Partijbonzen in de massamedia

VRIJDAG 2 OKTOBER 2020 De Eerste Kamer buigt zich momenteel over aanpassing van de Mediawet. De Mediawet wet gaat over de televisie- en radio-omroepen. Onderdeel van de aanpassing is de invoering van een verbod voor landelijke bestuurders van politieke partijen om bestuurder of commissaris van een publieke omroeporganisatie te worden. Wat is hier aan de hand?

PUBLIEK Niet alle omroeporganisaties in Nederland zijn publieke omroeporganisaties. Zo zijn bijvoorbeeld SBS6, Net5 en Veronica geen publieke maar commerciële omroeporganisaties. Het verbod uit het wetsvoorstel betreft alleen de publieke omroep. AVROTROS, BNNVARA, KRO-NCRV, EO, VPRO en MAX zijn wél publieke omroeporganisaties.

TWEEDE KAMER De Tweede Kamer heeft vorig jaar ingestemd met aanpassing van de Mediawet, officieel Mediawet 2008 geheten. Hoewel het wetsvoorstel daarvoor van de regering kwam, was daarin geen verbod opgenomen voor bestuurders van politieke partijen om bestuurder of commissaris van een publieke omroeporganisatie te zijn. Dat verbod is er pas in opgenomen door een amendement van de Tweede Kamer.

AMENDEMENT Een amendement is een wijziging van een wetsvoorstel. Het amendement was voorgesteld door de Tweede Kamerleden Thierry Aartsen (VVD) en Harry van der Molen (CDA). Zij vonden het onwenselijk dat bestuurdersleden van politieke partijen invloed mogen uitoefenen bij een publieke omroeporganisatie, omdat een vrije pers gevrijwaard dient te blijven van politieke bemoeienis, en vermenging van politiek en media onwenselijk is. De Tweede Kamer heeft het amendement (unaniem) aangenomen.

EERSTE KAMER Een wetsvoorstel dat door de Tweede Kamer is aangenomen, gaat geamendeerd naar de Eerste Kamer. Voor de totstandkoming van een wet is namelijk instemming van Tweede én Eerste Kamer nodig. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer bleek dat een grote meerderheid van de Eerste Kamer moeite had met het amendement Aartsen/Van der Molen. Met de rest van het wetsvoorstel had zij geen moeite. De Eerste Kamer deed daarom een beroep op de Raad van State. Zij wilde van de Raad van State horen of het amendement schending van de (grondwettelijke) verenigingsvrijheid oplevert.

VERENIGINGSVRIJHEID Alle publieke omroeporganisaties zijn verenigingen volgens het burgerlijk recht. Verenigingsvrijheid is een mensenrecht en een grondrecht. In de Grondwet is het geregeld in artikel 8. Dat artikel luidt als volgt: Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde. De Raad van State gaf het volgende oordeel. Het amendement Aartsen/Van der Molen beperkt de mogelijkheid om te worden gekozen tot lid van een orgaan van een vereniging, zoals het bestuur en de raad van toezicht. Beperkt wordt zowel de mogelijkheid om tot bestuurder van een politiek partij te worden gekozen als de mogelijkheid om tot bestuurder of interne toezichthouder van een publieke omroeporganisatie te worden gekozen. Daardoor is het amendement een beperking van de verenigingsvrijheid. Nu is het niet zo dat elke beperking van de verenigingsvrijheid ook altijd een schending van die verenigingsvrijheid oplevert. Net als veel andere grondrechten kan de verenigingsvrijheid namelijk rechtmatig worden beperkt. Voor de verenigingsvrijheid mag dat echter alleen gebeuren in het belang van de openbare orde. De beperkingen uit het amendement zijn niet in het belang van de openbare orde. De Raad van State concludeert dan ook dat het amendement in strijd is met (het grondrecht van) de verenigingsvrijheid.

LEDEN De Raad van State kijkt voor wat betreft de verenigingsvrijheid naar het recht om gekozen (en benoemd) te worden in het bestuur of de raad van toezicht van een vereniging. Maar wie kiest eigenlijk die bestuurders en die commissarissen? Commissarissen zijn de leden van de raad van toezicht van een vereniging. In beginsel is dat de Algemene (Leden) Vergadering; dat staat zo in het Burgerlijk Wetboek. Dat is de vergadering waar elk lid zijn (ene) stem mag uitbrengen en besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen, bijvoorbeeld de benoeming van het bestuur. In beginsel, want in de statuten van de vereniging mag hiervan tot op zekere hoogte worden afgeweken, bijvoorbeeld door daarin te regelen dat alleen afgevaardigden mogen stemmen op de Algemene Vergadering. Een Algemene Vergadering die uit afgevaardigden bestaat heet dan ook geen Algemene Leden Vergadering, maar bijvoorbeeld verenigingsraad of ledenraad. Die afgevaardigden moeten op hun beurt trouwens wél door de leden zijn gekozen. In de statuten mag zelfs geregeld zijn dat de helft van de bestuurders en de helft van de commissarissen door anderen dan de leden (of hun afgevaardigden) wordt gekozen.

GEEN AMENDEMENTSRECHT Waarschijnlijk zou voor de Eerste Kamer het oordeel van de Raad van State over de schending van de verenigingsvrijheid reden zijn geweest om het wetsvoorstel te verwerpen. De Eerste Kamer mag een wetsvoorstel namelijk alleen aannemen of verwerpen. Het mag dus niet slechts het geamendeerde deel van het wetsvoorstel verwerpen en de rest van het wetsvoorstel aannemen. Dat zou een verkapt amendementsrecht opleveren. De Eerste Kamer heeft geen amendementsrecht; alleen de Tweede Kamer heeft dat. De regering heeft het niet zo ver willen laten komen dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel verwerpt.

NOVELLE Zij heeft namelijk bij de Tweede Kamer een novelle ingediend. Wat is een novelle? Een novelle is een wetsvoorstel dat een door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel wil verbeteren of aanvullen. De Eerste Kamer mag zelf geen novelle indienen. De regering dient een novelle in om te voorkomen dat de Eerste Kamer een wetsvoorstel verwerpt. Nadat de Tweede Kamer met een novelle heeft ingestemd, wordt die aan de Eerste Kamer voorgelegd. Normaliter neemt de Eerste Kamer vervolgens zowel die novelle aan als het wetsvoorstel zoals dat door de Tweede Kamer is aangenomen. De combinatie van novelle en wetsvoorstel levert de wet op die de Eerste Kamer graag ziet. Novelles komen niet vaak voor. Jaarlijks gaat het volgens Wikipedia om twee tot drie. Een novelle lijkt op een verkapt amendementsrecht voor de Eerste Kamer. Zoals gezegd ontbreekt het de Eerste Kamer aan dat recht. Staatsrechtelijk zou de novelle dus problematisch zijn. In de juridische literatuur wordt echter verwezen naar een oordeel van de Raad van State uit 1975 waarin staat dat novelles staatsrechtelijk geoorloofd zijn, als ze slechts af en toe worden ingediend.

PARTIJBONZEN De novelle die de regering voor de aangepaste Mediawet heeft ingediend, houdt in dat het amendement Aartsen/Van der Molen zal worden geschrapt uit het door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel. Daardoor zal het oorspronkelijke regeringsvoorstel weer in ere worden hersteld. Met die novelle is inmiddels door de Tweede Kamer ingestemd. Dat gebeurde unaniem. De Eerste Kamer moet zich er nog over buigen. De Eerste Kamer moet zich nu buigen over twee voorstellen: het wetsvoorstel voor een aangepaste Mediawet (inclusief het amendement Aartsen/Van der Molen) én de novelle die dit amendement weer schrapt uit dit wetsvoorstel. Zodra de Eerste Kamer met beide heeft ingestemd, komt de aangepaste Mediawet 2008 tot stand. Dat wil zeggen: exclusief het amendement Aartsen/Van der Molen. Partijbonzen kunnen dan opgelucht adem halen.

UNANIEM Novelle en amendement Aartsen/Van der Molen regelen het tegenovergestelde: óf een landelijke bestuurder van een politieke partij mag bestuurder of commissaris van een omroeporganisatie worden (novelle) of hij mag dat niet (amendement). Dat dezelfde Tweede Kamer beide heeft aangenomen, is niet zo vreemd. Anders zou een novelle nooit succesvol die Kamer kunnen passeren. Beetje vreemd is wél de unanimiteit waarmee de Tweede Kamer met beide akkoord is gegaan.

(Mr. Leon)

Maakt de Verenigde Vergadering het parlement sterker?

VRIJDAG 18 SEPTEMBER 2020 Afgelopen dinsdag was het Prinsjesdag. Elk jaar is er op de derde dinsdag van september de Verenigde Vergadering van het parlement. Op die dag wordt het parlementaire jaar geopend. Wat is de Verenigde Vergadering, en maakt die vergadering het parlement ook sterker?

TROONREDE De koning geeft elk jaar op Prinsjesdag een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid. Dit heet de Troonrede. Hij spreekt de Troonrede uit namens de regering. Hij doet dat in een vergadering waaraan alle Tweede Kamerleden en alle Eerste Kamerleden deel kunnen nemen. Dat is de Verenigde Vergadering. In die vergadering worden de Tweede Kamer en de Eerste Kamer als één beschouwd. Die ene kamer bestaat dan dus uit 225 Kamerleden, namelijk uit 150 Tweede Kamerleden en 75 Eerste Kamerleden. Tenminste, als alle Kamerleden present zijn. Normaliter zijn er bij de Troonrede ook nog bijna 800 (genodigde) gasten aanwezig. Vanwege corona zijn dat er dit jaar slechts enkele tientallen. De rede wordt normaliter in de Ridderzaal uitgesproken, maar dit jaar gebeurde dat in de (veel grotere) Grote Kerk in Den Haag.

BERAADSLAGEN EN BESLUITEN De Troonrede is niet de enige gebeurtenis die in de Verenigde Vergadering plaatsvindt. De Verenigde Vergadering wordt bijeengeroepen als de voorzitter dat nodig vindt of als minstens elf Kamerleden daar om vragen. Voorzitter is de voorzitter van de Eerste Kamer; dat is Jan Anthonie Bruijn. De Troonrede is voor de Kamerleden alleen een kwestie van luisteren. In de Verenigde Vergadering kúnnen echter ook debatten plaatsvinden, besluiten worden genomen en wetten worden vastgesteld. Zowel Kamerleden als ministers en staatssecretarissen mogen aan die debatten deelnemen. Voor de totstandkoming van besluiten en wetten is geen toestemming nodig van de Tweede Kamer of van de Eerste Kamer afzónderlijk. Debatteren, besluiten nemen en wetten vaststellen is echter alleen over bepaalde onderwerpen voorbehouden aan de Verenigde Vergadering. In de Grondwet staat welke onderwerpen dat zijn.

DECLARATION OF WAR Welke onderwerpen zijn dat zoal? Oorlogsverklaringen en de beëindiging daarvan. De noodtoestand die de regering heeft afgekondigd (wel of niet) laten voortduren. Diverse onderwerpen die met de koning en de monarchie te maken hebben, zoals toestemming geven voor het huwelijk van de koning. Het gaat dus om vrij uitzonderlijke onderwerpen.

107/225 Hoeveel stemmen zijn er nodig voor het nemen van besluiten en de totstandkoming van een wet in de Verenigde Vergadering? In de regel is daarvoor een gewone meerderheid voldoende, dat wil zeggen: de helft plus één van de aanwezigen. Als alle Kamerleden aanwezig zijn, dan is dit de helft plus een van 225, dat zijn 113 stemmen. Daarvoor zijn alle stemmen van Eerste Kamerleden tezamen dus niet voldoende, want dat zijn er slechts 75. Daarentegen zijn de stemmen van alle Tweede Kamerleden meer dan voldoende, want dat zijn er 150. Nu is het in de politieke praktijk niet zo dat alle Tweede Kamerleden anders stemmen dan alle Eerste Kamerleden. Wel kan het voorkomen dat de meerderheid van de Tweede Kamerleden anders stemt dan de meerderheid van de Eerste Kamerleden. Bijvoorbeeld omdat de politieke samenstelling van beide Kamers verschilt. De gewone meerderheid van alleen de Tweede Kamerleden is uiteraard nog geen meerderheid in de Verenigde Vergadering. VVD, D66, CDA en ChristenUnie zijn de huidige coalitiepartijen: zij steunen de huidige regering en de ministers en staatssecretarissen zijn lid van deze partijen. In de Tweede Kamer hebben zij 75 zetels, net één te weinig voor de meerderheid. In de Verenigde Vergadering bezetten zij 107 zetels, 6 zetels te weinig voor een meerderheid. De huidige regering moet dus voor het maken van de door haar gewenste wetten en besluiten in de Verenigde Vergadering op zoek naar 6 stemmen van 118 andere Kamerleden in de Verenigde Vergadering.

32/75 Dat is misschien geen sinecure, maar wél minder moeilijk dan de steun die ze bij andere Kamerleden in de Eerste Kamer moet zien te vinden. Daarin heeft de huidige coalitie 32 zetels. Voor een meerderheid zijn hier 38 stemmen nodig. Ook hier moet de regering dus op zoek naar 6 stemmen van een andere fractie, maar dat zijn dan 6 van 43 andere (Eerste) Kamerleden. Puur getalsmatig is dat (veel) moeilijker dan het vinden van 6 stemmen bij 118 andere Kamerleden. Voor de (meerderheid in de) Tweede Kamer en voor de regering kan een Verenigde Vergadering dus gunstig uitpakken.

GRONDWETSHERZIENINGEN Zoals hierboven bleek mag er tot nu toe alleen over uitzonderlijke onderwerpen worden gesproken en besloten in de Verenigde Vergadering. Het kabinet Rutte-III wil dat veranderen. Ze heeft bij de Tweede Kamer namelijk een voorstel ingediend om de Verenigde Vergadering een belangrijke rol te geven bij elke herziening van de Grondwet. Nu speelt de Verenigde Vergadering geen enkele rol bij grondwetswijzigingen. Het is nu namelijk zo dat beide Kamers afzonderlijk toestemming moeten geven voor een herziening van de Grondwet. Hoe gaat die afzonderlijke toestemming in zijn werk? Beide Kamers moeten twee keer akkoord gaan met een herziening. De eerste keer gebeurt dat met een gewone meerderheid, dus de helft plus één. De tweede keer met een twee derde meerderheid. In de Grondwet wordt trouwens niet van eerste keer en tweede keer gesproken, maar van eerste lezing en tweede lezing. Tussen beide lezingen worden er Tweede Kamerverkiezingen gehouden. Het is dus altijd een nieuwe Tweede Kamer die bij de tweede lezing toestemming geeft. De Eerste Kamer is in beginsel ongewijzigd. Zoals gezegd is het wél zo dat bij de tweede lezing beide Kamers met een twee derde meerderheid toestemming moeten geven. Als alle Kamerleden present zijn, zijn dat er in Tweede Kamer 100 en in de Eerste Kamer 50.

26 EERSTE KAMERLEDEN Vooral die twee derde meerderheid in de Eerste Kamer vindt de regering zeer onwenselijk. Ten eerste omdat daardoor ‘’een beperkte minderheid van de Eerste Kamer’’ – namelijk 26 van de 75 Kamerleden – een herziening van de Grondwet kan tegenhouden die wél kan rekenen op de steun van ‘’een grote meerderheid van de Tweede Kamer’’, namelijk minstens 100 van de 150 Kamerleden. Ten tweede omdat de Eerste Kamer minder representatief is en minder democratische legitimatie heeft voor wat betreft de grondwetsherziening, want de kiezers hebben de grondwetswijziging kúnnen laten meewegen bij het uitbrengen van hun stem bij de tussenliggende Tweede Kamerverkiezingen. Om aan die onwenselijke situatie een einde te maken, stelt de regering voor om de tweede lezing in een Verenigde Vergadering te houden in plaats van in afzonderlijke vergaderingen voor Tweede en Eerste Kamer. De eis van een twee derde meerderheid blijft staan. Zodoende moeten in het regeringsvoorstel minstens 150 van de 225 Kamerleden toestemming geven. Met andere woorden: 76 Kamerleden zijn nodig om een herziening van de Grondwet tegen te houden in de tweede lezing. Stel dat er voor een bepaalde grondwetsherziening 26 tegenstemmers zijn onder de Eerste Kamerleden. In het voorstel is dat onvoldoende om de grondwetsherziening tegen te houden. Dat kan straks alleen nog maar als er bovendien minstens 50 tegenstemmers onder de Tweede Kamerleden zijn. De Raad van State gaf een negatief advies over het voorstel van de regering.

UNITED WE STAND? Maakt een Verenigde Vergadering het parlement sterker? In zoverre wel, dat de Tweede Kamer er sterker van wordt; in zoverre niet, dat de Eerste Kamer er zwakker van wordt. In zoverre ook daarom niet, dat de coalitiepartijen – en daarmee de regering – er sterker van worden en oppositiepartijen zwakker.

(Mr. Leon)

De Zuinige Vier en het Meerjarig financieel kader 2021-2027 van de EU

DONDERDAG 28 MEI 2020 Gisteren heeft de Europese Commissie de Next Generation EU gepresenteerd. Dat is de naam van een herstelfonds om de economische schade van de coronacrisis te verzachten. Er is 750 miljard euro mee gemoeid. Het is nog maar een voorstel. Het bedrag zal worden geleend op de kapitaalmarkt. De kapitaalverstrekkers krijgen het Meerjarig financieel kader 2021-2027 als onderpand. Wat is het Meerjarig financieel kader 2021-2027 en wie gaat daarover?

KADERSTELLEND Eens in de zeven jaar wordt een nieuw meerjarig financieel kader vastgesteld. Dit kader is een kader voor de jaarlijkse begroting. In de jaarlijkse begroting moet dit kader in acht worden genomen. In het kader staat bijvoorbeeld hoe hoog het budget maximaal mag zijn. Dat wil zeggen: hoe hoog het totaal van alle begrotingsuitgaven in die zeven jaar mag zijn. Er mag niet meer worden uitgegeven dan dit budget. Voor de afgelopen zeven jaar was dat 1000 miljard euro. Omgerekend is dat (ongeveer) 1% van de Bruto Nationale Inkomens van alle EU-lidstaten samen. Het huidige meerjarig financieel kader loopt eind dit jaar af. Het geldt sinds 2014. Voor volgend jaar en de daarop volgende zes jaren moet dus een nieuwe worden vastgesteld. Dat wordt het Meerjarig financieel kader 2021-2027. Het moet voor het einde van dit jaar worden vastgesteld. De verplichting om een meerjarig financieel kader vast te stellen (en een jaarlijkse begroting) staat in een verdrag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

1% Veel EU-landen willen een hoger budget voor de EU. Zij willen een percentage dat hoger is dan de hier bovengenoemde 1%. Ook de Europese Commissie heeft gisteren een hoger budget voorgesteld, namelijk (ongeveer) 1,1%, dat is 10% hoger. Het Europees Parlement heeft zich al eerder uitgesproken voor 1,3%. Denemarken, Oostenrijk, Zweden en ons land willen echter vasthouden aan die 1%. Daarom worden zij ook wel de zuinige vier of vrekkige vier genoemd.

Wie gaan er eigenlijk over wat in het meerjarig financieel kader staat? Met andere woorden: wie stelt het vast? Dat zijn de Raad, het Europees Parlement en de Europese Raad.

RAAD De Raad wordt ook wel Raad van Ministers of Raad van de Europese Unie genoemd. De Raad bestaat uit de ministers van de lidstaten. Elke lidstaat heeft één of meer ministers in de Raad. Welke ministers dat zijn, hangt af van wat er op de agenda staat. Als dat het meerjarig financieel kader is, dan zijn in elk geval de ministers van Financiën present. De Nederlandse minister voor Financiën is Wopke Hoekstra. Een van de aanwezige ministers is de voorzitter. Het voorzitterschap speelt in de praktijk een belangrijke rol. Er is geen vaste voorzitter. Het rouleert van land tot land. Elk half jaar hanteert een minister van een ander land de voorzittershamer. Momenteel is dat Kroatië, maar in de tweede helft van dit jaar – de periode waarin het nieuwe meerjarig financieel kader zal worden vastgesteld – is dat Duitsland!

EUROPEES PARLEMENT Het Europees Parlement bestaat uit zo’n zeven honderd rechtstreeks gekozen volksvertegenwoordigers; de laatste verkiezingen waren mei vorig jaar.

EUROPESE RAAD De Europese Raad bestaat uit regeringsleiders en gekozen staatshoofden. Het is een van beide, de regeringsleider of het staatshoofd. Meestal zijn het regeringsleiders, zoals de premiers van Denemarken, Zweden en ons land en de bondskanseliers van Duitsland en Oostenrijk, respectievelijk Merkel en Kurz. Voor Frankrijk is dat het staatshoofd, president Macron. De Europese Raad heeft een vaste voorzitter, vaak EU-president genoemd. Hij is niet één van de aanwezige regeringsleiders of staatshoofden. Sinds een half jaar is Charles Michel de voorzitter; hij is de voormalige premier van België. Ook de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, maakt deel uit van de Europese Raad. Net als Michel heeft zij geen stemrecht, maar een lid zonder stemrecht is geen lid zonder macht!

Is vaststelling van een meerjarig financieel kader onmogelijk zonder toestemming van deze drie instellingen? In theorie niet, in de praktijk wel. In elk geval is altijd toestemming nodig van de Raad van Ministers en van het Europees Parlement. Toestemming van het Europees Parlement is er als de meerderheid van de parlementariërs vóór is. Een gewone meerderheid – de helft plus een – voldoet. In het huidige parlement kan de meerderheid instemmen met een budget van meer dan 1%, zelfs als dat veel meer is.

VETO Er is ook een gewone meerderheid van de Raad van Ministers die geen enkele moeite heeft met een hoger budget. Maar de Raad van Ministers kan per gewone meerderheid geen toestemming geven. De Raad kan alleen toestemmen als álle ministers vóór zijn. Elk land heeft dus vetorecht. Het is niet uitgesloten dat een of meer van de (hierboven genoemde) Vrekkige of Zuinige Vier gebruik zullen maken van het vetorecht. Stel dat dit gebeurt, hoe kan de patstelling dan doorbroken worden? Want er moet een nieuw meerjarig financieel kader komen! Dan krijgt de Europese Raad een rol.

MINDERHEID Als de Europese Raad namelijk wél vóór is, dan mag de Raad van Ministers toestemming geven per gekwalificeerde meerderheid. Een gekwalificeerde meerderheid is een meerderheidsbeslissing, en dus is er geen vetorecht meer. Een gekwalificeerde meerderheid is echter meer dan een gewone meerderheid; dat betekent dat een minderheid een besluit van de gewone meerderheid kan tegenhouden. Zolang die minderheid maar groot genoeg is. Vormen de Vrekkige of Zuinige Vier een minderheid die groot genoeg is? Nee! Zo’n minderheid moet namelijk altijd minstens 35% van de inwoners van de EU vertegenwoordigen. De Europese Unie telt zo’n 450 miljoen inwoners. Nederland, Oostenrijk, Zweden en Denemarken hebben er tezamen hooguit 45 miljoen. Dat is 10%. Als het Verenigd Koninkrijk nog lidstaat was geweest, dan had dit land best wel eens de Vijfde Zuinige kunnen zijn. Maar 64 miljoen Britten erbij was evenmin genoeg geweest om op 35% uit te komen.

COMPROMIS Over enkele weken is er weer een bijeenkomst van de Europese Raad. Op deze EU-top zou patstelling in de Raad van Ministers kunnen worden voorkomen. Nu is het alleen wél zo dat de Europese Raad dat alleen kan doen als álle regeringsleiders of staatshoofden vóór zijn. Ook hier dus een vetorecht voor elk land. Waarom zouden de regeringsleiders van de Zuinige Vier daar dan geen gebruik van maken? Waarom zouden deze regeringsleiders vóór meer dan 1% EU-budget willen stemmen terwijl hun minister van Financiën namens de hele regering tegen is? Omdat hun stem vóór deel uitmaakt van een compromis. Bijvoorbeeld een compromis waarin zij iets binnenhalen op een heel ander gebied. 

(Mr. Leon)

Wat als de SPD uit de regering Merkel stapt?

DINSDAG 18 JUNI 2019 Net als in Nederland heeft Duitsland in 2017 Tweede Kamerverkiezingen gehouden, de verkiezingen van de Bondsdag. Van beide is de zittingsduur vier jaar en is men nu dus halverwege. Anders dan in Nederland lijkt in Duitsland de coalitieregering van CDU/CSU en SPD het moeilijk te hebben: het enthousiasme bij de sociaaldemocratische SPD voor deelname aan Merkel IV is nooit echt groot geweest maar lijkt nu in een vrije val te zijn terechtgekomen. Binnen de SPD gaan er namelijk steeds meer stemmen op om nog dit jaar uit de regering te stappen, helemaal na de dramatisch verlopen Europese verkiezingen waarin de partij bijna werd gehalveerd. Teken aan de wand is dat er nu al maandenlang wordt gezocht naar een opvolger van de minister van Justitie, zo stond vorige week donderdag in de Süddeutsche Zeitung. Het is al lang bekend dat Katarina Barley ermee stopt, zij was namelijk bij die Europese verkiezingen lijsttrekker voor de SPD. Niet dat er in Duitsland geen andere geschikte SPD’ers zijn voor dit ambt, maar niemand wil een carrièreswitch die hooguit enkele maanden duurt. Wat zou het betekenen als de regering van Angela Merkel niet meer op steun van de SPD kan rekenen?

Parlement Net als in Nederland bestaat het Duitse parlement uit twee Kamers: de Bondsdag, vergelijkbaar met onze Tweede Kamer, en de Bondsraad, vergelijkbaar met onze Eerste Kamer. In beide landen is voor de regering de Tweede Kamer/Bondsdag de belangrijkste.

GroKo De Duitse regering bestaat uit de bondskanselier en de ministers. Bondskanselier is Angela Merkel; zij is van het CDU. Verder bestaat de regering uit ministers van CDU, CSU en SPD. CDU en CSU zijn christendemocratische partijen, SPD is een sociaaldemocratische partij. Deze coalitie van CDU, CSU en SPD wordt Grosse Koalition (GroKo) genoemd. In de Bondsdag zijn 398 van de 709 zetels in handen van de coalitie. Weliswaar een ruime meerderheid, maar diezelfde coalitiepartijen bezetten volgens Wikipedia onder Merkel I 448 van de 615 zetels. Dat was tussen 2005 en 2009. En eind jaren zestig – tussen 1966 en 1969 – zelfs 468 van de 518 (regering Kiesinger)! Gross wordt dus steeds kleiner. Overigens is in Nederland de versplintering nog veel groter: coalitiepartijen CDA en PvdA bezetten in de jaren negentig onder Lubbers III 103 van de 150 zetels. Dat zouden er nu 28 zijn!

Bondsdag en Tweede Kamer (gewijzigd) Net als in Nederland moet een nieuwe regering in Duitsland het vertrouwen hebben van het parlement. In Nederland bestaat de vertrouwensregel met beide Kamers, al is het de bedoeling dat de Eerste Kamer daar veel terughoudender gebruik van maakt dan de Tweede Kamer. In Duitsland is alleen het vertrouwen nodig van de (meerderheid van de) Bondsdag. Er zijn echter meer verschillen. In Duitsland is deze vertrouwensregel in de Grondwet vastgelegd, in Nederland is het een regel van ongeschreven recht. Bovendien moet in Nederland elke nieuwe minister het vertrouwen hebben van de Kamers, in Duitsland heeft alleen de bondskanselier het vertrouwen van de Bondsdag nodig. Volgens de Duitse Grondwet hoeven de andere ministers alleen het vertrouwen van die bondskanselier te hebben.

De ene vertrouwensregel is de andere niet Het derde verschil is het volgende. Als in Nederland het kabinet niet langer het vertrouwen heeft van de Tweede Kamer, dan moet zij haar ontslag aanbieden aan de Koning. Het kabinet is daarna demissionair. Weliswaar blijft het aan totdat er een nieuw kabinet is gevormd, maar in het algemeen zal het zich hooguit bezig houden met spoedeisende zaken en onderwerpen die politiek niet controversieel zijn. Meestal gebeurt de formatie van een nieuw kabinet pas nadat er (vervroegde) Tweede Kamerverkiezingen zijn geweest. In Duitsland is dit anders geregeld. De Bondsdag kan niet zomaar het vertrouwen opzeggen in de bondskanselier (en daarmee in de hele regering). Ze moet namelijk tegelijkertijd een nieuwe bondskanselier aanwijzen. Voor het demissionair worden van de regering is het daar dus niet voldoende dat de meerderheid van de Bondsdag geen vertrouwen meer heeft in de zittende bondskanselier; ook is nodig dat die meerderheid tegelijkertijd haar vertrouwen uitspreekt in een nieuwe bondskanselier. Pas dan valt de regering. Dat is volgens Wikipedia tot nu toe slechts één keer gebeurd, namelijk in 1982. Toen werd de regering van Helmut Schmidt (SPD) tussentijds vervangen door die van Helmut Kohl (CDU). Het is ook niet zo makkelijk: stel dat we in Nederland ook zo’n regel hadden en dat ChristenUnie uit de huidige coalitie zou stappen. Waarschijnlijk is er dan een meerderheid in de Tweede Kamer die geen vertrouwen heeft in de coalitie van VVD, CDA en D66, maar zou diezelfde meerderheid het eens kunnen worden over een andere coalitie?

Bondsdag wetten Weliswaar mag de regering Merkel aanblijven als de Bondsdag het vertrouwen opzegt in Merkel zonder tegelijkertijd een nieuwe bondskanselier aan te wijzen, maar de regering heeft wel een meerderheid nodig in diezelfde Bondsdag voor de vaststelling van wetten. Ook de (jaarlijkse) regeringsbegroting wordt – net als in ons land – bij wet vastgesteld. Als die meerderheid niet wil lukken in een regering zonder SPD-ministers, dan mag Merkel vervroegde verkiezingen uitschrijven.

Bondsraad en Eerste Kamer Tot zover de Bondsdag. Dan nu die andere Kamer van het Duitse parlement: de Bondsraad, vergelijkbaar met onze Eerste Kamer. Zowel in Nederland als in Duitsland heeft de regering niet het vertrouwen nodig van de Eerste Kamer/Bondsraad. In beide landen is die Kamer echter wel wetgever. Als de coalitiepartijen daarin geen meerderheid bezitten, kan ze het de regering dus moeilijk maken. In Nederland een stuk moeilijker dan in Duitsland: in Nederland kan geen enkele wet worden vastgesteld zonder toestemming van de Eerste Kamer, terwijl dat bij onze oosterburen slechts in een minderheid van de wetten het geval is. De meerderheid van de wetten kan zonder toestemming van de Bondsraad worden vastgesteld. Zo is vaststelling van de regeringsbegroting zonder toestemming van de Bondsraad mogelijk. Daarom zijn voor de totstandkoming van wetten de politieke verhoudingen in de Bondsraad minder belangrijk dan in onze Eerste Kamer. Eind mei zij hier Eerste Kamerverkiezingen gehouden en vorige week dinsdag is de nieuwgekozen Kamer geïnstalleerd. Met ingrijpend gewijzigde politieke verhoudingen: de coalitiepartijen hebben namelijk hun meerderheid verloren. De fracties van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie bezetten nog maar 32 van de 75 zetels. Voortaan moet het kabinet dus voor elke nieuwe wet – zoals de jaarlijkse begroting – steun zoeken bij een oppositiepartij; dat dilemma kan zich voor de Duitse regering bij de meeste wetten niet voordoen.

Dus Bij onze oosterburen is het staatsrechtelijk moeilijker om de regering ten val te brengen, zijn de grote politieke partijen in de afgelopen decennia minder versplinterd en is voor de jaarlijkse begroting en de meeste andere wetten – anders dan in ons land – geen toestemming nodig van de Kamer waarin de coalitie geen meerderheid heeft. Toch lijkt het Nederlandse kabinet er twee jaar na de verkiezingen een stuk beter voor te staan dan het Duitse.

BRONNEN:

Inleiding

Artikel 39 Grundgesetz luidt (gedeeltelijk): Der Bundestag wird vorbehaltlich der nachfolgenden Bestimmungen auf vier Jahre gewählt.

”Parlement”

Artikel 51 Grondwet luidt (gedeeltelijk): De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

”GroKo”

Art 62 Grundgesetz luidt: Die Bundesregierung besteht aus dem Bundeskanzler und aus den Bundesministern.

”Bondsdag en Tweede Kamer”

Art 63 Grundgesetz luidt (gedeeltelijk): Der Bundeskanzler wird auf Vorschlag des Bundespräsidenten vom Bundestage ohne Aussprache gewählt. Gewählt ist, wer die Stimmen der Mehrheit der Mitglieder des Bundestages auf sich vereinigt. Der Gewählte ist vom Bundespräsidenten zu ernennen.

Art 64 luidt (gedeeltelijk): Die Bundesminister werden auf Vorschlag des Bundeskanzlers vom Bundespräsidenten ernannt und entlassen.

”De ene vertrouwensregel is de andere niet”

Artikel 64 Grondwet luidt (gedeeltelijk): Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

Artikel 67 Grundgesetz luidt (gedeeltelijk): Der Bundestag kann dem Bundeskanzler das Mißtrauen nur dadurch aussprechen, daß er mit der Mehrheit seiner Mitglieder einen Nachfolger wählt und den Bundespräsidenten ersucht, den Bundeskanzler zu entlassen. Der Bundespräsident muß dem Ersuchen entsprechen und den Gewählten ernennen.

”Bondsdag wetten”

Artikel 105 Grondwet luidt (gedeeltelijk): De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

Art 110 Grundgesetz luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Alle Einnahmen und Ausgaben des Bundes sind in den Haushaltsplan einzustellen (…). Lid 2, eerste zin. Der Haushaltsplan wird für ein oder mehrere Rechnungsjahre, nach Jahren getrennt, vor Beginn des ersten

Rechnungsjahres durch das Haushaltsgesetz festgestellt. Lid 3. Die Gesetzesvorlage nach Absatz 2 Satz 1 sowie Vorlagen zur Änderung des Haushaltsgesetzes und des Haushaltsplanes werden gleichzeitig mit der Zuleitung an den Bundesrat beim Bundestage eingebracht; der Bundesrat ist berechtigt (..) zu den Vorlagen Stellung zu nehmen.

Artikel 77 luidt (gedeeltelijk): Die Bundesgesetze werden vom Bundestage beschlossen.

Artikel 68 luidt (gedeeltelijk): Findet ein Antrag des Bundeskanzlers, ihm das Vertrauen auszusprechen, nicht die Zustimmung der Mehrheit der Mitglieder des Bundestages, so kann der Bundespräsident auf Vorschlag des Bundeskanzlers binnen einundzwanzig Tagen den Bundestag auflösen. Das Recht zur Auflösung erlischt, sobald der Bundestag mit der Mehrheit seiner Mitglieder einen anderen Bundeskanzler wählt.

”Bondsraad en Eerste Kamer”

Artikel 81 Grondwet luidt: De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 51 luidt (gedeeltelijk): De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

Artikel 50 Grundgesetz luidt: Durch den Bundesrat wirken die Länder bei der Gesetzgebung und Verwaltung des Bundes und in Angelegenheiten der Europäischen Union mit.

P.P.T. Bovend’Eert en M.C. Burkens in Het Staatsrecht van Zeven Europese landen, 2018, Wolters Kluwer, bladzijde 85: ”In de praktijk viel ongeveer 60% van de bondswetten (..) onder de categorie toestemmingswetten. Met de hervorming van 2006 beoogde de grondwetgever dit aantal terug te dringen tot 35 à 40%.”

Partijdiscipline bij de Eerste Kamerverkiezingen van 2019

DINSDAG 4 JUNI 2019 Vorige week maandag zijn de Eerste Kamerverkiezingen gehouden. Het electoraat bestond uit de leden van Provinciale Staten. Hoe is er op provinciaal niveau gestemd? Ik heb geen rekening gehouden met de verkiezingsuitslag in Caribisch Nederland.

Stemmen De leden van Provinciale Staten hebben 27 mei jl. in hun eigen provinciehuizen hun stem uitgebracht, even na drieën in de middag. Het tellen van de stemmen gebeurde in elke provincie door een stembureau bestaande uit de commissaris van de koning en enkele leden van diezelfde Provinciale Staten.

Stem Alle 570 Statenleden hebben hun stem uitgebracht en die waren allemaal geldig. Niet elke uitgebrachte stem woog even zwaar. Naarmate een provincie meer inwoners telt, weegt de stem van een Statenlid zwaarder. Een Zeeuwse stem was dan ook het lichtst en een Zuid-Hollandse stem het zwaarst. De laatste woog ruim zes keer meer dan de eerste. Daarom wogen de twee stemmen die in Zuid-Holland op 50PLUS werden uitgebracht tezamen bijna het dubbele van de zeven stemmen die in Zeeland op het CDA werden uitgebracht. Alle Statenleden hebben hun stem uitgebracht, maar niet elk Statenlid was erbij: twaalf Statenleden hebben een collega gemachtigd om namens hem/haar te stemmen.

Vreemd stemmen In de provincies Groningen, Flevoland, Utrecht, Noord-Brabant en Zuid-Holland hebben enkele Statenleden niet op hun eigen partij gestemd maar op een andere partij. Het zijn er niet veel: in totaal gaat het om zeven Statenleden, exclusief de Onafhankelijke Senaatsfractie en regionale partijen. Van de coalitiepartijen hebben twee VVD’ers op D66 gestemd, net als een CDA’er, terwijl een ander CDA’er op ChristenUnie heeft gestemd.

Legaal geritsel Uit de verkiezingsuitslag per provincie moet worden geconcludeerd dat er vreemde stemmen zijn uitgebracht, zoals bedoeld in de vorige alinea, ook al is het zo dat het stemgeheim ook voor Statenleden geldt. In de weken die aan de stemming voorafgingen hebben kranten herhaaldelijk bericht over Statenleden van CDA en VVD die niet op hun eigen partij gaan stemmen maar op die van coalitiegenoten D66 en ChristenUnie. Doel van dit vreemd stemmen was om die laatste partijen aan een (rest)zetel te helpen om daarmee de coalitiepartijen in de Eerste Kamer zo groot mogelijk te maken. Vreemde stemmen zijn in elk geval uitgebracht in de provincies Flevoland, Noord-Brabant, Groningen en Utrecht. In Flevoland en Noord-Brabant stemde een VVD’er op D66. In Groningen stemde een CDA’er op D66 en in Utrecht stemde een CDA’er op de ChristenUnie. De kranten lijken weinig waardering te hebben voor deze praktijk. Zo spreekt de Volkskrant van ”achter de schermen doende met een soort handjeklap” en ”achter de schermen een uitgebreide koehandel” en het AD van ”coalitie sleept sluw restzetels binnen”. Ook staatsrechtelijk kan bij deze praktijk een vraagteken worden geplaatst. Immers, om ervoor te zorgen dat alleen de overtollige stemmen naar een coalitiepartij gaan en bovendien dat die naar een bepaalde coalitiepartij gaan, moet het stemgedrag van alle Statenleden van die partij gecoördineerd worden. Anders gezegd: ze moeten stemmen in overeenstemming met instructies van hun partij. Kortom: partijdiscipline! De staatsrechtelijke vraag is dan: stemmen Statenleden daardoor nog wel vrij, naar eigen inzicht en overtuiging? Want dat is namelijk wat de Grondwet van hun verlangt, dat zij hun stem zonder last uitbrengen. De Staatscommissie parlementair stelsel die eind vorig jaar haar rapport publiceerde, brengt ook deze praktijk ter sprake en noemt het legaal geritsel (p 309/310). Anders gezegd: weliswaar niet on(grond)wettig, maar het wringt wel.

P.v.d.A. Het landelijke verkiezingsresultaat is dat Forum voor Democratie en VVD elk twaalf zetels hebben in de Eerste Kamer, CDA negen, GroenLinks acht, D66 zeven, P.v.d.A. zes, PVV vijf, SP en ChristenUnie elk vier, Partij voor de Dieren drie, 50PLUS en SGP elk twee en de Onafhankelijke Senaatsfractie één zetel. De nieuwe Eerste Kamer wordt over een week geïnstalleerd. De regeringspartijen VVD, CDA, D66 en ChristenUnie hebben daarin 32 zetels. Dat resultaat is mede bereikt dankzij de vreemde stemmen van VVD en CDA. Die 32 zetels vormen weliswaar geen meerderheid, want daarvoor zijn er 38 nodig, maar wel genoeg om alleen met de P.v.d.A. afspraken te hoeven maken.

Volgorde De volgorde op de kandidatenlijst is nooit willekeurig, maar door de politieke partij met veel zorg vastgesteld. De lijstvolgorde maakt de voorkeur van de partij duidelijk: hoe hoger een kandidaat op de lijst staat, hoe groter de partijvoorkeur is voor deze kandidaat. De Kieswet sluit daarbij aan door alle stemmen die op de lijsttrekker zijn uitgebracht en die deze zelf niet nodig heeft voor een (Eerste Kamer) zetel over te hevelen naar de andere kandidaten, in de volgorde van de lijst.

Voorkeurstemmen Kiezers kunnen deze lijstvolgorde doorbreken door op een lager geplaatste kandidaat te stemmen. Zij brengen dan een voorkeurstem uit. Als een kandidaat genoeg voorkeurstemmen heeft gekregen, krijgt hij een Eerste Kamer zetel terwijl een boven hem geplaatste kandidaat geen zetel hoeft te krijgen. Die kandidaat heeft dan een voorkeurszetel. Hoeveel voorkeurstemmen heeft hij nodig om een voorkeurszetel te krijgen? Dat verschilt per verkiezingen. Voor de Eerste Kamerverkiezingen zijn dat er net zoveel als nodig is om de lijst één volle zetel te geven; dit aantal heet de kiesdeler. Voor de Tweede Kamerverkiezingen is een kwart van de kiesdeler genoeg.

Voorkeurstemmen EK 2019: hoeveel? Zoals dat ook bij gewone verkiezingen het geval is, zijn bij de Eerste Kamerverkiezingen veruit de meeste stemmen op lijsttrekkers uitgebracht. Er zijn bij de stemming van vorige week maandag 87 voorkeurstemmen uitgebracht. Ik heb Forum voor Democratie buiten beschouwing gelaten, omdat in deze partij eind april een vertrouwensbreuk ontstond met de lijsttrekker. De andere kandidaten op de lijst hebben dit officieel verklaard en het partijbestuur kon zich daarin vinden. Gevolg is dat vorige week maandag slechts vier keer op hem is gestemd.

Voorkeurstemmen EK 2019: waar? Hoe zijn de voorkeurstemmen verdeeld over de provincies? De meeste voorkeurstemmen zijn uitgebracht in de middelgrote provincies: elf in Groningen, veertien in Limburg (waarvan negen op het CDA) en vijftien in Friesland. In totaal zijn in elk van deze top drie provincies ongeveer 45 stemmen uitgebracht. In de vier grootste provincies zijn veel minder voorkeurstemmen uitgebracht: zes in Gelderland en Zuid-Holland en vier in Noord-Holland en Noord-Brabant. Vanwaar deze verschillen? Heeft het ermee te maken dat (ook) de voorkeurstem in de ene provincie zwaarder weegt dan in de andere? Ik denk het niet want geen enkele van de drie provincies waar een voorkeurstem het lichtste is – Zeeland, Flevoland en Drenthe – maakt deel uit van de top drie.

Voorkeurstemmen EK 2019: waarop? Hoe zijn de voorkeurstemmen verdeeld over de partijen? Op sommige partijen zijn helemaal geen (VVD) of is slechts één voorkeurstem (SP) uitgebracht. Landelijk zijn de meeste voorkeurstemmen uitgebracht op PVV, SGP, GroenLinks en PvdA. Bij PVV is dat bijna de helft (16 van de in totaal 38 stemmen). Bij de andere drie is dat een derde tot een vierde: SGP (5 van de in totaal 15), GroenLinks (20 van de in totaal 61) en PvdA (15 van de in totaal 53). Hoe komt het dat op de partij die de meeste stemmen heeft gekregen – VVD – geen enkele voorkeurstem is uitgebracht? Kan dat te maken met partijdiscipline?

Voorkeurszetels Overigens hebben slechts twee kandidaten voldoende voorkeurstemmen gekregen voor een voorkeurszetel. Een kandidaat van GroenLinks en een kandidaat van PVV. De kandidaat van GroenLinks was trouwens ook zonder voorkeursstemmen gekozen, want zij heeft genoeg overtollige stemmen van de lijsttrekker gekregen.

BRONNEN:

”Stemmen”

Artikel T 1 Kieswet luidt (gedeeltelijk): De stemming vindt plaats om vijftien uur (Europees-Nederlandse tijd).

Artikel T 3: De voorzitter benoemt uit de statenvergadering drie leden, die met hem als voorzitter het stembureau vormen.

Artikel T 4 luidt (gedeeltelijk): Een statenlid brengt zijn stem uit door een wit stipje, geplaatst vóór de kandidaat van zijn keuze, rood te maken.

Artikel T 9 luidt: In geval van twijfel over de geldigheid van een stembiljet beslist de vergadering. Bij staken van stemmen beslist de voorzitter.

”Stem”

Artikel U 2 Kieswet luidt (gedeeltelijk): Elke stem geldt, naar gelang van de provincie waar zij is uitgebracht, voor een aantal stemmen, gelijk aan het getal dat verkregen wordt door het inwonertal van de provincie te delen door het honderdvoud van het aantal leden waaruit provinciale staten bestaan. Dit getal wordt de stemwaarde genoemd.

Artikel T 4 luidt (gedeeltelijk): Aan een statenlid wordt op zijn verzoek toegestaan bij volmacht te stemmen. Een statenlid mag niet meer dan één aanwijzing als gemachtigde aannemen.

”Legaal geritsel”

Artikel T 5 Kieswet luidt: Na het uitbrengen van zijn stem levert het statenlid het stembiljet dichtgevouwen bij de voorzitter in.

Artikel 129 Grondwet luidt (gedeeltelijk): De leden van provinciale staten (..) stemmen zonder last.

”Volgorde”

Artikel P 17 van de Kieswet luidt (gedeeltelijk): De zetels worden aan de nog niet gekozen kandidaten van de desbetreffende lijsten toegewezen in de volgorde van de lijst.

”Voorkeurstemmen”

Artikel T 4 van de Kieswet luidt (gedeeltelijk): Een statenlid brengt zijn stem uit door een wit stipje, geplaatst vóór de kandidaat van zijn keuze, rood te maken.

Artikel U 15 luidt (gedeeltelijk): Gekozen (voor de Eerste Kamer) zijn de kandidaten van de lijst die een aantal stemmen hebben verkregen, groter dan of gelijk aan de kiesdeler.

Artikel P 15 lid 1 luidt (gedeeltelijk): In de volgorde van de aantallen op hen uitgebrachte stemmen zijn (voor de Tweede Kamer) gekozen die kandidaten die op de gezamenlijke lijsten waarop zij voorkomen, een aantal stemmen hebben verkregen, groter dan 25% van de kiesdeler, voor zover aan de lijst voldoende zetels zijn toegewezen.

Verkiezingen Europees Parlement: de kandidatenlijsten en de fracties

DINSDAG 14 MEI 2019 Volgende week donderdag 23 mei worden de verkiezingen voor het Europees Parlement gehouden. Onlangs hebben de kiezers de goedgekeurde kandidatenlijsten in hun brievenbus ontvangen. Aan welke eisen moeten de lijsten en kandidaten voldoen en van welke fracties gaan de gekozenen straks deel uitmaken in het Europees Parlement?

Europees Parlement Het Europees Parlement bestaat uit 751 leden. Ze worden gekozen in 28 lidstaten, inclusief het Verenigd Koninkrijk. In Nederland worden 26 Europarlementariërs gekozen. Het Europees Parlement vergadert in Brussel en Straatsburg. Europarlementariërs doen – net als de parlementariërs in Den Haag – hun werk zonder dat zij gebonden zijn aan instructies van kiezers of politieke partij.

Kandidaten Niet iedereen mag zich kandidaat stellen. Dat mogen alleen degenen die 18 jaar of ouder zijn en die óf Nederlander zijn óf in Nederland wonen en de nationaliteit hebben van een lidstaat van de Europese Unie. Kandidaten met de Nederlandse nationaliteit hoeven hier dus niet te wonen. Ze mogen ook elders in Europa of zelfs daarbuiten wonen. Zo wonen de lijsttrekkers van D66, PVV en Partij voor de Dieren in België, terwijl de lijsttrekker van Forum voor Democratie in de VS woont.

Naam De folder met kandidatenlijsten die de kiezers onlangs hebben ontvangen, ziet er hetzelfde uit als het stembiljet dat men op het stembureau ontvangt. Er staan 16 kandidatenlijsten op. Boven elke kandidatenlijst staat de naam die een partij bij deze verkiezingen gebruikt. Dat kan de partijnaam zijn maar ook een andere naam. Tot op zekere hoogte is het aan de partij zelf welke naam wordt gebruikt. Wat bijvoorbeeld niet mag, is dat de naam voor kiezers misleidend is, omdat hij teveel lijkt op de naam van een andere partij. Ook mag hij uit niet meer dan 35 tekens bestaan. Sommige gebruikte namen zijn heel kort, zoals VVD. Andere zijn veel langer, zoals CDA – Europese Volkspartij (26 tekens) en PVV (Partij voor de Vrijheid) (29 tekens). Het langste is P.v.d.A./Europese Sociaaldemocraten (35 tekens).

1 of 2 namen Boven de meeste lijsten staat slechts één naam, al dan niet met afkorting, zoals Democraten 66 (D66), VVD, SP (Socialistische Partij) of GroenLinks. Sommige partijen hebben een gezamenlijke lijst met een andere partij, en dan staan hun beider namen erboven. Dat is het geval met ChristenUnie en SGP en met vandeRegio en de Piratenpartij.

EVP en PES Ook boven de lijsten van CDA en PvdA staan twee partijnamen. Boven die van het CDA zijn dat CDA en Europese Volkspartij. Boven die van de PvdA zijn dat P.v.d.A. en Europese Sociaaldemocraten. Hier is echter geen sprake van gezamenlijke lijsten. De Europese Volkspartij en de Europese Sociaaldemocraten zijn beide Europese partijen, waarvan CDA respectievelijk PvdA lid zijn. Er is bij beide sprake van de lijst van één partij. De Europese Volkspartij (EVP) heet in het Frans Parti populaire européen (PPE) en in Engels European People’s Party (EPP), opgericht in 1976. Alleen nationale partijen en organisaties kunnen er lid van worden, het lidmaatschap staat niet open voor individuen (enkele uitzonderingen daargelaten). Naast het CDA zijn daarvan bijvoorbeeld de Duitse CDU en CSU, de Franse Les Républicains en de meeste Europarlementariërs van het Italiaanse Forza Italia lid. Ook het Hongaarse Fidesz is lid, hoewel geschorst sedert enkele maanden. De Partij van de Europese Sociaaldemocraten heet in het Engels Party of European Social Democrats (PES), opgericht in 1992. Lidmaatschap staat niet alleen open voor nationale partijen en organisaties maar ook voor individuen: iedereen die lid is van een nationale partij – zoals de PvdA – kan ook lid worden van de PES. Wat dit individueel lidmaatschap inhoudt is niet helemaal duidelijk, in elk geval is er geen stemrecht aan verbonden. Naast de PvdA zijn bijvoorbeeld de Duitse SPD en de Britse Labour Party nationale partijen die lid zijn.

Group Alle fracties – groups – in het Europees Parlement hebben een Engelse naam. De fractie van de Europese Volkspartij heet Group of the European People’s Party (Christian Democrats). Dit is de grootste fractie. Slechts een enkel fractielid is van een nationale partij die geen lid is van de EVP. Een voorbeeld is de Britse The Independent Group. Deze TIG is enkele maanden geleden opgericht door parlementariërs in het Britse Lagerhuis die Labour Party of Conservative Party vanwege hun Brexit-plannen hebben verlaten. Ook de fractie van de PES bestaat bijna helemaal uit Europarlementariërs van nationale partijen die lid zijn van de PES. Toch treedt deze naam in de fractienaam veel minder op de voorgrond: Group of the Progressive Alliance of Socialists and Democrats in the European Parliament (S&D). Deze fractie is de op een na grootste fractie.

Group ALDE Hoe zit het met de andere Nederlandse Europarlementariërs, van welke groups maken zij deel uit? De Europarlementariërs van VVD en D66 maken deel uit van de Group of the Alliance of Liberals and Democrats for Europe (ALDE). Ook de Europarlementariërs van bijvoorbeeld de Duitse FDP, de Britse LibDems, de Open Vlaamse Liberalen en Democraten (Guy Verhofstadt) en de Franse La République en Marche zitten in deze fractie. Die laatste partij heeft nu slechts één Europarlementariër. Het is echter ook de partij die in de Franse Tweede Kamer de absolute meerderheid heeft. Het ziet er naar uit dat ze ook groot gaat worden onder de Franse Europarlementariërs, waarvan er in totaal 74 zijn. Wat gaat dit voor de fractie van ALDE en voor andere fracties betekenen? Blijven de Europarlementariërs van La République en Marche straks deel uit maken van ALDE? Of gaan ze het politieke landschap ingrijpend veranderen door een nieuwe fractie te vormen, samen met sommige ALDE-partijen en PES-partijen? Gisteren stond in de Süddeutsche Zeitung dat daarover in elk geval verkennende gesprekken zijn gevoerd met onder andere VVD, D66 en FDP, en dat enkele Italiaanse en Portugese PES-partijen ook wel interesse hebben. De naam van de eventuele fractie staat al vast: Renaissance.

Andere groups De Europarlementariërs van ChristenUnie en SGP maken deel uit van de European Conservatists and Reformists Group (ECR), net als bijvoorbeeld de (meeste) Europarlementariërs van de Britse Conservative Party, de Belgische NVA en de Poolse PiS. De Europarlementariërs van GroenLinks maken deel uit van de Group of the Greens/European Free Alliance (Greens/EFA), net als bijvoorbeeld de Duitse Bündnis 90/Die Grünen en Piratenpartei Deutschland. Die van SP én Partij voor de Dieren maken deel uit van de Confederal Group of the European United Left – Nordic Green Left (GUE/NGL), net als bijvoorbeeld de Duitse Die Linke en het Spaanse Podemos. De Europarlementariërs van PVV maken deel uit van Europe of Nations and Freedom Group (ENF), net als bijvoorbeeld de Franse Rassemblement national (Marine Le Pen), de Oostenrijkse FPÖ, het Vlaams Belang en de Italiaanse Lega Nord.

EFDD Geen enkele Europarlementariër uit Nederland maakt deel uit van de fractie Europa van Vrijheid en Directe Democratie (EFDD), waarin bijvoorbeeld de Italiaanse Movimento 5 Stelle (Vijfsterrenbeweging) en de Duitse Alternative für Deutschland (AfD).

Groups? De andere partijen op het stembiljet hebben nog geen Europarlementariërs. In de volgorde waarop ze op het stembiljet staan: 50PLUS, JEZUS LEEFT, DENK, De Groenen, Forum voor Democratie, Piratenpartij, Vanderegio en Volt Nederland. Het is onbekend van welke fractie in het Europees Parlement ze straks deel gaan uitmaken.

Volt Volt Nederland is een afdeling van Volt Europa. Volt Europa is een Europese partij, twee jaar geleden opgericht. Ook deze partij neemt dus (mede) onder de naam van een Europese partij deel aan de verkiezingen. In tegenstelling tot de EVP en de PES staat het lidmaatschap open voor individuen en hebben die leden ook stemrecht. Volt Europa wil dat er in elk land een afdeling komt. Zo is er inmiddels Volt België, Volt Luxemburg, Volt Duitsland en Volt Nederland dus. Al deze afdelingen zijn pas opgericht na Volt Europa. Wie lid wordt van een nationale afdeling, is automatisch lid van Volt Europa. Waar geen afdeling bestaat, kan men rechtstreeks lid worden van Volt Europa. Waar wel een afdeling bestaat, kan dat soms zonder afdelingslidmaatschap. Het zijn de afdelingen die deelnemen aan de Europese verkiezingen. In het AD van afgelopen vrijdag staat dat de Europarlementariërs van Volt straks een eigen fractie willen gaan vormen. Een nieuwe fractie (group) moet volgens het reglement van het Europees Parlement aan zekere eisen voldoen, zoals minstens 25 leden tellen. Gaat dit lukken?

Voorkeursstem In Nederland wordt bij de verkiezing voor het Europees Parlement een voorkeursstem uitgebracht, dat wil zeggen dat de kiezer niet stemt op een lijst maar op een kandidaat van een lijst. De politieke partij heeft de volgorde op de lijst bepaald. Voorkeurstemmen kunnen die volgorde doorbreken, als er genoeg stemmen op een kandidaat worden uitgebracht. Genoeg is hier ongeveer 18.000 stemmen. Het wettelijk criterium is namelijk 10% van de kiesdeler. In 2014, bij de vorige verkiezingen voor het Europees Parlement was de kiesdeler 183.000 stemmen. Dit is een relatief lage kiesdeler, en dat komt door de lage opkomst. In 2014 hebben 5 Nederlandse Europarlementariërs de lijstvolgorde doorbroken. Best veel eigenlijk, want dat zijn 5 van de in totaal 26 Nederlandse Europarlementariërs, en dat is dus bijna 20%.

BRONNEN:

”Europees Parlement”

Artikel 6 van de Europese Akte luidt (gedeeltelijk): De leden van het Europees Parlement brengen hun stem individueel en persoonlijk uit. Zij mogen niet gebonden zijn door instructies en geen bindend mandaat aanvaarden.

”Kandidaten”

Artikel Y 4 van de Kieswet luidt (gedeeltelijk): Lid van het Europees Parlement kunnen zijn: a. zij die voldoen aan de vereisten die in artikel 56 van de Grondwet voor het lidmaatschap van de Staten-Generaal worden gesteld; b. de niet-Nederlanders die onderdanen zijn van andere lidstaten van de Europese Unie, mits zij: 1°. hun werkelijke woonplaats hebben in het Europese deel van Nederland, 2°. de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, en 3°. niet zijn uitgesloten van het recht om gekozen te worden, hetzij in Nederland, hetzij in de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn.

Artikel 56 van de Grondwet luidt: Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

”Naam”

Artikel Y 10 van de Kieswet luidt (gedeeltelijk): Behalve op de in artikel G 1, vierde lid, genoemde gronden wordt op een verzoek om registratie van de aanduiding van een politieke groepering ten behoeve van de verkiezing van de leden van het Europees Parlement afwijzend beschikt, indien de aanduiding geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een aanduiding van een andere politieke groepering die reeds ten behoeve van de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer is geregistreerd, of met een aanduiding waarvoor reeds eerder ten behoeve van die verkiezing een registratieverzoek is ontvangen, en daardoor verwarring te duchten is.

Artikel G1 luidt (gedeeltelijk): Een politieke groepering die een vereniging is met volledige rechtsbevoegdheid kan aan het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer schriftelijk verzoeken de aanduiding waarmee zij voor die verkiezing op de kandidatenlijst wenst te worden vermeld, in te schrijven in een register dat door het centraal stembureau wordt bijgehouden. Het centraal stembureau beschikt slechts afwijzend op het verzoek, indien: a. de aanduiding strijdig is met de openbare orde; b. de aanduiding geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een reeds geregistreerde aanduiding van een andere politieke groepering, of met een aanduiding waarvoor reeds eerder op grond van dit artikel een registratieverzoek is ontvangen, en daardoor verwarring te duchten is; c. de aanduiding anderszins misleidend is voor de kiezers; d. de aanduiding meer dan 35 letters of andere tekens bevat.

”Volt”

Artikel 32 van het Reglement van het Europees Parlement luidt (gedeeltelijk): De leden kunnen fracties oprichten naar politieke gezindheid. Een fractie bestaat uit leden uit ten minste een vierde van de lidstaten. Het voor de oprichting van een fractie vereiste aantal leden bedraagt ten minste vijfentwintig.

”Voorkeursstem”

Artikel 1 van de Europese Akte luidt (gedeeltelijk): De lidstaten kunnen het uitbrengen van voorkeurstemmen toestaan, overeenkomstig de bepalingen die zij vastleggen.

Artikel P 15 van de Kieswet luidt (gedeeltelijk): In de volgorde van de aantallen op hen uitgebrachte stemmen zijn gekozen die kandidaten die op de gezamenlijke lijsten waarop zij voorkomen, een aantal stemmen hebben verkregen, groter dan 25% van de kiesdeler, voor zover aan de lijstengroep of de niet van een lijstengroep deel uitmakende lijst voldoende zetels zijn toegewezen.

Artikel Y 23a luidt (gedeeltelijk): Voor de toepassing van de artikelen P 15 en P 19, tweede lid, wordt voor «25% van de kiesdeler» gelezen: 10% van de kiesdeler.

Wat zegt de uitslag van de provinciale staten verkiezingen over de samenstelling van de Eerste Kamer?

DINSDAG 2 APRIL 2019 Op 27 mei zijn er de verkiezingen voor de Eerste Kamer. De Eerste Kamer – de senaat – wordt niet door de burgers verkozen maar door volksvertegenwoordigers. Uit de uitslag van de provinciale staten verkiezingen van 20 maart wordt duidelijk dat de coalitiepartijen hun meerderheid in de Eerste Kamer zullen verliezen. Tot nu toe hadden ze een meerderheid, al is die met 38 van de 75 zetels aan de nipte kant.

Electoraat Electoraat van de Eerste Kamer zijn de leden van de Provinciale Staten, niet de burgers. Provinciale Staten zijn het parlement van de provincie. Elk van de twaalf provincies heeft één Provinciale Staten. In totaal zijn dat 570 Statenleden. Dat is echter niet het hele electoraat voor de Eerste Kamer. Daar komen namelijk nog bij de leden van de kiescolleges in Caribisch Nederland, de overzeese gemeenten Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De burgers hebben op 20 maart per overzeese gemeente een eigen kiescollege gekozen. De leden van deze drie kiescolleges brengen op 27 mei hun stem uit voor de Eerste Kamer. In totaal zijn dat 19 kiescollegeleden, waarvan Bonaire met 9 leden bijna net zoveel leden heeft als de andere tezamen. De kiescollegeleden van Bonaire zijn verdeeld over drie verschillende partijen. Op 27 mei brengen al deze 570 plus 19 kiezers in hun eigen vergaderzalen hun stem uit, om drie uur ’s middags (althans: in Nederland). Allen stemmen individueel en in het geheim. Er wordt dus niet per partij gestemd, en zeker niet per Provinciale Staten. Een Statenlid hoeft niet te stemmen op de eigen partij. Dus hoeft een Statenlid van bijvoorbeeld GroenLinks niet op een Eerste Kamer kandidaat van die partij te stemmen, maar mag zij of hij ook stemmen op een kandidaat van bijvoorbeeld PvdA of ChristenUnie. Dat is een van de redenen waarom de uitslag van de Eerste Kamerverkiezing na vaststelling van de uitslag van de provinciale staten verkiezingen niet al bij voorbaat helemaal vaststaat.

Volle zetels Waarom zou een Statenlid stemmen op een andere partij? De Eerste Kamer heeft 75 zetels. Het aantal zetels dat een partij krijgt, is afhankelijk van het aantal stemmen dat op die partij is uitgebracht. De kiesdeler is het aantal stemmen dat nodig is voor één zetel. De partij die twee keer de kiesdeler heeft gehaald, krijgt twee zetels. Enzovoorts. Ik noem dat hier volle zetels. Het aantal stemmen dat in de praktijk op een partij wordt uitgebracht, is nooit precies het aantal van (een of meer keer) de kiesdeler. Ik noem hier de stemmen die niet nodig zijn voor de kiesdeler resterende stemmen. Vanwege deze resterende stemmen kan het van politieke wijsheid getuigen om op een andere partij te stemmen.

Restzetels Na verdeling van alle volle zetels blijven er altijd een aantal zetels over. Dat zijn de restzetels. Een restzetel gaat naar de partij die het grootste gemiddelde aantal stemmen per zetel heeft gehaald. Naarmate een partij meer volle zetels haalt, heeft ze minder resterende stemmen nodig om een restzetel te krijgen. Een partij met 11 volle zetels heeft dus voor een restzetel minder resterende stemmen nodig dan een met 8 volle zetels, die heeft er weer minder nodig dan een met 6 volle zetels, en die met 6 weer minder dan een met 3. In de NRC van 27 maart staat dat o.a. VVD, CDA, GroenLinks, PvdA, ChristenUnie en Partij voor de Dieren kans maken op een restzetel. De krant maakt onderscheid tussen restzetels die vrij zeker zijn en restzetels die zeer onzeker zijn. Uit het krantenbericht blijkt dat voor de partijen met veel volle zetels een restzetel vrij zeker is: zo hebben VVD (11 volle zetels), CDA (8) en GroenLinks (8) vrij zeker een restzetel. Terwijl voor de kleinere partijen Partij voor de Dieren (2), ChristenUnie (3) en PvdA (6) een restzetel zeer onzeker is. Dat is een mooie illustratie van de regel dat partijen met veel volle zetels minder resterende stemmen nodig hebben dan partijen met weinig volle zetels. Het is trouwens niet uitgesloten dat zelfs een partij die de kiesdeler helemaal niet haalt toch een restzetel krijgt, maar dan zal die partij (veel) meer stemmen moeten hebben dan de andere partijen resterende stemmen hebben. Op 27 mei zou de Onafhankelijke Senaatsfractie op die manier haar ene zetel kunnen krijgen. De OSF komt op voor provinciale partijen. Het is echter nog maar de vraag of dat daadwerkelijk gaat gebeuren: in elk geval overwegen volgens hun websites de beide Groningse provinciale partijen om hun stem aan een andere partij te geven. In elk geval voor één van hen zou dat te maken hebben met onvrede over de opstelling van de Onafhankelijke Senaatsfractie in het Groninger gasdossier. In de Provinciale Staten maakt het na 27 mei trouwens niet meer uit of de zetels waarover een partij beschikt restzetels of volle zetels zijn.

PvdA De vier coalitiepartijen verliezen na 27 mei hun meerderheid in de Eerste Kamer. De coalitie lijkt het straks aan zeven of acht zetels te ontbreken. Acht zetels, als ChristenUnie geen restzetel krijgt. 7 zetels, als ChristenUnie die wel krijgt, maar zoals gezegd is de restzetel voor deze partij zeer onzeker. Stel dat het lukt: ook dan moet bij oppositiepartijen worden gezocht naar kabinetssteun. Die zou bij de PvdA kunnen worden gevonden: deze partij lijkt te kunnen rekenen op zes volle zetels en ze maakt kans op een restzetel, maar die laatste zetel is zoals gezegd zeer onzeker. Alleen GroenLinks (9) en Forum voor Democratie (13) worden groot genoeg om het kabinet aan een meerderheid in de Eerste Kamer te helpen. De andere partijen zijn daarvoor sowieso te klein: SP (4), SGP (1), PVV (5) en 50Plus (2). Of zou een vier partijen kabinet als Rutte 3 afhankelijk willen zijn van de steun van meer oppositiepartijen?

Overleg Zoals gezegd kan het in het belang zijn van een partij dat sommige van haar Statenleden op 27 mei op een andere partij stemmen, bijvoorbeeld een politiek verwante partij of een partij die om andere redenen nuttig is. Als een laatste volle zetel of restzetel er toch niet meer in zit voor een partij – en de uitslag van de provinciale staten verkiezingen kan daarover duidelijkheid verschaffen – dan kunnen de stemmen van deze Statenleden beter op zo’n andere partij worden uitgebracht, als die daarmee nog een extra zetel kan krijgen. Tot dit strategisch stemmen gaan Statenleden alleen over in goed overleg met hun landelijke partijleiding. Enkele Statenleden van coalitiepartijen VVD, CDA en D66 zouden er op 27 mei voor kunnen kiezen om op coalitiegenoot ChristenUnie of zelfs op oppositiepartij PvdA te stemmen, om daarmee deze partijen aan een restzetel te helpen, natuurlijk doen ze dit alleen als hun eigen volle zetels en restzetels daardoor niet in gevaar komen.

De ene stem is de andere niet De stem die een Statenlid van de ene partij uitbrengt is natuurlijk even zwaar als de stem die een Statenlid van een andere partij fractie uitbrengt. Echter: de stem die een Statenlid van de ene provincie uitbrengt, weegt nooit hetzelfde als de stem die een Statenlid van een andere provincie uitbrengt. Het stemgewicht kan zo sterk uiteenlopen dat de zwaarste stem (bijna) tien keer zoveel weegt als de lichtste. Het stemgewicht neemt toe naarmate een provincie meer inwoners telt. Daarom hebben de 55 Zuid-Hollandse Statenleden de zwaarste stemmen en de 39 Zeeuwse Statenleden de lichtste stemmen. De andere provincies zitten daar ergens tussen in. Zo wegen de stemmen van de 43 Groningse Statenleden anderhalf keer zoveel als die van de Zeeuwse, maar slechts 1/7 van die van de Zuid-Hollandse. Bij het strategisch stemmen moet natuurlijk rekening worden gehouden met deze uiteenlopende stemgewichten. Het stemgewicht van de 19 kiescollegeleden van Caribisch Nederland is trouwens nog veel minder dan die van de Zeeuwse Statenleden: de stemmen van de 9 kiescollegeleden van Bonaire wegen slechts 1/20 van de Zeeuwse stemmen.

Voorkeurstemmen Net als burgers bij rechtstreekse verkiezingen doen, brengen Statenleden hun stem niet uit op een partij, maar op een kandidaat van die partij. Ze brengen met andere woorden altijd een voorkeurstem uit; ook een stem op de hoogste kandidaat – de lijsttrekker – is een voorkeursstem, in ieder geval in de zin van de wet. De Statenleden van een van de Groningse provinciale partijen overwegen volgens hun website om hun stem aan de nummer twee van een andere partij te geven, dat is dan dus een echte voorkeurstem. Burgers kunnen bij rechtstreekse verkiezingen de lijstvolgorde doorbreken met 25% van de kiesdeler. Dat gaat niet op voor Statenleden: zij kunnen bij de Eerste Kamerverkiezingen de lijstvolgorde pas met 100% van de kiesdeler doorbreken. De lijstvolgorde wordt bepaald door de landelijke partijorganisatie.

BRONNEN:

”Electoraat”

Artikel Q 1 van de Kieswet luidt: De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De leden van provinciale staten komen per provincie in vergadering bijeen tot het uitbrengen van hun stem.

Artikel Ya 30 luidt: De leden van de Eerste Kamer worden in de openbare lichamen gekozen door de leden van de kiescolleges. De leden van de kiescolleges komen per openbaar lichaam in vergadering bijeen tot het uitbrengen van hun stem. De bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen betreffende de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer zijn, voor zover deze paragraaf niet anders bepaalt, van toepassing op de verkiezing van deze leden door de leden van de kiescolleges, met dien verstande dat telkens in die bepalingen mede wordt gelezen in plaats van:a. «de provincie» of «de provincies»: het openbaar lichaam onderscheidenlijk de openbare lichamen; b. «provinciale staten» en «staten»: het kiescollege; c. «statenlid»: kiescollegelid; d. «statenvergadering»: vergadering van het kiescollege.

Artikel Ya 2 luidt (gedeeltelijk): In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

Artikel Ya 22 luidt (gedeeltelijk): De bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen betreffende de verkiezing van de leden van provinciale staten zijn, voor zover deze paragraaf niet anders bepaalt, van toepassing op het kiescollege, met dien verstande dat telkens in die bepalingen wordt gelezen in plaats van: a. «de provincie» en «een provincie die één kieskring vormt»: het openbaar lichaam; b. «provinciale staten» en «staten»: het kiescollege;

Website Kiesraad 27 maart 2019: Op 27 mei vindt de verkiezing plaats van de 75 leden van de Eerste Kamer. Gestemd wordt door de op 20 maart gekozen (570) provinciale statenleden en de (19) leden van de kiescolleges van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Niet iedere stem telt daarbij even zwaar; dit hangt af van het inwoneraantal van de provincie respectievelijk openbaar lichaam. Op basis van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde bevolkingsaantallen per 1 januari 2019 heeft de Kiesraad de volgende stemwaarden vastgesteld.

Artikel T 1 luidt (gedeeltelijk): De stemming vindt plaats om vijftien uur (Europees-Nederlandse tijd).

Artikel T 3 luidt: De voorzitter benoemt uit de statenvergadering drie leden, die met hem als voorzitter het stembureau vormen.

Artikel 53 Grondwet luidt: De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

”Volle zetels”

Artikel O 2 Kieswet luidt (gedeeltelijk): Het hoofdstembureau stelt ten aanzien van iedere lijst vast het aantal op iedere kandidaat uitgebrachte stemmen en de som van deze aantallen. Deze som wordt stemcijfer genoemd.

Artikel U 7 luidt: Het centraal stembureau deelt de som van de stemcijfers van alle lijsten door het aantal te verdelen zetels. Het aldus verkregen quotiënt wordt kiesdeler genoemd.

Artikel U 8 luidt: Zoveel maal als de kiesdeler is begrepen in het stemcijfer van een lijst wordt aan die lijst een zetel toegewezen.

”Restzetels”

Artikel U 9 van de Kieswet luidt: De overblijvende zetels, die restzetels worden genoemd, worden achtereenvolgens toegewezen aan de lijsten die na toewijzing van de zetels het grootste gemiddelde aantal stemmen per toegewezen zetel hebben. Indien gemiddelden gelijk zijn, beslist zo nodig het lot.

”De ene stem is de andere niet”

Artikel U 2 van de Kieswet luidt (gedeeltelijk): Elke stem geldt, naar gelang van de provincie waar zij is uitgebracht, voor een aantal stemmen, gelijk aan het getal dat verkregen wordt door het inwonertal van de provincie te delen door het honderdvoud van het aantal leden waaruit provinciale staten bestaan. Het quotiënt wordt daarna afgerond tot een geheel getal, naar boven, indien een breuk 1/2 of meer, en naar beneden, indien een breuk minder dan 1/2 bedraagt. Dit getal wordt de stemwaarde genoemd.

Artikel U 3 luidt: Ten aanzien van iedere provincie vermenigvuldigt het centraal stembureau de aantallen op iedere kandidaat uitgebrachte stemmen en de stemcijfers van de lijsten met de voor die provincie geldende stemwaarde. Voor de vaststelling van de uitslag van de verkiezing gelden de aldus verkregen produkten als de aantallen op ieder kandidaat uitgebrachte stemmen, onderscheidenlijk de stemcijfers van de lijsten.

De stemgewichten van provincies en kiescolleges staan op de website van de Kiesraad.

”Voorkeursstemmen”

Artikel Q 4 van de Kieswet luidt: De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer vindt plaats op de dinsdag in de periode van 19 tot en met 25 april.

Artikel R 4 luidt (gedeeltelijk): De namen van de kandidaten worden op de lijsten geplaatst in de volgorde waarin aan hen de voorkeur wordt gegeven.

Artikel U 15 luidt (gedeeltelijk): Gekozen zijn de kandidaten van de lijst, daartoe aangewezen door overeenkomstige toepassing van de artikelen P 15 tot en met P18 en P 19 en P 19a, met dien verstande dat in afwijking van artikel P 15, eerste lid, eerste zin, zijn gekozen de kandidaten die een aantal stemmen hebben verkregen, groter dan of gelijk aan de kiesdeler.

Artikel P 15 luidt (gedeeltelijk): In de volgorde van de aantallen op hen uitgebrachte stemmen zijn gekozen die kandidaten die op de gezamenlijke lijsten waarop zij voorkomen, een aantal stemmen hebben verkregen, groter dan 25% van de kiesdeler, voor zover aan de lijstengroep of de niet van een lijstengroep deel uitmakende lijst voldoende zetels zijn toegewezen. Indien aantallen gelijk zijn, beslist zo nodig het lot.

Artikel P 17 luidt: De zetels, toegewezen aan de al dan niet van een lijstengroep deel uitmakende lijsten, die na toepassing van de artikelen P 15 en P 16 nog niet aan een kandidaat zijn toegewezen, worden aan de nog niet gekozen kandidaten van de desbetreffende lijsten toegewezen in de volgorde van de lijst.

Lijsttrekkersdebat Eerste Kamer op TV

DINSDAG 19 FEBRUARI 2019 Afgelopen zondag is het eerste televisiedebat gehouden voor de provinciale verkiezingen van 20 maart aanstaande. Dat zijn de verkiezingen van de provinciale staten, het parlement dat elke provincie heeft. De provincie is een bestuurslaag tussen gemeenten en nationale overheid in, en gaat bijvoorbeeld over openbaar vervoer en ruimtelijke ordening. Afgelopen zondag is echter gedebatteerd over Nederland in Europa, het nationaal klimaatbeleid en wie bereid is steun te verlenen aan Rutte-III. Provinciale onderwerpen zijn niet aan bod gekomen. Wat is er aan de hand?

Eerste Kamer Het was een debat tussen de lijsttrekkers van GroenLinks, Forum voor Democratie, PvdA, CDA, VVD en D66, de lijsttrekkers voor de Eerste Kamer. De Eerste Kamerverkiezing vindt plaats op 27 mei aanstaande. Welke relatie is er tussen deze verkiezing en de provinciale verkiezingen? De nieuwe Eerste Kamer wordt gekozen door de leden van de twaalf provinciale staten die op 20 maart worden gekozen (plus door Caribisch Nederland).

570 kiezers Op 27 mei zullen daarom 570 statenleden de 75 leden van de Eerste Kamer kiezen. Het ligt voor de hand dat een statenlid stemt op een kandidaat-Kamerlid van de eigen partij: een CDA-statenlid stemt op een kandidaat-Kamerlid van het CDA, een GroenLinks-statenlid op een kandidaat-Kamerlid van GroenLinks, enzovoorts. De Nederlandse inwoners van een provincie kiezen de statenleden van hun provincie op 20 maart. Deze keuze is tevens een keuze voor de (politieke samenstelling van de) Eerste Kamer vanaf 27 mei, al is dat dan ook een indirecte keuze. Dit is een belangrijke reden dat in het kader van de provinciale verkiezingen lijsttrekkers voor de Eerste Kamer met elkaar televisiedebatten aangaan over nationale onderwerpen (die weinig of niets met provinciaal beleid van doen hebben).

Burger Eigenlijk brengt de burger op 20 maart dus twee stemmen uit: een voor het provinciaal bestuur en een voor de Eerste Kamer. Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat een kiezer voor het provinciaal bestuur op een kandidaat van de ene partij wil stemmen en voor de Eerste Kamer op een kandidaat van een andere partij. Hij zal dan moeten beslissen welke keuze voorrang krijgt, zoals ook de Staatscommissie parlementair stelsel vorig jaar schreef in haar eindrapport Lage Drempels, Hoge Dijken. Democratie en rechtsstaat in balans (bladzijde 308). Toch is de staatscommissie er geen voorstander van om de burger twee echte stemmen te geven, een keer voor het provinciaal bestuur en een keer voor de Eerste Kamer. De Staatscommissie is geen voorstander van directe verkiezing van de Eerste Kamer (bladzijde 309).

7000 kiezers Directe verkiezing van de Eerste Kamer is natuurlijk niet de enige oplossing van deze keuzestress. Een andere oplossing is om de Eerste Kamer te laten kiezen door gemeenteraadsleden. Het is waar dat de burgers ook de gemeenteraden kiezen, maar er zijn belangrijke verschillen. Zo is het aantal gemeenteraadsleden veel groter (7000 in plaats van 570) en worden in gemeenteraden veel meer volksvertegenwoordigers gekozen voor (lokale) partijen die niet in de Eerste Kamer zijn vertegenwoordigd.

Franse Eerste Kamer Er zijn landen waar de Eerste Kamer wordt gekozen door de gemeenteraadsleden. Bijvoorbeeld Frankrijk; de senaat wordt hier (vrijwel uitsluitend) gekozen door de gemeenteraadsleden.

Buitenlandse kiezers De staatscommissie is hier evenmin voorstander van, omdat buitenlandse kiezers die hier wonen hun stem mogen uitbrengen voor de gemeenteraad en op die manier indirect invloed krijgen op de samenstelling van de Eerste Kamer (bladzijde 310), en dat is onwenselijk. Voor de gemeenteraad zijn buitenlanders die uit de Europese Unie komen sowieso kiesgerechtigd. Andere buitenlanders – bijvoorbeeld vluchtelingen – kunnen ook kiesgerechtigd zijn; daarvoor moeten zij in elk geval vijf jaar een verblijfsvergunning hebben. Wie als buitenlander kiesgerechtigd is, mag zich ook kandidaat stellen voor de gemeenteraad.

Electoraat van Franse Eerste Kamer? Hoe wordt daarover in Frankrijk gedacht? Buitenlanders die uit de Europese Unie komten, zijn in Frankrijk – net als in Nederland – kiesgerechtigd voor de gemeenteraad. Andere buitenlanders – zoals vluchtelingen – komen daarvoor niet in aanmerking, anders dan in ons land. Hoe dan ook: de EU-kiezers hebben daardoor indirect invloed op de samenstelling van de Franse Eerste Kamer, de Sénat. Zij mogen zich ook kandidaat stellen voor de gemeenteraad. Echter, de gemeenteraadsleden uit de EU mogen niet meedoen aan de verkiezing van de Franse Eerste Kamer, Sénat.

BRONNEN:

Onderstaande Franse wetsbepalingen zijn afkomstig van DILA. Constitution Version consolidée https://www.legifrance.gouv.fr/affichCode.do?cidTexte=LEGITEXT000006070239 au premier janvier 2019

”Eerste Kamer”

Artikel Q 1 van de Kieswet luidt (gedeeltelijk): De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten.

‘570 kiezers”

Artikel B 2 van de Kieswet luidt: De leden van provinciale staten worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van de provincie, mits zij Nederlander zijn en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

”Burger”

Staatscommissie, Eindrapport :LAGE DREMPELS, HOGE DIJKEN Democratie en rechtsstaat in balans Eindrapport van de staatscommissie parlementair stelsel 2018

”7000 kiezers”

Artikel B3 Kieswet (gedeeltelijk): Lid 1. De leden van de gemeenteraden worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van de gemeente en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. Lid 2. Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, dienen om kiesgerechtigd te zijn op de dag van de kandidaatstelling tevens te voldoen aan de vereisten dat: a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l van de Vreemdelinenwet 2000 of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag van de kandidaatstelling gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel op grond van artikel 3 of artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES.

”Franse Eerste Kamer”

Artikel L280 Code électoral luidt: La composition du collège électoral appelé à élire les sénateurs assure, dans chaque département, la représentation des différentes catégories de collectivités territoriales et de la diversité des communes, en tenant compte de la population qui y réside.

Ce collège électoral est composé :1° Des députés et des sénateurs ; 2° Des conseillers régionaux de la section départementale correspondant au département et des conseillers de l’Assemblée de Corse désignés dans les conditions prévues par le titre III bis du présent livre ; 2° bis Des conseillers à l’assemblée de Guyane et des conseillers à l’assemblée de Martinique ; 3° Des conseillers départementaux ; 4° Des délégués des conseils municipaux ou des suppléants de ces délégués.

Artikel L284 luidt: Les conseils municipaux élisent parmi leurs membres dans les communes de moins de 9 000 habitants :

– un délégué pour les conseils municipaux de sept et onze membres ;

– trois délégués pour les conseils municipaux de quinze membres ;

– cinq délégués pour les conseils municipaux de dix-neuf membres ;

– sept délégués pour les conseils municipaux de vingt-trois membres ;

– quinze délégués pour les conseils municipaux de vingt-sept et vingt-neuf membres.

Dans le cas où le conseil municipal est constitué par application des articles L. 2113-6 et L. 2113-7 du code général des collectivités territoriales relatif aux fusions de communes dans leur rédaction antérieure à la loi n° 2010-1563 du 16 décembre 2010 de réforme des collectivités territoriales, le nombre de délégués est égal à celui auquel les anciennes communes auraient eu droit avant la fusion.

Artikel L285 luidt: Dans les communes de 9 000 habitants et plus, tous les conseillers municipaux sont délégués de droit.En outre, dans les communes de plus de 30 000 habitants, les conseils municipaux élisent des délégués supplémentaires à raison de 1 pour 800 habitants en sus de 30 000.

”Buitenlandse kiezers”

Artikel B3 Kieswet luidt (gedeeltelijk): Lid 1. De leden van de gemeenteraden worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van de gemeente en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. Lid 2. Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, dienen om kiesgerechtigd te zijn op de dag van de kandidaatstelling tevens te voldoen aan de vereisten dat: a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l van de Vreemdelinenwet 2000 of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag van de kandidaatstelling gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel op grond van artikel 3 of artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES.

Artikel 10 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Voor het lidmaatschap van de raad is vereist dat men ingezetene van de gemeente is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht. Lid 2. Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, dienen tevens te voldoen aan de vereisten dat: a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l van de Vreemdelinenwet 2000 of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop de gemeenteraad beslist over de toelating als lid tot de gemeenteraad gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel rechtmatig in Nederland verbleven op grond van artikel 3 of artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES.

Artikel 10 Provinciewet luidt: Voor het lidmaatschap van provinciale staten is vereist dat men Nederlander en ingezetene van de provincie is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

”Electoraat van Franse Eerste Kamer”

Artikel LO 227-1 van de Code électoral luidt (gedeeltelijk): Les citoyens de l’Union européenne résidant en France, autres que les citoyens français, peuvent participer à l’élection des conseillers municipaux dans les mêmes conditions que les électeurs français, sous réserve des dispositions de la présente section.

Les personnes mentionnées au premier alinéa sont considérées comme résidant en France si elles y ont leurdomicile réel ou si leur résidence y a un caractère continu. Pour l’application de la présente section, l’élection des membres du Conseil de Paris est assimilée à celle des conseillers municipaux.

Artikel L228 luidt: Sont éligibles au conseil municipal tous les électeurs de la commune et les citoyens inscrits au rôle des contributions directes ou justifiant qu’ils devaient y être inscrits au 1er janvier de l’année de l’élection.

Artikel L228-1 luidt: Sont en outre éligibles au conseil municipal ou au Conseil de Paris les ressortissants des Etats membres del’Union européenne autres que la France qui :

a) Soit sont inscrits sur la liste électorale complémentaire de la commune ;

b) Soit remplissent les conditions légales autres que la nationalité française pour être électeurs et être inscritssur une liste électorale complémentaire en France et sont inscrits au rôle d’une des contributions directes de la commune ou justifient qu’ils devaient y être inscrits au 1er janvier de l’année de l’élection.

Artikel LO286-1 luidt: Les conseillers municipaux et les membres du Conseil de Paris qui n’ont pas la nationalité française ne peuvent ni être membres à un titre quelconque du collège électoral sénatorial ni participer à l’élection à ce collège de délégués, de délégués supplémentaires et de suppléants.

Artikel LO286-2 luidt: Dans les communes dont tous les conseillers municipaux sont délégués de droit, les conseillers municipaux qui n’ont pas la nationalité française sont remplacés au collège électoral des sénateurs et lors de la désignation des délégués supplémentaires et suppléants par les candidats français venant immédiatement après le dernier candidat élu de la liste sur laquelle ils se sont présentés à l’élection municipale.

De Europese verkiezingen zijn niet overal op zondag en de kiezer is niet per se meerderjarig

VRIJDAG 1 FEBRUARI 2019 Over enkele maanden – eind mei – zijn er Europese verkiezingen. Het Europees Parlement heeft vorige week vrijdag een nieuwe website gelanceerd die per lidstaat praktische uitleg geeft over het uitbrengen van je stem voor de Europese verkiezingen. Die verkiezingen worden gehouden in 28 landen. De uitleg op de website gebeurt in de eigen taal van het land. Hieronder volgt een vergelijking van Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, België, Ierland, Luxemburg en Malta. Alleen in deze landen is Engels, Duits, Frans of Nederlands een eigen taal.

Rechtstreeks De wijze waarop er wordt gestemd hoeft namelijk niet in alle landen dezelfde te zijn. Die kan tot op zekere hoogte per land verschillen. In een Europese regeling staat wat overal hetzelfde moet zijn en wat dat niet hoeft te zijn. Voor de Europese verkiezingen moet in elk land het stelsel van evenredige vertegenwoordiging gelden. Dat is het stelsel dat hier in Nederland voor alle verkiezingen geldt. Verder dient in elk land te gelden dat de Europese verkiezingen rechtstreeks, algemeen, vrij en geheim zijn. Bovendien mag elke kiezer slechts één keer zijn stem uitbrengen.

16 jaar Tot zover de overeenkomsten. Er zijn er meer, maar die blijven hier buiten beschouwing. Wat ten eerste verschilt, is de leeftijd waarop gestemd mag worden. In de meeste landen is dat 18 jaar, maar in Oostenrijk en Malta is dat 16 jaar.

Kiesdistrict Alleen België en Ierland hebben meerdere kiesdistricten; in de andere landen is het hele land één kiesdistrict.

Voorkeursstemmen kunnen in de meeste landen worden uitgebracht, behalve in Duitsland en Frankrijk.

Drempel Praktisch heeft alleen Frankrijk een kiesdrempel (van 5%).

Dag In elk land mag er slechts één verkiezingsdag zijn. Die dag moet zijn donderdag 23 mei, vrijdag de 24e, zaterdag de 25e of zondag 26 mei (2019). De meeste landen kiezen net als Nederland voor zondag 26 mei. Nederland kiest echter voor de donderdag, Ierland voor vrijdag de 24e en Malta zaterdag de 25e. (Bijgewerkt 05.02.19)

Aantal Het Europees Parlement telt straks 705 leden. Daarvan zijn er 29 in Nederland gekozen. 96 in Duitsland, 79 in Frankrijk, 21 in België, 19 in Oostenrijk en in Ierland, en 6 in zowel Malta als Luxemburg.

Groot-Brittannië doet vanwege de Brexit op 29 maart niet mee aan de Europese verkiezingen. Uiteraard staat de Brexit vaak op de agenda van het Europees Parlement. Zo heeft een parlementaire commissie afgelopen dinsdag besloten dat Britse burgers na de Brexit geen visum nodig hebben om de EU korte tijd te bezoeken, zie over dit soort visums http://staatsrechtpraktijk.nl/?p=627 . Dit besluit moet wel nog worden bekrachtigd door het hele parlement en de Raad van Ministers. De parlementaire commissie heeft er trouwens een voorwaarde aan verbonden: Groot-Brittannië moet hetzelfde toestaan aan burgers van de Europese Unie.

BRONNEN:

De website van het Europees Parlement die vorige week vrijdag is gelanceerd:

https://www.europese-verkiezingen.eu/

Artikel 1 van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen luidt (gedeeltelijk): In alle lidstaten worden de leden van het Europees Parlement volgens een stelsel van evenredige vertegenwoordiging, hetzij volgens het lijstenstelsel, hetzij volgens het stelsel van één overdraagbare stem, gekozen. De leden van het Europees Parlement worden gekozen door middel van rechtstreekse, algemene, vrije en geheime verkiezingen

Artikel 9 luidt: Bij de verkiezing van de leden van het Europees Parlement in het Europees Parlement mag niemand meer dan eenmaal zijn stem uitbrengen

Artikel 8 luidt: Behoudens de bepalingen van deze akte gelden voor de verkiezingsprocedure in elke lidstaat de nationale bepalingen. Die nationale bepalingen, die eventueel rekening kunnen houden met de eigenheden van de lidstaten, mogen echter over het geheel genomen geen afbreuk doen aan het beginsel van evenredige vertegenwoordiging

Artikel 1 luidt (gedeeltelijk): De lidstaten kunnen het uitbrengen van voorkeurstemmen toestaan, overeenkomstig de bepalingen die zij vastleggen.

Artikel 2 luidt: Afhankelijk van de specifieke nationale kenmerken kunnen de lidstaten kiesdistricten voor de verkiezing van het Europees Parlement instellen of voorzien in andere kiesindelingen, evenwel zonder dat over het geheel genomen afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van evenredige vertegenwoordiging.

Artikel 3 luidt: De lidstaten kunnen bepalen dat er een minimumdrempel voor de verdeling van de zetels wordt vastgesteld. Die drempel mag niet hoger dan 5 % van de op nationaal niveau uitgebrachte stemmen zijn.

Artikel 10 luidt (gedeeltelijk): De verkiezingen voor het Europees Parlement vinden plaats op de door elke Lid-Staat vastgestelde datum en uren, die voor alle Lid-Staten gelegen moet zijn binnen een zelfde periode die aanvangt op donderdagochtend en afloopt op de daaropvolgende zondag.

Roemenië voorzitter van de EU

VRIJDAG 11 JANUARI 2019 Sinds 1 januari is Roemenië voorzitter van de Raad van de Europese Unie. Dat voorzitterschap is een inhoudelijk voorzitterschap – met allerhande extra mogelijkheden tot beïnvloeding van nieuw EU beleid. Het is dus zeker geen technisch voorzitterschap. Maar waarvan is Roemenië eigenlijk voorzitter geworden? En wie besloot daartoe? En hoe lang gaat het duren? En wat is het verschil met de Europese Raad?

Raad versus Europese Raad: de deelnemers De Raad van de Europese Unie wordt ook wel Raad van Ministers genoemd of kortweg aangeduid met Raad. De Raad bestaat meestal uit gewone ministers of staatssecretarissen, van elk land één. De Europese Raad bestaat daarentegen uit regeringsleiders. Zo ”stuurt” Nederland premier Mark Rutte, Duitsland bondskanselier Angela Merkel, Frankrijk president Emmanuel Macron en Groot-Brittannië Prime MinisterTheresa May. De Europese Raad wordt ook wel Europese Top genoemd.

Raad versus Europese Raad: de taken De Raad is samen met het Europees Parlement de wetgever van de Europese Unie. De Europese Raad is dat niet, is geen wetgever, maar bepaalt de algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten.

Raad versus Europese Raad: de voorzitter De voorzitter van de Europese Raad wordt steeds voor tweeënhalf jaar gekozen, en is herverkiesbaar voor nog zo’n periode. De voorzitter mag geen regeringsleider of minister zijn. De Pool Donald Tusk is sinds eind 2014 voorzitter; eind dit jaar loopt zijn voorzitterschap dus definitief af. Vóór hem was de Belg Herman van Rompuy voorzitter. Hoe verschillend is dit alles bij de voorzitter van de Raad. Dat voorzitterschap duurt slechts een half jaar, niet langer en niet korter. Deze voorzitter is geen mens van vlees en bloed maar een land. Alle landen – groot of klein – komen even vaak aan de beurt voor het voorzitterschap. Nu is dus Roemenië aan de beurt. Roemenië heeft het stokje op 1 januari overgenomen van Oostenrijk en zal het op 1 juli weer doorgeven aan Finland. De landenvolgorde wordt bepaald door de Europese Raad. Voor Roemenië is het nu de eerste keer; het land is ook pas sinds 2007 lid van de EU. Nederland was onder andere al in 2016 en 2004 voorzitter en is weer aan de beurt in 2029.

10 Raden Men spreekt van de Raad van Ministers, maar eigenlijk zijn het er tien. Men kan ook zeggen dat de Raad in tien verschillende formaties vergadert. Elk van die tien heeft een eigen beleidsterrein, verschillend van de andere negen. Zo is er onder andere een Raad voor Milieu, voor Justitie en Binnenlandse Zaken, voor Landbouw en Visserij en een voor Buitenlandse Zaken. Elk land stuurt één minister of staatssecretaris naar elke Raad; in het algemeen is dat degene die het geagendeerde onderwerp in zijn of haar portefeuille houdt. Roemenië zal hetzelfde doen, met dit verschil dat de Roemeense portefeuillehouder altijd de voorzitter is van de Raad in kwestie.

Raad voor Buitenlandse Zaken Daarop is één uitzondering: de Raad voor Buitenlandse Zaken. Deze Raad – waaraan meestal de ministers voor Buitenlandse Zaken deelnemen, in Nederland Stef Blok – wordt voorgezeten door de Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, ook wel de minister van Buitenlandse Zaken van de EU genoemd. Hij of zij wordt benoemd door de Europese Raad en de voorzitter van de Commissie gezamenlijk. Sinds eind 2014 is de Italiaanse Federica Mogherini in de functie benoemd.

Boekarest Gisteren vond de ceremonie plaats waarmee het voorzitterschap van Roemenië werd geopend, uiteraard in hoofdstad Boekarest. Roemenië wil haar voorzitterschap onder andere aanwenden voor betere sociale rechten binnen de EU, zoals kleinere verschillen in de beloning tussen mannen en vrouwen. Uiteraard is dit maar een enkel puntje uit de Roemeense Agenda Priorities.

BRONNEN:

Raad versus Europese Raad: deelnemers

Artikel 16 Verdrag betreffende de Europese Unie luidt (gedeeltelijk): De Raad bestaat uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat op ministerieel niveau, die gemachtigd is om de regering van de lidstaat die hij vertegenwoordigt, te binden en om het stemrecht uit te oefenen.

Artikel 15 luidt (gedeeltelijk): De Europese Raad bestaat uit de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten, zijn voorzitter en de voorzitter van de Commissie. De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid neemt deel aan de werkzaamheden van de Europese Raad.

”Raad versus Europese Raad: de taken ”

Artikel 16 Verdrag betreffende de Europese Unie luidt (gedeeltelijk): De Raad oefent samen met het Europees Parlement de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit. Hij oefent onder de bij de Verdragen bepaalde voorwaarden beleidsbepalende en coördinerende taken uit.

Artikel 15 luidt (gedeeltelijk): De Europese Raad geeft de nodige impulsen voor de ontwikkeling van de Unie en bepaalt de algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten. Hij oefent geen wetgevingstaak uit.

”Raad versus Europese Raad: de voorzitter”

Artikel 15 Verdrag betreffende de Europese Unie luidt (gedeeltelijk): De Europese Raad kiest zijn voorzitter met gekwalificeerde meerderheid van stemmen voor een periode van tweeënhalf jaar. De voorzitter is eenmaal herkiesbaar. Indien de voorzitter verhinderd is of op ernstige wijze tekortschiet, kan de Europese Raad volgens dezelfde procedure zijn mandaat beëindigen. De voorzitter van de Europese Raad kan geen nationaal mandaat uitoefenen.

Artikel 16 luidt (gedeeltelijk): Het voorzitterschap van de andere Raadsformaties dan de formatie Buitenlandse Zaken wordt volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid uitgeoefend door de vertegenwoordigers van de lidstaten in de Raad, onder de overeenkomstig artikel 236 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde voorwaarden.

Artikel 236 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie luidt (gedeeltelijk): De Europese Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen: een besluit betreffende het voorzitterschap van de andere Raadsformaties dan die van buitenlandse zaken, overeenkomstig 16 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vast.

‘Raad voor Buitenlandse Zaken”

Artikel 16 Verdrag betreffende de Europese Unie luidt (gedeeltelijk): De Raad komt in verschillende formaties bijeen; de lijst ervan wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 236 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 18 luidt (gedeeltelijk): De Europese Raad benoemt met instemming van de voorzitter van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. De Europese Raad kan zijn mandaat volgens dezelfde procedure beëindigen. De hoge vertegenwoordiger zit de Raad Buitenlandse Zaken voor.