De nieuwe dierenwet

VRIJDAG 11 JUNI 2021 Eind vorige week was er in krant en op televisie veel aandacht voor een nieuwe dierenwet die vorige week officieel is bekendgemaakt. Deze nieuwe wet zou het (mogen) houden van vogels, konijnen, cavia’s, honden, katten en vele andere dieren als gezelschapsdieren gaan beperken. Wat is er aan de hand?

WET DIEREN Wat een nieuwe dierenwet wordt genoemd, is officieel een wijziging van de Wet dieren. Deze wet bestaat al tien jaar.

MISDRIJF Al jaren bepaalt de Wet dieren dat het verboden is bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen, tenminste als dat gebeurt zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is. Zo staat het in de wet. Dat zijn nogal vage termen: het is niet zo dat van elke handeling die men t.o.v. een dier pleegt meteen duidelijk of daarmee dit verbod wordt geschonden. Al langere tijd is het daarom voor sommige handelingen verduidelijkt in wetgeving, bijvoorbeeld voor het schoppen van een dier, het vervoer van een koe met overvolle uiers en het gebruiken van een hond als trekkracht. Die handelingen zijn uitdrukkelijk verboden. Wie bij een dier zonder redelijk doel pijn of letsel veroorzaakt enzovoorts, maakt zich schuldig aan dierenmishandeling op grond van de Wet dieren. Dat is een misdrijf waarvoor de rechter een gevangenisstraf tot drie jaar kan opleggen.

HUISVESTING De nieuwe dierenwet wil o.a. meer duidelijkheid verschaffen over wat ‘geen redelijk doel’ is om bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel zijn gezondheid of welzijn te benadelen. Die duidelijkheid wordt verschaft doordat er een bepaling aan wordt toegevoegd. Deze bepaling houdt in dat een bepaalde wijze van huisvesting of een bepaald systeem van houderij nooit een redelijk doel kan zijn om bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel zijn gezondheid of welzijn te benadelen. De eisen die een bepaalde wijze van huisvesting of een bepaald systeem van houderij stellen kunnen nooit een redelijk doel zijn.

AMENDEMENT Dat deel van de nieuwe dierenwet is het gevolg van een amendement. Een amendement is een wijziging van een wetsvoorstel. Het is een grondwettelijke bevoegdheid van de Tweede Kamer om een wetsvoorstel van de regering te wijzigen. Elk van de 150 Kamerleden mag een amendement voorstellen. De meerderheid van de Kamer besluit of het wetsvoorstel geamendeerd wordt. Een Kamerlid van de Partij voor de Dieren heeft het amendement voor verduidelijking van wat een redelijk doel is voorgesteld. Dat was begin vorige maand. De Kamer heeft het amendement aangenomen en vrijwel de hele Kamer stemde vóór het geamendeerde wetsvoorstel. Tijdens het debat merkt de minister op dat het amendement zo is geformuleerd dat het niet alleen op veeteelt van toepassing zal zijn, maar ook op gezelschapsdieren.

ONTRADEN De regering kan een amendement niet tegenhouden. Wél heeft de minister het amendement voor verduidelijking van wat een redelijk doel is ‘ontraden’, omdat het heel algemeen geformuleerd is, tot heel veel discussie zal leiden en praktisch niet uitvoerbaar is. Volgens de minister verschaft het amendement dus niet meer duidelijkheid over wat een ‘redelijk doel’ is. De regering kan een wetsvoorstel intrekken, zolang het nog niet door beide Kamers is aangenomen, maar dat is hier niet gebeurd.

TOELICHTING Een voorstel tot een amendement gaat meestal gepaard met een schriftelijke toelichting waarin de indiener het voorgestelde amendement motiveert en uitlegt. In de toelichting van het amendement voor verduidelijking van wat een redelijk doel is staat dat gehouden dieren niet ernstig zouden mogen worden beperkt in hun natuurlijk gedrag. Voorbeelden van dieren die volgens de toelichting door het houden ernstig in hun natuurlijk gedrag worden beperkt zijn eenden in een eendenhouderij die geen toegang hebben tot zwemwater, konijnen in een konijnenhouderij die in kooien worden gehouden waar ze niet in kunnen graven, biggen in een stal waarvan de staartjes worden gecoupeerd (om staartbijten te voorkomen), kalfjes en geitjes in een stal die worden onthoornd (om verwonding van ander staldier te voorkomen) en hanen waarvan een teen wordt verwijderd (om verwonding van de hen te voorkomen).

EU-VERORDENING Het amendement is een wijziging van het wetsvoorstel dat de regering heeft ingediend. Het wetsvoorstel van de regering was slechts bedoeld om ‘technische’ wijzigingen aan te brengen in de Wet dieren. Die wijzigingen zijn nodig in verband met de uitvoering van een verordening van de Europese Unie, die sinds april geldt. Een EU-verordening is eigenlijk een wet, maar dan van de EU. Zo’n verordening kan niet zonder medewerking van het Europees Parlement tot stand komen. De technische wijzigingen die de regering in de Wet dieren heeft aangebracht zijn nodig voor een goede uitvoering van deze verordening, dat is de Europese diergezondheidsverordening.

DIERENZIEKTEN De Europese diergezondheidsverordening gaat over dierziekten, en wel over dierziekten die overdraagbaar zijn op andere dieren of op mensen. Er staan (uitsluitend) regels in die besmettelijke dierziekten willen voorkomen of bestrijden. De verordening gaat dus niet over dierenwelzijn, al staat er wel in dat bij het uitvoeren van de regels uit de verordening rekening moet worden gehouden met het dierenwelzijn.

ONTOELAATBAAR? Het wetsvoorstel van de regering gaat dan ook alleen over het voorkomen en bestrijden van dierziekten. Het amendement ter verduidelijking van wat een redelijk doel is gaat over dierenwelzijn. Is zo’n amendement dan wel toelaatbaar? Volgens het Reglement van Orde van de Tweede Kamer moet een rechtstreeks verband bestaan tussen de materie die het amendement regelt en de materie die het wetsvoorstel regelt. Is dat hier het geval? Heel belangrijk is die vraag echter niet, want in het reglement staat ook dat een amendement wordt geacht toelaatbaar te zijn zolang de (meerderheid van de) Tweede Kamer het niet ontoelaatbaar heeft verklaard. Zo’n verklaring is uitgebleven

STAATSBLAD De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel van de regering inclusief het amendement aangenomen op 11 mei. Vrijwel elke fractie heeft vóór gestemd. Twee weken later heeft de Eerste Kamer het (geamendeerde) wetsvoorstel aangenomen. Als hamerstuk. De Eerste Kamer mag een wetsvoorstel niet amenderen. De wijziging van de Wet dieren is een week later – op 2 juni – in het Staatsblad gepubliceerd.

INWERKINGTREDING Nu is het niet zo dat een wet geldt zodra het wetsvoorstel door beide Kamers is aangenomen. Eerst is nog bekrachtiging nodig. Dat gebeurt door een handtekening van de Koning en van een of meer bewindslieden. De wijziging van de Wet dieren is ondertekend door de ministers van Justitie en van Landbouw. Daarna moest de wet nog officieel worden bekendgemaakt; dat gebeurt altijd in het Staatsblad. De wijziging van de Wet dieren is op 2 juni in het Staatsblad gepubliceerd. Ten slotte moet nog officieel de dag worden bepaald waarop de wet in werking treedt. Pas dan geldt de wet. Voor de inwerkingtreding van de wijziging van de Wet dieren is nog geen officiële datum bepaald.

EVALUATIE WET Zoals gezegd vond de minister tijdens het Kamerdebat in mei dat het amendement geen duidelijkheid verschaft over wat een redelijk doel is. Maar gisteren bleek tijdens een Kamerdebat over de ‘evaluatie Wet dieren’ dat een deel van de Tweede Kamer het met de minister eens was. VVD, CDA, BBB en Groep Van Haga hebben daarom een motie ingediend om op basis van wetenschappelijk onderzoek vast te stellen wat wordt verstaan onder het natuurlijk gedrag van een gehouden en daarmee gedomesticeerd (landbouw)huisdier, en of het vertonen van natuurlijk gedrag altijd bijdraagt aan een beter welzijn van een gehouden en daarmee gedomesticeerd (landbouw)huisdier. Volgende week wordt erover gestemd. De minister heeft de motie ontraden, omdat een juridische analyse al in voorbereiding is.

GEZELSCHAPSDIEREN? Tijdens dat debat van gisteren werd over één ding wel meer duidelijkheid verschaft: de richtinggevende Kameruitspraak dat gezelschapsdieren niet onder het amendement vallen, dat heeft de minister tenminste gehoord. Dat wil zeggen: dat een bepaalde wijze van huisvesting of een bepaald systeem van houderij nooit een redelijk doel kan zijn om bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel zijn gezondheid of welzijn te benadelen niet van toepassing is op gezelschapsdieren, maar alleen op veeteelt. Minister Schouten zal er ‘voor zorgen dat we op dat punt (..) duidelijkheid kunnen gaan creëren’. Wat de minister hiermee precies bedoelt, is niet helemaal duidelijk, want uiteindelijk is het in Nederland zo dat het aan de rechter is om een wet uit te leggen.

(Mr. Leon)

Volgend blog: vrijdag 18 juni

Gouverneur van Limburg is opgestapt

VRIJDAG 4 JUNI 2021 In de provincie Limburg is de commissaris van de Koning anderhalve maand geleden opgestapt, omdat de provinciale volksvertegenwoordiging een motie van wantrouwen tegen hem (en overige leden van het dagelijks bestuur) had aangekondigd. Is een commissaris juridisch verplicht om op te stappen als tegen hem een motie van wantrouwen wordt aangenomen?

CdK Elke provincie heeft een commissaris van de Koning, vaak afgekort tot CdK (commissaris des Konings). In Limburg wordt hij ook wel gouverneur genoemd. Een CdK is voorzitter van Provinciale Staten, de volksvertegenwoordiging van de provincie. Hij of zij is ook voorzitter van Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van de provincie. Een CdK heeft naast deze voorzitterstaken nog allerlei andere bestuurstaken, zoals het bevorderen van de bestuurlijke integriteit van de provincie.

VERANTWOORDEN Een CdK moet over die taakuitvoering verantwoording afleggen aan Provinciale Staten. Volgens de Limburgse Staten was gouverneur Theo Bovens tekort geschoten in zijn taak om de bestuurlijke integriteit van de provincie te bevorderen. Daarom was de motie van wantrouwen aangekondigd.

KONINKLIJK BESLUIT Een CdK is (juridisch) niet verplicht om op te stappen als Provinciale Staten een motie van wantrouwen aannemen. Want alleen de regering kan een CdK ontslaan; dat volgt uit de Provinciewet. Het ontslag van een CdK is – net als zijn benoeming – namelijk een koninklijk besluit: het is ondertekend door de Koning en de minister van Binnenlandse Zaken. De ministerraad moet er in hebben toegestemd; dat volgt uit het Reglement van de ministerraad.

PROVINCIALE STATEN Nu is het ook weer niet zo dat de regering hierbij geen enkele rekening hoeft te houden met wat Provinciale Staten willen. Integendeel: in beginsel moet de regering een CdK ontslaan als (een meerderheid van) Provinciale Staten aanbeveelt om de CdK te ontslaan vanwege een verstoorde verhouding.

AANBEVELING Voorafgaand aan die aanbeveling moeten Provinciale Staten een aantal stappen zetten. Provinciale Staten hoeven trouwens niet alle Statenleden te zijn, een meerderheid voldoet. Zo moeten Provinciale Staten hebben verklaard dat sprake is van een ‘verstoorde verhouding’. Als een motie van wantrouwen wordt aangenomen, dan zal sprake zijn van een verstoorde verhouding. Daarna moeten Provinciale Staten een aanbeveling tot ontslag aannemen. Dat laatste mag niet in dezelfde vergadering gebeuren als waarin zij hebben verklaard dat sprake is van een verstoorde verhouding. Tussen die vergaderingen moet namelijk een afkoelingsperiode van enkele weken tot enkele maanden liggen. Bovendien moet bij de oproeping voor die laatste vergadering het aanbevelingsvoorstel worden vermeld. Voordat de aanbeveling daadwerkelijk naar de minister mag worden gestuurd, moeten Provinciale Staten ook nog met die minister overleggen over de aanleiding van de verstoorde verhouding.

IN LIMBURG is het nooit zover gekomen. De regering heeft geen koninklijk ontslagbesluit genomen, noch hebben de Limburgse Staten de minister een aanbeveling tot ontslag gestuurd, noch een aanbeveling tot ontslag aangenomen en zelfs niet verklaard dat sprake is van een verstoorde verhouding of een motie van wantrouwen aangenomen. Bovens was juridisch dus niet verplicht om als gouverneur op te stappen.

DECONSTITUTIONALISERING Was het in Limburg wél zover gekomen, dan had de regering – zoals gezegd – in beginsel tot het ontslag van de gouverneur moeten besluiten. In beginsel, want de ministerraad had nog kunnen beslissen dat daarvan wegens ‘zwaarwegende gronden’ moet worden afgezien. Zo staat het sinds begin deze eeuw in de Provinciewet. Maar die wettelijke regeling zou wel eens kunnen gaan veranderen. Sinds twee jaar eist de Grondwet namelijk niet meer dat een CdK per koninklijk besluit wordt benoemd. Tot die tijd moest in de Provinciewet staan dat een CdK per koninklijk besluit wordt benoemd, want een wet mag niet strijdig zijn met de Grondwet. Maar sinds twee jaar laat de Grondwet toe dat in de Provinciewet komt te staan dat een CdK wordt benoemd door Provinciale Staten of rechtstreeks door de burgers. In de Provinciewet staat vandaag echter nog hetzelfde als twee jaar geleden, maar dankzij de deconstitutionalisering van twee jaar geleden zouden regering, Tweede Kamer en Eerste Kamer over kunnen gaan tot wijziging van de Provinciewet, bijvoorbeeld zo dat voortaan Provinciale Staten de CdK benoemen. Weliswaar betreft dit de benoeming, maar het ligt voor de hand dat dan ook meteen de ontslagregeling wordt gewijzigd, zo dat voortaan Provinciale Staten de CdK mogen ontslaan. De regering zou er dan niet meer over gaan. En een CdK zou na zo’n wetswijziging wél juridisch verplicht zijn om op te stappen na het aannemen van een motie van wantrouwen.

(Mr. Leon)

Volgend blog: vrijdag 11 juni

Eurovisiesongfestival en de EBU

VRIJDAG 28 MEI 2021 Vorige week vond het Eurovisiesongfestival plaats. Toen de halve finales op dinsdag en donderdag en de finale op zaterdag werden ingeluid met de bekende tonen van een prelude van de zeventiende-eeuwse Franse componist Marc-Antoine Charpentier, verscheen op het beeldscherm European Broadcasting Union (de EBU). Wat is de EBU?

ZWITSERS De EBU is geen EU-instelling en heeft evenmin iets te maken met de Raad van Europa. Het is een private organisatie die in 1950 is opgericht. Hoofdkantoor staat in Genève. Het is dan ook een Zwitserse rechtspersoon, een association volgens het burgerlijk wetboek van dat land. De EBU heet volgens de statuten Union Européenne de Radio-Télévision (UER).

VERENIGING Zo’n association is vergelijkbaar met een Nederlandse vereniging. Er is een Algemene Leden Vergadering en een bestuur. De EBU heeft ruim honderd gewone leden. Dat zijn publieke omroeporganisaties die afkomstig zijn uit meer dan vijftig landen, meestal Europese.

IDEËEL De EBU is geen commerciële organisatie. Doel is o.a. dat publieke omroepen onafhankelijke en universele programma’s maken die van goede kwaliteit zijn, die diversiteit bieden, vernieuwen en verantwoord zijn. Persvrijheid en vrijheid van meningsuiting staan hoog in het vaandel. Er is speciale aandacht voor kindertelevisie en documentaires.

LEDEN De EBU heeft gewone leden (Membres) en buitengewone leden (Affiliés).

GEWONE LEDEN Alleen een (wettelijk) publieke omroep of samenwerkingsverband hiervan kan als gewoon lid worden toegelaten. Programma’s van zo’n omroep moeten voldoen aan allerlei voorwaarden. Ze moeten door (vrijwel) iedereen in het land bekeken en beluisterd kunnen worden en ze moeten ook gevarieerd zijn en speciale programma’s voor minderheden hebben. Daar komt nog bij dat de meeste programma’s voor eigen rekening en met een onafhankelijke redactie gemaakt dienen te worden. Volgens het Jaarverslag 2019/2020 zijn er 115 gewone leden, afkomstig uit 56 (!) landen. De meeste leden komen uit Europa. Dat zijn niet alleen EU-landen maar bijvoorbeeld ook Rusland, Georgië en Belarus (Wit-Rusland). Er zijn ook gewone leden die van buiten Europa komen, zoals van Tunesië, Algerije en Libië.

TOELATING EN ROYEMENT De Algemene Leden Vergadering beslist over de toelating van nieuwe leden die aan de voorwaarden voldoen. Dit orgaan kan een lid ook royeren, als dat niet meer aan de voorwaarden voldoet; voor zo’n royement is een versterkte meerderheid nodig.

NPO Zoals gezegd kunnen zowel afzonderlijke omroeporganisaties als hun samenwerkingsverband in aanmerking komen voor een gewoon lidmaatschap. Voor België zijn (alleen) afzonderlijke omroeporganisaties lid. Dat zijn de Franstalige RTBF en de Nederlandstalige BRT. Ook voor Groot-Brittannië is dat het geval, o.a. de BBC is lid. Voor Nederland en Duitsland zijn (alleen) samenwerkingsverbanden lid. Dat is voor Nederland (alleen) de Stichting Nederlandse Publieke Omroep. In deze NPO werken o.a. AVROTROS, KRO-NCRV, NOS, MAX, BNN-VARA, VPRO en EO met elkaar samen.

BUITENGEWONE LEDEN Voor een buitengewoon lidmaatschap komen alleen omroeporganisaties of hun samenwerkingsverband van buiten Europa in aanmerking. Zij hoeven aan minder eisen te voldoen dan gewone leden. Ook voor hen is het de Algemene Leden Vergadering die beslist wie er al dan niet wordt toegelaten. Er zijn enkele tientallen buitengewone leden toegelaten, zoals Australië, de VS, China en Syrië. Buitengewone leden hebben geen stemrecht en mogen evenmin bij alle vergaderingen aanwezig zijn.

STEMMEN De stem van elk land telt even zwaar, want alle leden van een land hebben gezamenlijk altijd 24 stemmen. De (Nederlandse) NPO heeft dus 24 stemmen. De (Belgische) RTBF en BRT hebben samen ook 24 stemmen. Zij kunnen er elk 12 hebben, maar het kan ook zijn dat de een bijvoorbeeld 10 stemmen heeft en de ander 14. Ze mogen beide verschillend stemmen. Deze stemverdeling heeft trouwens niets te maken met die van het songfestival.

BESTUUR De Algemene Leden Vergadering stelt o.a. de jaarlijkse begroting vast en kiest het bestuur van de EBU. Alleen mensen die horen bij gewone leden – ‘appartenir à un organisme Membre’ – kunnen bestuurslid worden. Het bestuur kiest de algemeen directeur en moet de keuze van de andere directeuren goedkeuren.

EUROVISION is de uitwisseling van televisieprogramma’s tussen de gewone leden. Dat is een van de middelen waarmee de EBU haar ideële doelen wil bereiken. Eurovisie is geregeld in de statuten. In de statuten is trouwens ook Euroradio geregeld. Het Eurovisiesongfestival maakt deel uit van Eurovisie. Niet alle leden doen eraan mee. Aan het songfestival hebben dit jaar zo’n 40 landen meegedaan. Wit-Rusland werd gediskwalificeerd, omdat het ingezonden liedje een politieke boodschap bevatte (namelijk steun voor de president van het land), en dat is in strijd met de regels. Deelnemer Australië is een buitengewoon lid.

EXPERTGROEP De organisatie van het songfestival is een coproductie van EBU, de winnaar van de vorige keer en de andere deelnemers. Voor Nederland was het dus de NPO (samen met enkele omroepen en de gemeente Rotterdam). Deelnemers moeten een financiële bijdrage leveren; zij worden tijdens de voorbereiding vertegenwoordigd door een speciale expertgroep van de EBU, waarvan o.a. Martin Österdahl deel uitmaakt. Österdahl was tijdens het festival enkele malen in beeld.

VERKIEZINGSDEBAT De EBU kent trouwens tientallen van dit soort speciale expertgroepen, maar dan op heel terreinen. De EBU organiseert dan ook niet alleen (mede) het Eurovisiesongfestival, maar bijvoorbeeld ook het Euroradio Folk Festival en het Eurosonic Festival Groningen. Evenementen worden ook op heel andere terreinen georganiseerd om te worden uitgezonden, zoals sportwedstrijden en verkiezingsdebatten voor het Europees Parlement.

(Mr. Leon)

Volgend blog: vrijdag 4 juni

Minister van Staat

VRIJDAG 21 MEI 2021 Mariëtte Hamer is sinds vorige week de nieuwe informateur in de lopende kabinetsformatie. Zij heeft als opdracht om verder te werken op basis van het eindverslag van haar voorganger. Haar voorganger was Herman Tjeenk Willink. Hij heeft vorige maand o.a. gesproken met alle fractieleiders. Vorige week heeft de Tweede Kamer over zijn eindverslag gedebatteerd. Tjeenk Willink is sinds 2012 minister van Staat. Wat is een minister van Staat?

BEWINDSPERSOON? Een minister van Staat is geen bewindspersoon. Hij is niet politiek verantwoordelijk; hij hoeft van zijn gedragingen als minister van Staat geen rekenschap te geven aan de Tweede Kamer of Eerste Kamer. Daarentegen moet een (gewone) minister of staatssecretaris wél aan het parlement rekenschap geven van de wijze waarop hij zijn bevoegdheden heeft uitgeoefend; en als de Kamer daarover niet tevreden is, kan zij die bewindspersoon ontslaan. Een minister van Staat neemt evenmin deel aan de wekelijkse vergaderingen van de ministerraad. Hij is geen kabinetslid. En hij is evenmin een ambtenaar. Wat is hij (of zij) dan wél?

ERETITEL Een minister van Staat is een eretitel en houdt een ceremoniële functie in, waarin iemand voor de rest van zijn leven wordt benoemd en waaraan geen beloning is verbonden. Weliswaar een eretitel en een ceremoniële functie, maar soms komt een minister van Staat ook inhoudelijk in beeld. Dat gebeurt altijd op uitdrukkelijk verzoek van de regering of van de Koning. Vaak wordt hem dan om advies gevraagd, maar het kan ook om iets heel anders gaan. Zo was minister van Staat Max van der Stoel behulpzaam bij het oplossen van de moeilijkheden rond het voorgenomen huwelijk van Willem-Alexander en Máxima.

WIE BENOEMT? De beslissing om iemand tot minister van Staat te benoemen wordt genomen door de ministerraad. Het benoemingsbesluit wordt ondertekend door de minister-president en de Koning. Het is dus een koninklijk besluit. Het wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

WIE WORDT BENOEMD? De benoeming van iemand tot minister van Staat komt maar weinig voor. Wat de reden is om iemand wél of niet te benoemen, wordt niet bekend gemaakt. Alle tot nu toe benoemde ministers van Staat hebben vóór hun benoeming belangrijke ambten uitgeoefend. Zo zijn sinds de jaren dertig van de vorige eeuw bijna alle (ex) vice-presidenten van de Raad van State benoemd tot minister van Staat; voorzitter van de Raad van State is de Koning. Verder zijn er veel ex minister-presidenten benoemd: Wim Kok (jaren negentig premier), Ruud Lubbers (jaren tachtig premier) en bijvoorbeeld – maar zij waren wat langer geleden premier – Willem Drees, Hendrikus Colijn en Abraham Kuyper, en Rudolf Thorbecke, maar met hem zijn we inmiddels diep in de negentiende eeuw aanbeland. Overigens, lang niet elke (ex) minister-president is tot minister van Staat benoemd.

MOMENTEEL zijn er zeven ministers van Staat. Geen enkele van hen was premier. Frits Korthals Altes, Winnie Sorgdrager en Piet Hein Donner waren o.a. minister van Justitie. Donner was ook vice-president van de Raad van State. Hans van den Broek en Jaap de Hoop Scheffer waren o.a. minister van Buitenlandse Zaken. Sybilla Dekker was o.a. minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Tjeenk Willink was o.a. voorzitter van de Eerste Kamer en ook vice-president van de Raad van State.

INFORMATEUR Sommige ministers van Staat zijn ook informateur geweest en op die wijze inhoudelijk in beeld gekomen. Tjeenk Willink was zeker niet de eerste. Zo waren ministers van Staat al informateur in de kabinetsformaties van bijvoorbeeld 1973 (kabinet Den Uyl), 1981 (kabinet Lubbers), 2003 (kabinet Balkenende II), 2006 (Balkenende III) en 2010 (Rutte I). Tjeenk Willink was trouwens ook informateur in 2017 (Rutte III, het huidige demissionaire kabinet).

VERANTWOORDING? Een minister van Staat is geen bewindspersoon, zoals gezegd is hij niet politiek verantwoordelijk voor wat hij doet. Hij hoeft aan de Tweede Kamer geen rekenschap af te leggen. Maar een minister van Staat die informateur is kan – net als elke andere informateur – door de Tweede Kamer worden uitgenodigd om inlichtingen te verschaffen over het verloop van de informatie. Tjeenk Willink heeft zijn eindverslag aan de Kamervoorzitter aangeboden. Ook heeft hij in het Kamerdebat dat daarover vorige week woensdag plaatsvond het woord gevoerd. Daarin hebben verschillende Kamerleden hem vragen gesteld. De Kamervoorzitter zei aan het begin van het debat dat de informateur er niet was ‘om verantwoording af te leggen, maar wel om inlichtingen te verschaffen’ en dat Kamerleden in de gelegenheid waren om hem ‘feitelijke vragen te stellen’. Diverse Kamerleden hebben hem vragen gesteld. Zo zijn er vragen gesteld (en beantwoord) over de redenen waarom hij met sommige organisaties wél heeft gesproken en met andere niet (hij wilde zich beperken tot het transitiebeleid en tot organisaties die veel gegevens hebben over het (gebrek in) vertrouwen tussen overheid en burger, omdat deze onderwerpen in zijn gesprekken met de fractieleiders prominent naar voren kwamen. Er is ook gevraagd of een scenario zonder Mark Rutte is onderzocht (nee, want er is geen enkel scenario onderzocht, omdat het vooralsnog niet ging over wie met wie). En er is gevraagd waarom hij geen mogelijke opvolger als informateur heeft genoemd (o.a. omdat niet elke fractieleider daarover een suggestie had gedaan).

ANDERE INFORMATEURS De meeste informateurs zijn trouwens geen minister van Staat. Zo waren in 2017 de andere twee informateurs voor Rutte III geen minister van Staat. Ook de opvolger van Tjeenk Willink in de lopende kabinetsformatie – Mariëtte Hamer – is geen minister van Staat.

(Mr. Leon)

Volgende blog: vrijdag 28 mei

De notulen van de ministerraad

DONDERDAG 13 MEI 2021 Enkele weken geleden heeft de ministerraad notulen van zijn vergaderingen gepubliceerd die over de kinderopvangtoeslagenaffaire gaan; normaliter zijn deze notulen geheim. Aan ministerraad vergaderingen nemen alle zestien ministers deel en soms ook een of meer staatssecretarissen; de staatssecretaris van Financiën (die over de Belastingdienst gaat) nam meestal deel aan de bewuste vergaderingen. Het gaat om veertien vergaderingen tussen tussen half mei en begin december 2019. In beginsel wordt er wekelijks vergaderd. Wat zijn notulen en hoe komen ze tot stand?

NOTULEN zijn het schriftelijk verslag van een vergadering. Elke zichzelf respecterende voetbalclub, fanfare of welke organisatie dan ook maakt van haar vergaderingen een schriftelijk verslag. Dat kan een verslag zijn waarin alles wordt vermeld dat in de vergadering is gezegd; dit wordt ook wel stenografisch verslag of woordelijk verslag genoemd. Maar meestal zal dat niet het geval zijn, en dan is er sprake van een samenvattend verslag. Een samenvattend verslag kan heel kort zijn, bijvoorbeeld alleen een besluitenlijstje bevatten, of uitgebreider.

HANDELINGEN Ook van politieke vergaderingen worden notulen gemaakt. Zoals van de vergaderingen van de Tweede Kamer. Van de plenaire vergaderingen van de Tweede Kamer wordt een woordelijk verslag gemaakt. Zo’n Kamerverslag wordt Handelingen genoemd. Ook van de vergaderingen van gemeenteraden en provinciale staten worden notulen gemaakt. Er zijn gemeenten en provincies die slechts een heel kort verslag maken, en overigens volstaan met een registratie van geluid en beeld van de vergadering (een webcast). Ook van de vergaderingen van de ministerraad worden notulen gemaakt.

WOORDELIJK VERSLAG? Anders dan de Handelingen van de Tweede Kamer zijn dat geen woordelijke verslagen, maar samenvattende verslagen. De minister-president schreef eind april in een (Kamer)brief aan de Tweede Kamer dat deze notulen slechts ‘een weergave bevatten van de standpuntbepalingen, de argumenten en de conclusie (het besluit)’. Het zijn dus samenvattende verslagen, maar wél heel uitgebreide samenvattingen: alleen al de gepubliceerde passages over de toeslagenaffaire beslaan zo’n vijfendertig pagina’s.

SECRETARIS De notulen van de ministerraad worden volgens het Reglement van orde voor de ministerraad verzorgd door de secretaris van de ministerraad. Dat is geen nevenfunctie van één van de aanwezige ministers of staatssecretarissen, maar een ambtenaar die daarvoor door de ministerraad is benoemd op voorstel van de minister-president.

VASTSTELLING NOTULEN Notulen kunnen worden vastgesteld, dat wil zeggen: aanvaard of goedgekeurd door het gremium dat vergaderde. Ook de notulen van de ministerraad worden vastgesteld. Dat gebeurt door de ministerraad zelve, en wel ‘zo spoedig mogelijk’ na de vergadering. Als het tot een stemming moet komen over de vaststelling, heeft elke minister één stem en wordt besloten bij meerderheid. Vaststelling van de Handelingen van de Tweede Kamer gebeurt heel anders. Dat wordt volgens het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal opgedragen aan de voorzitter en de griffier.

(Mr. Leon)

Volgend blog: vrijdag 21 mei

Terrasje pakken

DONDERDAG 29 APRIL 2021 Gisteren zijn de buitenterrassen van cafés en restaurants eindelijk weer opengesteld, al is het dan alleen in de middag en onder allerlei strikte coronavoorwaarden. Voor velen iets waarnaar lang is uitgezien. Vrijwel iedereen pakt wel eens een terrasje: om af te spreken met vrienden of voor werk, om een boek of krant te lezen of om gewoon zomaar te zitten onder het genot van een kopje koffie, colaatje, biertje of iets sterkers. Maar is er ook iets staatsrechtelijk te zeggen over buitenterrassen?

OPENSTELLING van de buitenterrassen volgt uit een wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19. Deze ministeriële regeling is sinds eind vorig jaar de landelijke opvolger van de regionale noodverordeningen van de voorzitters van de veiligheidsregio’s (die golden vanaf maart vorig jaar). Tot gisteren stond in artikel 4.4 van de ministeriële regeling dat een café of restaurant, inclusief bijbehorend terras, niet voor publiek mag worden opengesteld, de afhaalfunctie uitgezonderd. Sinds gisteren staat in dit artikel dat buitenterrassen in de middag mogen worden opengesteld.

PLAATSEN Cafés, restaurants en hun terrassen zijn publieke plaatsen. Los van corona staan (stonden) publieke plaatsen open voor het publiek, al is het verblijf aan een doel gebonden en kan het zijn dat men zich voor binnenkomst moet melden of een toegangsprijs moet betalen. In deze tijd van corona zijn sommige publieke plaatsen voor publiek opengesteld gebleven, zoals dat het geval is met supermarkten, (week)markten en apotheken. Maar andere publieke plaatsen moesten of moeten dicht blijven, zoals dat het geval is met musea, theaters, cafés en restaurants. Al mogen dan die laatste twee sinds gisteren hun buitenterrassen weer openen. Publieke plaatsen moeten worden onderscheiden van besloten plaatsen en openbare plaatsen.

OPENBARE PLAATSEN zijn plaatsen die voor het publiek openstaan. Verblijf aldaar is niet aan een bepaald doel gebonden, en men hoeft zich voor binnenkomst niet te melden of een toegangsprijs te betalen. Openbare plaatsen zijn bijvoorbeeld (openbare) stoepen, pleinen en parken. In het algemeen waren (en zijn) openbare plaatsen ook in tijden van corona voor publiek opengesteld, te drukke winkelstraten en stadsparken (soms) uitgezonderd.

BESLOTEN PLAATSEN staan niet open voor het publiek. Ze staan alleen open voor bepaalde doelgroepen. Voorbeelden zijn kantoren (werknemers), scholen (leerlingen), woningen en kerken (en andere gebedshuizen). Kantoren, woningen en gebedshuizen zijn niet gesloten, al gelden er wel allerlei coronabeperkingen.

TERRASVERGUNNING Veel (horeca)terrassen bevinden zich op een (openbare) stoep of plein of in een (openbaar) park. Zo’n stoep, plein of park is dus eigenlijk een openbare plaats, maar als terras is het een publieke plaats geworden. De cafébaas mag niet zomaar een terras maken van een deel van stoep, plein of park dat in de buurt ligt. Hij kan daarvoor een gemeentelijke vergunning nodig hebben: de terrasvergunning. De burgemeester gaat (vaak) over het al dan niet verlenen van deze vergunning.

APV Die terrasvergunningsplicht kan zijn opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente. Daarin staan dan ook weigeringsgronden. Een APV kan niet zonder medewerking van de gemeenteraad worden vastgesteld.

TERRASBELASTING Gemeenten mogen ook belasting heffen voor een terras. Zo mag er een (precario)belasting worden ingevoerd voor voorwerpen die particulieren op of in (openbare) stoep, plein of park hebben aangebracht. Voorwerpen zoals stoelen, tafeltjes, windschermen en bloembakken. Hoe hoog die belasting is, kan o.a. afhankelijk zijn van (terras)oppervlak en locatie. Een terrasbelasting mag net als een terrasvergunningsplicht alleen met medewerking van de gemeenteraad worden ingevoerd.

(Mr. Leon)

Volgend blog: 13 mei

Het demissionaire kabinet Rutte III

DINSDAG 20 APRIL 2021Hoewel er sinds de Tweede Kamerverkiezingen van 17 maart dit jaar intensief overlegd is over de vorming van een nieuw kabinet, is dit nog niet in zicht. In de tussentijd is het evenmin zo dat Nederland zonder kabinet is. Het kabinet dat na de voorlaatste verkiezingen – in 2017 – is gevormd is er namelijk nog steeds. Dat is het kabinet Rutte III. Al is dat nu wel een demissionair kabinet geworden. Wat is een demissionair kabinet?

ONTSLAG Een demissionair kabinet is een kabinet dat collectief zijn ontslag heeft aangeboden aan de Koning. Zo’n aangeboden ontslag is nog geen aftreden. Een afgetreden kabinet is een kabinet dat er niet meer is, en dat dus niet meer vergadert, besluiten neemt of in het parlement spreekt. Een demissionair kabinet is (nog) niet afgetreden, en gaat zolang door met vergaderen, besluiten nemen en in het parlement spreken. Een demissionair kabinet treedt pas af als er een nieuw kabinet is gevormd.

CONTROVERSIËLE EN LOPENDE ZAKEN Wat is het verschil tussen een demissionair kabinet en een gewoon (missionair) kabinet? Een demissionair kabinet zou geen omstreden of controversiële zaken mogen behandelen. Het zou alleen lopende zaken mogen afhandelen. Maar wat is een controversiële zaak en wat is een lopende zaak?

LOPENDE ZAKEN Zelf verklaarde premier Rutte op 15 januari – de dag dat het kabinet demissionair werd – dat het kabinet ‘in elk geval doorgaat met de strijd tegen het coronavirus en met het opvangen van de economische en maatschappelijke gevolgen daarvan door middel van bestaande en aangekondigde steunpakketten. En ook dat het kabinet blijft werken aan snelle compensatie voor de getroffen ouders in de (kinderopvang)toeslagenaffaire.’ Dat zouden dan geen controversiële zaken betreffen maar slechts de afhandeling van lopende zaken.

CONTROVERSIËLE ZAKEN De Tweede Kamer en de Eerste Kamer hebben elk een lijst vastgesteld waarop o.a. wetsvoorstellen staan die zij controversieel hebben verklaard. De Kamer zal die wetsvoorstellen niet verder behandelen zolang het kabinet demissionair is. Pas na de officiële installatie van een nieuw kabinet wordt de parlementaire behandeling van die wetsvoorstellen weer opgepakt. De Kamers mogen zulke lijsten zelfstandig vaststellen, want (alleen) zijzelf gaan over hun agenda. Het is de meerderheid die beslist wat er op de lijst komt te staan. Het voornaamste criterium dat de Tweede Kamer voor het al dan niet controversieel verklaren tussen 1994 en 2012 blijkt te hanteren is behoud van keuzevrijheid voor het nieuwe kabinet. De Tweede Kamer heeft op 11 februari jl. een lange lijst van controversiële wetsvoorstellen vastgesteld. Dat was dus de oude Tweede Kamer, die van vóór de verkiezingen. Op die lijst staat bijvoorbeeld een wetsvoorstel om het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te wijzigen. In dit wetboek wordt o.a. de wijze van procederen in civiele zaken geregeld, dat zijn zaken waarin de ene burger de andere burger voor de rechter daagt. In het wetsvoorstel worden voorstellen gedaan om de bewijsregels te vereenvoudigen en te moderniseren. De Tweede Kamer heeft dat wetsvoorstel dus controversieel verklaard.

LOPENDE ZAAK? Is het dan niet merkwaardig dat het kabinet zo’n twee weken geleden een wetsvoorstel voor een geheel nieuw Wetboek van Strafvordering voor advies naar de Raad van State heeft gestuurd? Het nieuwe wetboek zal in de plaats komen van het huidige Wetboek van Strafvordering, dat bestaat uit meer dan elfhonderd wetsartikelen. Daarin worden onderwerpen geregeld als de bevoegdheden van politie en justitie en de rechten van verdachten, advocaten en slachtoffers. In het voorstel voor een nieuw wetboek worden o.a. de opsporingsbevoegdheden van de politie uitgebreid. Kan zo’n voorstel voor een nieuw wetboek nog worden gezien als het afdoen van een lopende zaak, zou het echt niet controversieel zijn? Het kabinet vindt het blijkbaar niet controversieel. Na het advies van de Raad van State gaat een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer. De lijst die de oude Tweede Kamer op 11 februari heeft vastgesteld kan natuurlijk worden aangepast. We zullen zien of de Kamer dit wetsvoorstel aan haar lijst zal toevoegen. De meerderheid van de (nieuwe) Tweede Kamer beslist hierover. Na de verkiezingen van maart zijn de politieke verhoudingen veranderd. Weliswaar heeft de oude coalitie haar meerderheid behouden, maar daarbinnen zijn de onderlinge krachtverhoudingen veranderd (zo heeft de VVD het CDA nu minder zetels en D66 veel meer) en bovendien is het nog maar zeer de vraag of de huidige coalitie überhaupt zal worden voortgezet (een andere coalitie impliceert een andere parlementaire meerderheid). Daardoor zal het nieuwe kabinet waarschijnlijk heel andere keuzes willen maken dan het huidige kabinet, bijvoorbeeld voor een nieuw Wetboek van Strafvordering. Daarom zouden we kunnen verwachten dat de Tweede Kamer ook dat wetsvoorstel controversieel verklaart.

DEMISSIONAIR OP VERZOEK Het kabinet Rutte III heeft op 15 januari zijn ontslag aangeboden aan de Koning, omdat ‘’op alle niveaus, door het hele politiek-bestuurlijk-juridische systeem, fouten zijn gemaakt die ertoe hebben geleid dat duizenden ouders groot onrecht is aangedaan’’. Het gaat hier uiteraard over de toeslagenaffaire.

DEMISSIONAIR OMDAT HET MOET In sommige gevallen moet een kabinet zijn ontslag aanbieden. Bijvoorbeeld op de dag vóór Tweede Kamerverkiezingen. Elk zittend kabinet wordt dus na de verkiezingen demissionair. Een kabinet kan ook al (ruim) vóór verkiezingen zijn ontslag moeten aanbieden, bijvoorbeeld als het niet langer het vertrouwen krijgt van een meerderheid in de Tweede Kamer. Zo’n vertrouwensbreuk is er o.a. als de Kamer een motie van wantrouwen aanneemt.

AFTREDEN Het demissionaire kabinet Rutte III treedt in beginsel pas af als er een nieuw kabinet is gevormd. Op eigen verzoek kunnen demissionaire ministers eerder aftreden. Eric Wiebes heeft dat op 15 januari gedaan in verband met de toeslagenaffaire. Op 1 april is in de Tweede Kamer een motie van wantrouwen ingediend tegen de premier. Die motie werd net niet aangenomen: ze kreeg steun van 73 van de 150 Kamerleden (de hele oppositie). Wat als de motie wél was aangenomen? Volgens de regels van het staatsrecht moet een minister zijn ontslag aanbieden aan de Koning als de Kamer zo’n motie tegen hem aanneemt. De premier had echter net als de andere ministers al op 15 januari zijn ontslag aangeboden. Wat de motie wilde bereiken, was dat de premier daadwerkelijk zou aftreden. Trouwens, op diezelfde dag is er met ruime meerderheid wél een motie van afkeuring aangenomen. Wat deze motie leek te willen bereiken, was dat de premier op eigen verzoek zou aftreden. Maar dat heeft hij dus niet gedaan.

(Mr. Leon)

Volgend blog: donderdag 29 april

Kabinetsformatie in Duitsland en België

DONDERDAG 8 APRIL 2021 Het vorige blog ging over de kabinetsformatie in Nederland. In dit blog wordt de Nederlandse kabinetsformatie vergeleken met die bij onze zuider- en oosterburen: België en Duitsland.

BONDSDAG De Tweede Kamer heet in België Kamer van Volksvertegenwoordigers; die Kamer heeft net als bij ons land 150 leden. In Duitsland heet de Tweede Kamer Bundestag (Bondsdag). De Bondsdag heeft ruim 700 leden. België is net als Nederland een monarchie; het staatshoofd is een koning. Duitsland is een republiek; het staatshoofd is een president. In België is de ‘’regeringsleider’’ net als in Nederland de premier. In Duitsland is de bondskanselier de regeringsleider.

INFORMATEUR In Nederland wijst de Tweede Kamer de informateur aan, die in kaart brengt welke coalitie mogelijk is. In België wijst de Koning de informateur aan. Net als in ons land kan iedereen informateur worden. De Koning der Belgen is Filip. In Duitsland wordt geen informateur aangewezen. De (nieuwgekozen) lijsttrekkers en de voorzitters van hun politieke partijen (!) gaan om de tafel zitten met de andere (nieuwgekozen) lijsttrekkers en hun partijvoorzitters om te onderhandelen over een nieuwe regeringscoalitie.

FORMATEUR In Nederland wijst de Tweede Kamer (ook) de formateur aan, die de ministers uitzoekt. In België is het de Koning die (ook) de formateur aanwijst. Meestal wordt de formateur daar net als hier de nieuwe premier. In Nederland wordt de premier ook wel minister-president genoemd, in België ook wel Eerste minister. In Duitsland wordt de bondskanselier de formateur. Men wordt daar dus eerst bondskanselier en pas daarna formateur. In Nederland en België is de volgorde omgekeerd: hier wordt men eerst formateur en pas daarna premier.

NIEUWE PREMIER In Nederland ondertekenen Koning en beoogd premier het besluit waarmee de premier wordt benoemd. In België ondertekenen Koning en demissionair premier dat besluit. Belgisch premier is nu Alexander de Croo; zijn benoemingsbesluit is destijds ondertekend door Sophie Wilmès. In Duitsland wordt het besluit waarmee de bondskanselier wordt benoemd (alleen) ondertekend door de president. De huidige kanselier is Angela Merkel.

MINISTERS In Nederland ondertekenen Koning en de nieuwe premier de besluiten waarmee de ministers worden benoemd. In België gaat het net zo. In Duitsland worden de besluiten waarmee de ministers worden benoemd (alleen) ondertekend door de president. President is nu Frank-Walter Steinmeier.

In België mag een kabinet uit hooguit 15 ministers bestaan, dat is inclusief de premier. De huidige regering bestaat uit dat maximale aantal. Bovendien moeten er evenveel Nederlandstalige als Franstalige ministers zijn, de premier niet meegeteld. Nederland en Duitsland kennen dit soort eisen niet.

KAMER In Nederland kan de Tweede Kamer het hele (nieuwe) kabinet heenzenden door duidelijk te maken dat ze er geen vertrouwen in heeft, bijvoorbeeld door een motie van wantrouwen aan te nemen. In België mag een nieuw kabinet pas aan het werk gaan nadat de Kamer een motie van vertrouwen heeft aangenomen. In Duitsland is het zo dat de president altijd tot bondskanselier benoemt degene die de (meerderheid van de) Bondsdag heeft gekozen.

VERKENNER In Nederland wijst de voorzitter van de oude Tweede Kamer de verkenner(s) aan na overleg met de gekozen lijsttrekkers. In België is de Koning (zelf) die verkenner. Duitsland heeft geen (officiële) verkenner.

DE PRESIDENT in Duitsland wordt gekozen door de Bondsdag en door vertegenwoordigers van de parlementen van de deelstaten. Het koningschap in België is net als in ons land erfelijk bepaald.

(Mr. Leon)

Volgende blog: dinsdag 20 april

De kabinetsformatie

DINSDAG 30 MAART 2021 Het is twee weken geleden dat er Tweede Kamerverkiezingen waren. Morgen worden de 150 nieuwe Tweede Kamerleden beëdigd. Dan is de nieuwe Kamer geïnstalleerd. Hoe verloopt daarna de vorming van het nieuwe kabinet?

INFORMATEUR De nieuwe Tweede Kamer vergadert over de verkiezingsuitslag en wijst vervolgens een informateur aan. Informateur kan een Kamerlid zijn, maar dat hoeft niet. Het kan één informateur zijn, maar het kunnen er ook meerdere zijn. De informateur moet in kaart brengen welke kabinetten allemaal mogelijk zijn. Hij of zij krijgt daarvoor een opdracht mee, die meer of minder precies is. De Kamer beslist bij (gewone) meerderheid over de inhoud van die opdracht en wie informateur wordt.

IN 2017? Hoe ging dat bij de voorlaatste verkiezingen, die van 2017? Toen heeft de Tweede Kamer één informateur aangewezen. Dat was Edith Schippers, destijds demissionair minister (van Volksgezondheid!). Haar opdracht was nogal precies omschreven, namelijk de mogelijkheden onderzoeken van een stabiel kabinet met VVD, CDA, D66 en GroenLinks. Na twee maanden concludeerde Schippers dat zo’n kabinet niet mogelijk was. De Kamer wees toen een nieuwe informateur aan: Herman Tjeenk Willink, minister van Staat. Zijn opdracht was minder specifiek, namelijk om de mogelijkheden te onderzoeken van een kabinet dat op voldoende steun kan rekenen in de Eerste en Tweede Kamer. Na een maand concludeerde Tjeenk Willink dat (alleen) VVD, CDA, D66 en ChristenUnie bereid waren om gezamenlijk de vorming van een kabinet te onderzoeken. De Kamer wees daarop Gerrit Zalm aan als informateur, oud minister. Hij moest onderzoeken of zo’n kabinet inderdaad mogelijk was. En dat bleek het geval! Zijn onderzoek duurde trouwens even lang als dat van zijn twee voorgangers tezamen.

FORMATEUR Als de informatie is gelukt, wijst de Tweede Kamer een formateur aan. De formateur moet de ministers uitzoeken. Informatie en formatie zijn trouwens geregeld in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer.

IN 2017? Hoe ging dat in 2017? Toen wees de Kamer Mark Rutte aan als formateur, toen net als nu ook (demissionair) minister-president. Hij moest een kabinet vormen van ministers van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie. Dat lukte binnen enkele weken. Rutte werd zelf de nieuwe minister-president: Rutte III was geboren. Het gaat sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw trouwens steeds zo dat de formateur minister-president wordt van het nieuwe kabinet. Zo was Mark Rutte ook de formateur van de kabinetten Rutte II en Rutte I. Hij zal het dus ook wel worden van Rutte IV.

MINISTERS Als de formatie is gelukt kunnen de ministers (en staatssecretarissen) worden benoemd. Wie benoemt hen? Een minister wordt volgens de Grondwet benoemd door een besluit dat zowel door de Koning als door de nieuwe minister-president wordt ondertekend.

NIEUWE MINISTER-PRESIDENT Maar wie ondertekent – naast de Koning – het besluit waarbij de nieuwe minister-president wordt benoemd? Dat is volgens de Grondwet de nieuwe minister-president zelf. Hij (of zij) wordt echter pas minister-president door het benoemingsbesluit, door de ondertekening dus. Feitelijk is hij dus ten tijde van die ondertekening nog niet de nieuwe minister-president! Hij is dan slechts de beoogde minister-president.

DEMISSIONAIRE MINISTER-PRESIDENT Als Mark Rutte straks voor de vierde keer minister-president zou worden, is hij feitelijk bij ondertekening van zijn (eigen) benoemingsbesluit wél demissionair minister-president. Dat was ook het geval toen hij minister-president werd van Rutte III en van Rutte II. Maar dat was het niet toen hij in 2010 voor de eerste keer minister-president werd. Toen was hij geen demissionair minister-president, zelfs geen demissionair minister (in het kabinet Balkenende IV).

TWEEDE KAMER Het besluit waarbij een minister wordt benoemd, is niet ondertekend door de Tweede Kamer. Heeft de Tweede Kamer dan geen invloed op wie er minister wordt? Alleszins wel! Een minister moet haar ontslag aanbieden aan de Koning, zodra blijkt dat ze niet langer het vertrouwen heeft van de (meerderheid van de) Tweede Kamer. Er zal daarom geen minister worden benoemd waarvan op voorhand duidelijk is dat zij (of hij) dat vertrouwen niet krijgt.

BORDESFOTO Nadat alle ministers zijn benoemd volgt de beëdiging van het nieuwe kabinet. Direct na de beëdiging is er gewoonlijk de bordesfoto: een officiële foto van de Koning met het volledige nieuwe kabinet op (de trappen van) het bordes naar het paleis. Laten we hopen dat tegen die tijd men daarop tegen niet meer anderhalve meter van elkaar hoeft te staan!

VERKENNER Zover is het echter nog niet, ook niet met de vorming van een nieuw kabinet. Vandaag vergadert de oude Tweede Kamer over de geloofsbrieven van de nieuwe Tweede Kamerleden (zie ook het vorige blog). Morgen wordt de nieuwe Tweede Kamer beëdigd. Die zal dan binnen een week de (eerste) informateur aanwijzen. Voorafgaand zal ze echter nog debatteren over het verslag van de verkenners. De eerste verkenners zijn al de dag na de verkiezingen aangewezen: Annemarie Jorritsma en Kajsa Ollongren, respectievelijk fractieleider van de VVD in de Eerste Kamer en demissionair minister voor D66. Verkenners verkennen de coalitiemogelijkheden door gesprekken te houden met o.a. alle fractieleiders. Jorritsma en Ollongren zijn aangewezen door de voorzitter van de Tweede Kamer, Khadija Arib, na overleg met de (voorlopig) gekozen lijsttrekkers. Zij hebben hun werkzaamheden beëindigd voordat ze alle fractieleiders hebben gesproken (‘’Positie Omtzigt. Functie elders’’). Arib heeft daarna Wouter Koolmees en Tamara van Ark aangewezen, beiden (demissionair) minister voor respectievelijk ook weer D66 en VVD. De verkenning is anders dan de informatie en de formatie niet geregeld in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer (en evenmin ergens anders).

(Mr. Leon)

Volgende blog: donderdag 8 april

Hoe wordt de verkiezingsuitslag voor de Tweede kamer vastgesteld?

DONDERDAG 18 MAART 2021 Gisterenavond zijn rond negen uur (!) de laatste stemmen uitgebracht voor de Tweede Kamerverkiezing. Over twee weken – op woensdag 31 maart – worden de (150) leden van de nieuwe Tweede Kamer beëdigd. Wat wordt er in de tussentijd gedaan met de uitgebrachte stemmen?

GISTERENAVOND is kort ná negen uur begonnen met het tellen van de stemmen. In elk stembureau worden de stemmen geteld die daar zijn uitgebracht. De stembureaus van de gemeente Schiermonnikoog hadden gisterenavond als eerste de telling afgerond. Vanwege coronamaatregelen kan het gebeuren dat in sommige gemeenten de stemmen elders worden geteld en/of pas vandaag worden geteld. Van het tellen wordt een verslag gemaakt in de vorm van een proces-verbaal. De stembiljetten worden daarna verpakt en verzegeld.

AANSTAANDE MAANDAG stellen hoofdstembureaus vast hoeveel stemmen elke kandidaat heeft gekregen; dat gebeurt op basis van de verslagen van de stembureaus. Alle stembureaus zijn ingedeeld bij een van de twintig hoofdstembureaus. De grote steden hebben elk een eigen hoofdstembureau. Die vaststelling van een hoofdstembureau gebeurt in een vergadering. Voorzitter is de burgemeester van de gemeente waar wordt vergaderd. De andere (vier) leden zijn benoemd door de minister van Binnenlandse Zaken. Van de vergadering wordt een verslag gemaakt.

VOLGENDE WEEK VRIJDAG stelt de Kiesraad in een vergadering de officiële verkiezingsuitslag vast. Dat wil zeggen: aan welke 150 van de (veel) meer dan 1000 kandidaten een Kamerzetel is toegewezen. Deze toewijzing gebeurt op basis van de verslagen van de hoofdstembureaus. Van de vergadering wordt een verslag gemaakt. De (zeven) leden van de Kiesraad zijn benoemd door de regering.

OPENBAAR Het tellen op de stembureaus, de vergaderingen van de hoofdstembureaus en de vergadering van de Kiesraad zijn ingevolge de Kieswet openbaar. Dat betekent dat kiezers daarbij aanwezig mogen zijn. Ook politici en actieve partijleden zijn kiezers.

BEZWAAR MAKEN Een aanwezige kiezer mag tijdens de vergadering bezwaren inbrengen, bijvoorbeeld als er volgens hem sprake is van onregelmatigheden. De vergaderingen van de hoofdstembureaus en van de Kiesraad mogen volgens de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 ook digitaal worden gehouden. In dat geval moet elke geïnteresseerde zo’n vergadering live via internet kunnen volgen en er mondeling bezwaren kunnen inbrengen.

VERKIEZINGSGESCHILLEN (1) Bezwaar maken is nog geen gelijk hebben of gelijk krijgen. Wel moeten alle bezwaren in het verslag van de betreffende vergadering worden opgenomen. Tijdens de vergadering van de Kiesraad kan de kiezer zijn bezwaar combineren met een verzoek om de stembiljetten van een of meer stembureaus opnieuw te laten tellen. De Kiesraad kan daartoe ook zonder zo’n verzoek besluiten. Bij de vorige Tweede Kamerverkiezingen in 2017 en 2012 heeft de Kiesraad geen hertelling laten uitvoeren. In 2017 had een kiezer daar wel om verzocht. Bezwaarmakers die geen gelijk krijgen, kunnen hun bezwaar echter niet aan een rechter voorleggen!

VOLGENDE WEEK ZATERDAG krijgt de kandidaat aan wie een Kamerzetel is toegewezen hiervan schriftelijk bericht. Zij moet dan laten weten of ze haar zetel al dan niet aanvaardt. Wie aanvaardt, is daarmee tot Kamerlid is benoemd.

TWEEDE KAMER Wie is benoemd tot Kamerlid heeft echter nog niet het recht gekregen om aan vergaderingen van de Tweede Kamer deel te nemen, bijvoorbeeld door daar over wetsvoorstellen het woord te voeren of te stemmen. Daarvoor moet hij eerst worden toegelaten tot de Kamer. Dat geldt voor alle 150 benoemde Kamerleden, niet alleen voor de nieuwe Kamerleden, maar ook voor de zittende Kamerleden die opnieuw zijn benoemd. Over toelating beslist de Tweede Kamer zelf. Dat is Tweede Kamer in oude samenstelling.

GELOOFSBRIEVEN Aan elke toelating gaat per Kamerlid een onderzoek vooraf: het onderzoek van de geloofsbrieven. Een speciale Tweede Kamercommissie voert dat onderzoek uit: de Commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven. Wat wordt dan onderzocht? Ten eerste of het nieuwe Kamerlid aan de (grondwettelijke) vereisten voor het Kamerlidmaatschap voldoet, zoals het hebben van de Nederlandse nationaliteit en dat ze minstens 18 jaar oud is. Ten tweede of ze geen betrekking vervult die met het Kamerlidmaatschap onverenigbaar is.

VERKIEZINGSGESCHILLEN (2) Ten derde onderzoekt deze Tweede Kamercommissie eventuele verkiezingsgeschillen, bijvoorbeeld naar aanleiding van door kiezers ingebrachte bezwaren bij (hoofd)stembureaus of Kiesraad. Dat onderzoek gebeurt op basis van de verslagen van de Kiesraad, de hoofdstembureaus en de stembureaus. In totaal meer dan 9000 verslagen! De Tweede Kamer is de instantie die deze geschillen beslecht, in plaats van de rechter. De Tweede Kamer mag opdracht geven om het tellen van de stemmen bij een of meer stembureaus over te doen (hertelling), net als de Kiesraad. Bovendien mag de Tweede Kamer opdracht geven om de stemming in een of meer stembureaus over te doen (herbestemming). Herbestemming betekent dat de kiezers in dat stembureau opnieuw kunnen gaan stemmen. Wat de Tweede Kamer uiteindelijk ook besluit, daarmee zijn de geschillen definitief beslecht: een gang naar de rechter is niet mogelijk.

WOENSDAG 31 MAART Een nieuw Kamerlid dat door de oude Tweede Kamer is toegelaten hoeft daarna alleen nog maar beëdigd te worden om met haar of zijn feitelijke werkzaamheden te kunnen beginnen, zoals het woord voeren en stemmen over wetsvoorstellen. Alle 150 Kamerleden worden op woensdag 31 maart beëdigd. Dat gebeurt in een speciale vergadering. De oude Tweede Kamerleden zijn dan inmiddels allemaal afgetreden.

(Mr. Leon)