelt met de gedragscode lifestyle-neutraliteit. Volgens de politieambtenaar maakt werkgever onderscheid op grond van godsdienst zoals bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling. Ze heeft het College voor de Rechten van de Mens om een oordeel gevraagd. Dat oordeel wordt volgende week gegeven. Wat staat er in al deze regelingen?

Bladzijde 3 gedragscode lifestyle-neutraliteit luidt (gedeeltelijk): Vanwege de bijzondere positie van de Nederlandse politie dient door politieambtenaren in contacten met het publiek in ieder geval afstand te worden genomen van de volgende uitingen: zichtbare uitingen van (levens)overtuiging, religie, politieke overtuiging, geaardheid, beweging, vereniging of andere vormen van lifestyle, die afbreuk doen aan de gezagsuitstraling, neutraliteit en veiligheid van de politiefunctie. In de officiële toelichting wordt hieraan toegevoegd: Hieronder worden verstaan uitingen die hieraan uitdrukking dienen of verondersteld worden te geven zoals een kruisje, een hoofddoekje, een keppeltje, een hierop gerichte baard, insignes, speldjes, herkenningstekens en dergelijk.

Artikel 1 lid 1 Algemene wet gelijke behandeling luidt: In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de opdracht daartoe;

  • b. direct onderscheid: indien een persoon op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld, op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat;

  • c. indirect onderscheid: indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat in vergelijking met andere personen bijzonder treft.

Artikel 5 lid 1  van die wet luidt (gedeeltelijk):  Onderscheid is verboden bij:

    • a. de aanbieding van een betrekking en de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking;
    • c. het aangaan en het beëindigen van een arbeidsverhouding;

    • d. het aanstellen tot ambtenaar en het beëindigen van het dienstverband van een ambtenaar;

    • e. arbeidsvoorwaarden;

    • h. arbeidsomstandigheden.

Artikel 10 lid 1 Wet College voor de rechten van de mens luidt (gedeeltelijk): Het College kan op schriftelijk verzoek onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling en zijn oordeel daaromtrent kenbaar maken.

Hoorzitting Tweede Kamer

Maandag 6 november 2017. In de Tweede Kamer willen oppositiepartijen GroenLinks, SP en PvdA een hoorzitting houden over de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting. Verdere details zijn onbekend. Op grond van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal kan een Kamercommissie besluiten tot het houden van hoorzittingen. Een van de Kamercommissies is de Vaste commissie voor financiën. Het zijn de leden van de commissie die tot een hoorzitting besluiten. Besluiten worden genomen bij meerderheid van de aanwezige commissieleden. De leden van GroenLinks, SP en PvdA vormen slechts een (kleine) minderheid in de Vaste commissie voor financiën, namelijk 5 van de 25 leden. Commissievoorzitter is VVD’er.

Artikel 27 sub d RvO TK luidt: Voor een goede vervulling van haar taken is een commissie in ieder geval bevoegd tot het houden van hoorzittingen.

Artikel 36 lid 1 RvO TK luidt: Besluiten worden alleen door de leden van de commissie genomen, met dien verstande dat bij ontstentenis of afwezigheid van een lid zijn plaatsvervanger zijn bevoegdheden uitoefent.

Regeringsverklaring

Vrijdag 3 november 2017. In de afgelopen dagen presenteerde premier Rutte het nieuwe kabinet aan de Kamer en gaf hij een toelichting op het regeerakkoord. Deze regeringsverklaring vloeit voort uit de ministeriële verantwoordelijkheid die in de Grondwet is vastgelegd. Vervolgens vond er een debat plaats tussen Kamer en premier, waarin zowel de ministerskeuze als het regeerakkoord aan de orde kwamen. Zo was Geert Wilders (PVV) kritisch over de dubbele nationaliteit van sommige ministers en waren Jesse Klaver (GroenLinks), Emile Roemer (SP) en Lodewijk Asscher (PvdA) kritisch over de afschaffing van de dividendbelasting. Het debat had kunnen leiden tot het aanvaarden van een motie van wantrouwen, maar dat is niet gebeurd. De coalitiepartijen VVD, D66, CDA en CU zijn (nog) niet kritisch. In zo’n motie van wantrouwen spreekt een Kamermeerderheid uit dat het onvoldoende vertrouwen heeft in het kabinet. Een kabinet kan niet functioneren zonder het vertrouwen van de Kamermeerderheid, niet alleen bij aanvang van haar werkzaamheden maar gedurende de hele ”rit”. Deze zogenaamde vertrouwensregel is niet in de Grondwet terug te vinden. Het is een van de weinige voorbeelden van ongeschreven staatsrecht in ons land. Wat de regels van ongeschreven staatsrecht zijn, is terug te vinden in boeken over staatsrecht.

Artikel 42 lid 2 Grondwet: De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

             : vertrouwensregel.

Honden en wetten

Donderdag 2 november 2017. Rotterdamse wethouder wil dat in de gemeentelijke verordening wordt geregeld dat alle Rottweilers, Pitbull achtige honden en de andere zogenaamde hoog-risicohonden altijd een muilkorf moeten dragen als zij verblijven of lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander.  Op dit moment is dat nog onmogelijk, omdat landelijke regelgeving zich daartegen verzet. Ik vermoed dat de landelijke regelgeving waarvan hier sprake is het Besluit houders van dieren is. In de Gemeentewet staat dat een gemeentelijke verordening niet in strijd mag zijn met hogere regelgeving. Een gemeentelijke verordening staat onderaan in deze hiërachie.  Het Besluit houders van dieren is een door de regering uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, en dus een hogere regeling.

Artikel 2:59 lid 1 algemene plaatselijke verordening (APV) van de gemeente Rotterdam luidt op dit moment: Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

Artikel 121 Gemeentewet luidt: De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.

Artikel 1.6 lid 1 en 2 Besluit houders van dieren luidt: De bewegingsvrijheid van een dier wordt niet op zodanige wijze beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht. Een dier wordt voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.

Sint Maarten en Nederland

Woensdag 1 november 2017.  Nederland helpt de Caribische eilanden Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius bij hun wederopbouw na de verwoestende gevolgen van orkaan Irma in september. Sint Maarten is het bovenwindse eiland dat veruit het meest is getroffen. De Nederlandse regering heeft de verdere hulpverlening aan Sint Maarten afhankelijk gesteld van voorwaarden die betrekking hebben op het staatsbestel. Aan die voorwaarden wordt volgens de regering van Sint Maarten  voldaan; volgens de (nieuwe) Nederlandse regering echter niet.

Waarom geen voorwaarden gesteld aan Saba en Sint Eustatius? Omdat deze twee eilanden al deel uitmaken van het staatsbestel van Nederland (zij zijn namelijk Nederlandse gemeenten), terwijl Sint Maarten geen deel uitmaakt van het Nederlandse staatsbestel maar een eigen staatsbestel heeft (met bijvoorbeeld eigen regering,  parlement en grondwet). Sint Maarten maakt wel deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden. Nederland moet dan ook wel hulp en bijstand verlenen. Dat alles is in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden geregeld.

Artikel 1 Statuut: Het Koninkrijk omvat de landen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Bonaire, Sint Eustatius en Saba maken elk deel uit van het staatsbestel van Nederland.

Artikel 36 Statuut: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten verlenen elkander hulp en bijstand.

Artikel 42 lid 1 Statuut: In het Koninkrijk vindt de staatsinrichting van Nederland regeling in de Grondwet, die van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in de Staatsregelingen van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten. 

Fracties van SP, GL en PvdA gaan samenwerken

Dinsdag 31 oktober 2017. In de Tweede Kamer gaan de fracties van SP, GroenLinks en PvdA met elkaar samenwerken. Zo presenteren zij onder andere een gezamenlijk alternatief regeerakkoord. Meer dan samenwerking is niet de bedoeling: een fusie tussen de fracties ligt niet in het verschiet. Wat zegt het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal over fracties, samenwerking en fusies?

Artikel 11 lid 1 luidt: De leden, die door het centraal stembureau op dezelfde lijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd.

Artikel 11 lid 4 luidt: Andere fracties dan die bedoeld in het eerste lid kunnen gedurende een zitting niet worden gevormd, tenzij door samenvoeging van twee of meer van die fracties (..).

Referendumuitslag en politici

Maandag 30 oktober 2017. De krant van vandaag staat vol over referenda: in buitenland (Spanje/Catalonië) én in binnenland. In binnenland komt het referendum over de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten eraan. Sommige politici hebben al op voorhand aangegeven dat zij de uitslag hiervan sowieso negeren. Andere politici zijn het met dit standpunt uitdrukkelijk niet eens. Wat zegt de wet?

Het referendum is geregeld in de Wet raadgevend referendum.

Artikel 11 luidt: Indien onherroepelijk is vastgesteld dat een referendum heeft geleid tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing, wordt zo spoedig mogelijk een voorstel van wet ingediend dat uitsluitend strekt tot intrekking van de wet of tot regeling van de inwerkingtreding van de wet.

Artikel 3 luidt: De uitslag van een referendum geldt als een raadgevende uitspraak tot afwijzing, indien een meerderheid zich in afwijzende zin uitspreekt en de opkomst bij het referendum ten minste dertig procent van het totale aantal kiesgerechtigden bedraagt.

Er moet dus een wetsvoorstel worden ingediend dat in Tweede en Eerste Kamer wordt behandeld. Kamerleden mogen zich daarbij uitspreken tot óf intrekking van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten óf invoering van die wet, in het laatste geval inclusief de datum van inwerkingtreding. Parlementaire behandeling is dus hoe dan ook noodzakelijk. De uitkomst van die behandeling is evenwel (nog) ongewis.