DONDERDAG 5 FEBRUARI 2026 Een week geleden hebben D66, VVD en CDA hun coalitieakkoord gepresenteerd: Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland. De coalitie wordt een minderheidskabinet: zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer bezitten de drie coalitiepartijen geen meerderheid. Voor veel van hun plannen zoals die in het coalitieakkoord staan is echter medewerking van een parlementaire meerderheid nodig. Hieronder enkele voorbeelden.
MEERDERHEID Een parlementaire meerderheid betekent hier dat én een meerderheid in de Tweede Kamer én een meerderheid in de Eerste Kamer nodig is, zie artikelen 81 tot en met 85 Grondwet. Als alle Kamerleden aanwezig zijn bij een stemming (en dat zal bij belangrijke stemmingen het geval zijn) bestaat een meerderheid in de Tweede Kamer uit 76 Kamerleden en in de Eerste Kamer uit 38 Kamerleden, zie artikel 51 Grondwet. D66, VVD en CDA samen hebben in de Tweede Kamer 66 Kamerleden en er in de Eerste Kamer 22.
WETTEN Zo’n parlementaire meerderheid is namelijk nodig voor wetten: zowel voor het maken van nieuwe wetten, voor het wijzigen van bestaande wetten als voor het intrekken van bestaande wetten.
NIEUWE WETTEN Om Defensie de nodige ruimte te geven om personeel te kunnen huisvesten en om te kunnen oefenen, wordt (volgens het coalitieakkoord) zo snel mogelijk het voorstel ingediend voor de Wet op de Defensiegereedheid (pagina 31 van het coalitieakkoord). Ook wordt er in de rijksbegroting voorrang gegeven aan onderhoud van bruggen, tunnels, spoorwegen en sluizen, omdat veel van deze civiele werken het einde van hun levensduur naderen (pagina 61). De rijksbegroting is een wet. Zo’n rijksbegrotingswet keert jaarlijks terug, zie artikel 105 Grondwet. De defensie-uitgaven in de rijksbegroting worden opgeschaald tot 3,5% van het bruto binnenlands product, en om ook voor de lange termijn (langer dan één jaar) continuïteit te garanderen wordt de 3,5% norm wettelijk verankerd (pagina 31).
WIJZIGINGSWETTEN Het demonstratierecht wordt gewijzigd zodat de burgemeester meer bevoegdheden krijgt (pagina 11); het demonstratierecht wordt dus beperkt. Het demonstratierecht is geregeld in de Wet openbare manifestaties. Het Wetboek van Strafrecht wordt gewijzigd zodat geweld dat ‘’eergerelateerd’ is strenger kan worden bestraft door de invoering van een strafverzwaringsgrond (pagina 37). Een wetboek is een wet. De Werkloosheidswet wordt aangepast zodat de maximale uitkeringsduur halveert, namelijk van twee jaar (zie artikel 42) naar één jaar (pagina 43). Het verplicht eigen risico in artikel 19 van de Zorgverzekeringswet wordt volgend jaar verhoogd tot 445 euro, zie pagina 54. Het is nu 385 euro, zie artikel 19. De beurs voor uitwonende studenten gaat omhoog (pagina 49). De hoogte van die beurs is geregeld in artikel 3.18 e.v. van de Wet studiefinanciering 2000. Het griffierecht wordt verlaagd (pagina 11). Het griffierecht voor een rechtszaak bij de bestuursrechter is geregeld in artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht.
INTREKKINGSWET De spreidingswet wordt voorlopig in stand gehouden, om zo een rechtvaardige verdeling van asielzoekers over de gemeenten te borgen (pagina 37). Het is dus niet uitgesloten dat de coalitie de wet uiteindelijk toch gaat intrekken. Daarvoor is dan een parlementaire meerderheid nodig.
GRONDWETSWIJZIGINGEN Ook voor de wijziging van de Grondwet is een parlementaire meerderheid nodig. Daarvoor is een gewone parlementaire meerderheid trouwens niet genoeg, zie artikel 137 e.v. van de Grondwet. Er wordt constitutionele toetsing ingevoerd zodat de rechter wetten mag gaan toetsen aan klassieke grondrechten (pagina 11). Daarvoor moet artikel 120 van de Grondwet worden gewijzigd. Een andere grondwetswijziging betreft de positie van de Eerste Kamer: enerzijds krijgt ze er in de Grondwet een bevoegdheid bij (namelijk het terugzendrecht, pagina 8; dat is het recht om wetsvoorstellen te amenderen en daarna terug te zenden naar de Tweede Kamer) maar verliest daardoor anderzijds enkele van haar bestaande grondwettelijke bevoegdheden.
STATUUTSWIJZIGING Ook voor de wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden – het Statuut vormt de basis voor de verhoudingen tussen Nederland, Curaçao, Aruba en Sint Maarten die met elkaar één koninkrijk vormen – is een parlementaire meerderheid nodig (wat trouwens niet voldoende is voor wijziging van het Statuut). Het Statuut wordt zo gewijzigd dat Curaçao, Aruba en Sint Maarten kunnen gaan verklaren onafhankelijk te worden, als ze dat willen (pagina 10).
AMvB In het coalitieakkoord staan ook allerlei plannen waarvoor geen parlementaire meerderheid nodig is. Dan gaat het o.a. om Algemene Maatregelen van Bestuur (afgekort tot AMvB) en ministeriële regelingen. Zulke regels worden door de regering vastgesteld, zie voor de AMvB artikel 89 leden 1 tot en met 3 Grondwet en voor de ministeriële regeling artikel 89 lid 4. Voorbeeld is de vereenvoudiging van het Besluit bouwwerken leefomgeving ‘om onnodige en kostbare bouweisen te schrappen’ (pagina 18). Een ander voorbeeld (lijkt mij) is de invoering van een minimumleeftijd en helmplicht voor de gebruiker van een fatbike (pagina 61).
EU Er is ook geen parlementaire meerderheid nodig als het gaat om zaken die de coalitie ‘Europees’ wil regelen, zoals via nieuwe of te wijzigen richtlijnen en verordeningen van de Europese Unie. Bijvoorbeeld de ‘simplificatie’ van de Kaderrichtlijn water (pagina 63), dat je minstens 15 jaar moet zijn om op sociale media te zijn (pagina 59) en ook de harmonisatie van arbeidsrecht in de EU (pagina 30) is daarvan een voorbeeld.
UITOEFENING De nieuwe regering heeft ook geen parlementaire meerderheid nodig om bevoegdheden die ze al heeft uit te oefenen, zoals dat Nederland zich conform artikel 90 e.v. Grondwet bij zijn buitenlandbeleid conformeert aan oordelen van het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Strafhof (pagina 34) – beide gevestigd Den Haag; al is het wel de vraag of deze bevoegdheid niet ook een verplichting is. Een ander voorbeeld van uitoefening van bevoegdheden is dat de regering ‘erop stuurt dat provincies de natuurregels uniformeren zodat ze de bouw niet bemoeilijken’ (pagina 18).
VERTROUWENSREGEL Maar ook daar waar een parlementaire meerderheid niet nodig is geldt wél steeds: een kabinet moet zijn ontslag aanbieden als een meerderheid van de Tweede Kamer of een meerderheid van de Eerste Kamer haar vertrouwen in het kabinet opzegt. Dat is de zogenaamde vertrouwensregel, een regel van ongeschreven recht. Vertrouwen kan om elke reden worden opgezegd, bijvoorbeeld omdat de Tweede Kamer het niet eens is met de wijze waarop de regering een van haar bevoegdheden heeft gebruikt.
BRONNEN Naast bovenstaande artikelen uit diverse wetten, Grondwet en Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden zijn geraadpleegd het coalitieakkoord van D66, VVD en CDA; de websites van Tweede Kamer en Eerste Kamer en P.P.T. Bovend’Eert en H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, Wolters Kluwer: 2024.
Mr. Leon
Volgend blog verschijnt op vrijdag 20 februari!