Avondklok in drieën.

DINSDAG 23 FEBRUARI 2021 De avondklok: Drie rechterlijke uitspraken. Drie wetten. Drie ministers. En eigenlijk ook drie avondklokken. Alle goede dingen bestaan uit drieën, zegt men wel. Welke zijn dat bij de avondklok?

1e UITSPRAAK is gedaan in de rechtszaak die de Stichting Viruswaarheid tegen de Nederlandse Staat heeft aangespannen. Daarin eiste de stichting dat de avondklok buiten werking wordt gesteld. Op dinsdagochtend 16 februari – een week geleden – deed de rechtbank uitspraak: de Staat moest de avondklok buiten werking stellen. Diezelfde dag nog zodat de avondklok al in de nacht van dinsdag op woensdag buiten werking zou zijn.

2e UITSPRAAK is gedaan in het hoger beroep dat de Nederlandse Staat tegen de rechtbankuitspraak instelde. Gedaan op diezelfde dinsdag. De Staat eiste bij het gerechtshof vernietiging van de rechtbankuitspraak. Vaak leidt instelling van hoger beroep automatisch tot schorsing van de lagere rechtbankuitspraak voor zolang het gerechtshof nog geen uitspraak heeft gedaan. Dat zou hier dan betekenen dat de avondklok in elk geval voorlopig niet buiten werking hoefde te worden gesteld. Maar hier leidde de instelling van hoger beroep niet automatisch tot schorsing van de rechtbankuitspraak. Dat gebeurde niet, omdat de rechtbank uitspraak deed in een kort geding. Instelling van hoger beroep tegen een kortgedinguitspraak leidt niet automatisch tot schorsing van de uitspraak. In vaktermen: een kortgedinguitspraak is uitvoerbaar bij voorraad. Daarom heeft de Staat bij het gerechtshof niet alleen vernietiging van de rechtbankuitspraak geëist maar ook schorsing. Het gerechtshof deed nog diezelfde dag uitspraak. Daarin werd de eis toegewezen: de avondklok hoeft voorlopig niet buiten werking te worden gesteld, namelijk totdat datzelfde gerechtshof uitspraak doet over de eis tot vernietiging van de rechtbankuitspraak.

3e UITSPRAAK wordt de uitspraak van het gerechtshof over die laatste eis: de vernietiging van de rechtbankuitspraak. Het gerechtshof heeft aangegeven dat ze daarover in elk geval niet voor aanstaande vrijdag uitspraak doet.

RECHTSSTAAT Waarom moet de avondklok van de rechtbank buiten werking worden gesteld? De avondklok is een overheidsmaatregel die mensenrechten beperkt en die dus voor de burger belastend is. In een rechtsstaat als Nederland mag de regering alleen dan een belastende maatregel opleggen als ze daartoe wettelijk bevoegd is. Een wettelijke bevoegdheid is een bevoegdheid die in een wet staat. Invoering van de avondklok is een bevoegdheid die in januari alleen nog stond in de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag. Dat is geen gewone wet, maar een wet voor acute noodsituaties. Dat betekent volgens de rechtbank dat hij alleen in ‘superspoedeisende situaties’ kan worden toegepast, in ‘situaties die geen uitstel kunnen dulden’. Van zo’n noodsituatie was volgens de rechtbank geen sprake toen de avondklok op 22 januari werd ingevoerd, o.a. omdat het kabinet al ruim voor die tijd over de mogelijkheid van een avondklok had gesproken.

KAMERDEBAT Wat volgens de rechtbank de situatie toen des te minder spoedeisend maakte, is dat de premier een dag daarvoor met de Tweede Kamer heeft gedebatteerd over invoering van de avondklok. De rechtbank oordeelt dus dat (ook) dit debat in de weg stond aan een avondklok op basis van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag. In mijn blog van 4 februari schreef ik dat dit debat noch nodig noch voldoende was voor een avondklok op basis van deze wet. De rechtbank overweegt dat het daarvoor zelfs nadelig was.

JOJO Waarom heeft het gerechtshof de rechtbankuitspraak geschorst? Het hof stelt voorop dat het hiermee ‘op geen enkele manier wil vooruitlopen’ op haar uitspraak over de al dan niet vernietiging van de rechtbankuitspraak. Het wil alleen een ‘jojo-effect’ voorkomen, dat wil zeggen dat de avondklok eerst enkele dagen (of iets langer) ‘eraf’ is om daarna weer (eventueel) ‘erop’ te moeten.

CIVIELE RECHTSZAKEN Alle drie rechtszaken zijn civiele rechtszaken: het zijn civiele rechters die de uitspraken doen. Toch is de invoering van de avondklok eigenlijk veel meer een bestuursrechtelijke aangelegenheid. Waarom zijn het dan geen bestuursrechters die uitspraak doen? Omdat de Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19 – dat is de regeling waarin van de wettelijke bevoegdheid gebruik wordt gemaakt – een algemeen verbindend voorschrift is. Je kunt bij de bestuursrechter geen rechtszaak aanspannen tegen algemeen verbindende voorschriften, tenminste niet rechtstreeks. De bestuursrechter is er alleen voor rechtszaken tegen vergunningen, subsidies, (bestemmings-) plannen en zo. Als je niet bij de bestuursrechter terecht kunt, dan kun je bij de civiele rechter terecht.

1e WET: toen de avondklok in januari werd ingevoerd was er slechts één wet die de landelijke avondklok mogelijk maakte. Dat was de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag, en dan vooral artikel 8 eerste en derde lid. De rechtbank overweegt dat de situatie in januari zodanig was dat ook deze wet de avondklok niet mogelijk maakte, en dat de avondklok daarom buiten werking moet worden gesteld.

2eWET is de Wet voortduren van de werking van artikel 8, eerste en derde lid, van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag. Het voorstel voor die wet is op 2 februari ingediend en bekendgemaakt op 4 februari. Op 11 februari is dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer aangenomen; een ruime meerderheid van regeringspartijen en oppositiepartijen PvdA, GroenLinks en SP stemde voor. Voordat de Eerste Kamer er over heeft gestemd, is het door de regering ingetrokken. Dat gebeurde gisteren.

OKAY? Ik vraag me af of de gang van zaken bij dit wetsvoorstel staatsrechtelijk helemaal in orde was. Ten eerste moet zo’n wetsvoorstel volgens de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag ‘onverwijld’ worden ingediend, terwijl dat hier pas na anderhalve week is gebeurd. Ten tweede trekt de regering het wetsvoorstel in omdat ‘de noodzaak tot het debat (erover) in de Eerste Kamer (is) komen te vervallen’. Maar het debat zou erover gaan of een avondklok op basis van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag noodzakelijk was. En alleen de Eerste Kamer zelve gaat toch over die noodzaak?

3e WET is de Tijdelijke wet beperking vertoeven in de open lucht covid-19, in de media wordt hij ook wel spoedwet genoemd. De regering heeft het voorstel voor deze wet de dag na de rechtbankuitspraak bij de Tweede Kamer ingediend. Dus op 17 februari. Het is dus mogelijk om een wetsvoorstel op zo’n korte termijn in te dienen! Het wetsvoorstel is ook in het parlement met spoed behandeld: de Tweede Kamer heeft het op 18 februari aangenomen en de Eerste Kamer op 19 februari, in beide Kamers stemde ook een groot deel van de oppositie voor. Deze spoedwet breidt de bevoegdheden van de Wet publieke gezondheid uit zodat er nu tweede wet is die het mogelijk maakt om een landelijke avondklok per ministeriële regeling in te voeren (en te verlengen). Trouwens, de Wet publieke gezondheid is in het afgelopen corona jaar herhaaldelijk uitgebreid met bevoegdheden. Zo maakt hij het sinds 1 december mogelijk dat per ministeriële regeling een mondkapjesplicht wordt opgelegd in gesloten ruimten en een verbod voor kappers om hun beroep uit te oefenen. Nu is daar dus aan toegevoegd de mogelijkheid om per zo’n zelfde ministeriële regeling een avondklok op te leggen.

DRIE AVONDKLOKKEN: de eerste avondklok gold van 23 januari tot 10 februari. De tweede – die eigenlijk een verlenging was van de eerste – gold van 10 februari tot 3 maart. Zojuist werd bekend dat de avondklok ook na 3 maart wordt verlengd, in elk geval tot 15 maart. Dat wordt dan de derde.

DRIE MINISTERS: De eerste avondklok is door de minister van Justitie & Veiligheid ‘samen met’ de premier ingevoerd. De tweede alleen door de minister van Justitie & Veiligheid. Invoering van de derde avondklok – eigenlijk ook een verlenging – zal gebeuren door de ministers van Justitie & Veiligheid en van Binnenlandse Zaken en bovendien ‘in overeenstemming met de minister die het mede aangaat’ en ook nog ‘in overeenstemming met het gevoelen de (hele) ministerraad’. Trouwens, bij die derde avondklok zullen ook de Tweede en Eerste Kamer moeten worden betrokken; van de Tweede Kamer is dan zelfs goedkeuring nodig.

(Mr. Leon)

De GGD

DINSDAG 16 FEBRUARI 2021 De GGD is sinds de coronatijd veel in het nieuws, bijvoorbeeld in verband met testen en vaccineren. Wat is eigenlijk de GGD?

GGD is niet pas opgericht in de coronatijd maar bestaat al jarenlang. De letters staan voor Gemeentelijke gezondheidsdienst.

GEZONDHEIDSDIENST De GGD is dus een gezondheidsdienst die publieke gezondheidszorg verleent, dat wil zeggen maatregelen die de gezondheid voor de bevolking of specifieke groepen daaruit beschermen en bevorderen, inclusief het voorkomen en vroegtijdig opsporen van ziekten. Ze heeft bijvoorbeeld zorgtaken op het gebied van jeugdgezondheid en ouderengezondheid en houdt zich bezig met de bestrijding van tuberculose en seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s). Dit zijn slechts enkele voorbeelden: het takenpakket is veel ruimer.

GEEN CURATIEVE ZORG De gezondheidsdiensten van de GGD bestaan vooral uit preventie, voorlichting en onderzoek. Curatieve zorg valt daar niet onder. Dat is de zorg die bijvoorbeeld ziekenhuizen en verpleeghuizen, huisartsen, tandartsen en apotheken aan hun patiënten verlenen.

GEMEENTELIJK Elke gemeente in ons land heeft een gemeentelijke gezondheidsdienst. Er is dus niet één GGD, maar er zijn veel GGD’s. Daarmee is trouwens niet gezegd dat elke gemeente een eigen gezondheidsdienst heeft. Integendeel: geen enkele gemeente heeft een eigen gezondheidsdienst. Elke GGD is namelijk een samenwerking van verschillende gemeenten. Zo werken in GGD Haaglanden 9 gemeenten met elkaar samen, 15 in GGD Rotterdam-Rijnmond en in die van Gelderland-Midden en zelfs 21 in die van Brabant-Zuidoost. In sommige GGD’s werken alle gemeenten van een provincie met elkaar samen; dat is bijvoorbeeld het geval in Groningen, Zeeland en Utrecht. Ons land telt vijfentwintig GGD’s.

SAMENWERKENDE GEMEENTEN Gemeenten werken niet alleen voor gezondheidsdiensten met elkaar samen. Dat gebeurt ook op veel andere beleidsterreinen, zoals bijvoorbeeld milieu, inkoop, ICT, energie en jeugd- en gezinshulp. Gemeenten mogen in het algemeen zelf bepalen in welke vorm ze met elkaar samenwerken. Zo kunnen ze net als particulieren kiezen voor een vereniging of vennootschap. Ze kunnen er ook voor kiezen om een openbaar lichaam op te richten; particulieren kunnen dit laatste niet. Soms moeten gemeenten kiezen voor een openbaar lichaam als samenwerkingsvorm. Dat is het geval met de GGD: de GGD mag geen vereniging of vennootschap zijn, het moet een openbaar lichaam zijn.

OPENBAAR LICHAAM Er zijn in ons land heel veel openbare lichamen. Zo is elk van de 350 Nederlandse gemeenten een openbaar lichaam, net als de provincies. De meeste openbare lichamen zijn typisch overheid. Er zijn echter uitzonderingen: zo is ook de Nederlandse Orde van Advocaten een openbaar lichaam.

BESTUUR Een openbaar lichaam kan net als een vereniging en een particulier zelfstandig deelnemen aan de maatschappij. Om dat te doen heeft ze een bestuur nodig. Een gemeentebestuur bestaat uit gemeenteraad, burgemeester en college (van burgemeester en wethouders). Dat is zo geregeld in de Gemeentewet. De inwoners kiezen de gemeenteraad; de gemeenteraad kiest de wethouders en – tot op zekere hoogte – de burgemeester.

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING Een GGD bestaat uit algemeen bestuur, dagelijks bestuur en voorzitter. In het algemeen bestuur van een GGD zitten wethouders en burgemeesters. Ze zijn gekozen door en uit de colleges van de deelnemende gemeenten. Dit algemeen bestuur kiest uit zijn midden de voorzitter en de andere leden van het dagelijks bestuur. Dat is zo geregeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen. Een GGD is een openbaar lichaam én een gemeenschappelijke regeling; een gemeente is alleen een openbaar lichaam.

GGD REGIO UTRECHT Ter illustratie een voorbeeld. In de GGD (regio) Utrecht werken alle (26) gemeenten van de provincie Utrecht met elkaar samen. Dat gebeurt op basis van een overeenkomst. Het algemeen bestuur bestaat in deze GGD helemaal uit wethouders. Elk van de 26 colleges (van burgemeester en wethouders) heeft er uit zijn midden één aangewezen, meestal de wethouder voor Volksgezondheid.

VERANTWOORDING Kan die wethouder gewoon zijn gang gaan? De wethouder moet in elk geval aan zijn college en aan de gemeenteraad verantwoording afleggen voor wat hij in het algemeen bestuur doet of nalaat. Vragen van individuele raadsleden moet hij beantwoorden. Het college kan hem zo nodig ontslaan uit het algemeen bestuur; de gemeenteraad kan dat niet.

ONGELIJKE KAPPEN Elke Utrechtse gemeente heeft dus een wethouder in het algemeen bestuur, maar dit betekent niet dat bij het nemen van besluiten elke wethouder een gelijke stem heeft. Toch hebben de wethouders van de (negen) kleinste gemeenten nog altijd ieder één stem, terwijl de Utrechtse wethouder in zijn eentje ‘slechts’ goed is voor negen stemmen. Er zijn in totaal 68 stemmen uit te brengen; er is dan dus een gewone meerderheid vóór bij 35 stemmen.

DAGELIJKS BESTUUR Nu is het ook weer niet zo dat stemgewicht in het algemeen bestuur de machtsverhouding in het bestuur van de GGD bepaalt. Het algemeen bestuur van de GGD Regio Utrecht vergadert namelijk niet wekelijks, het hoeft dat maar twee keer per jaar te doen. Daarom is er ook nog een voorzitter en een dagelijks bestuur. Zes dagelijkse bestuurders worden uit en door het algemeen bestuur gekozen; dat zijn dus ook wethouder. Dat gebeurt met een gewone meerderheid van stemmen. Het resultaat moet wel zijn dat er een geografische spreiding is van die dagelijkse bestuurders. Elke dagelijkse bestuurder heeft één stem.

VOORZITTER En de zevende dagelijkse bestuurder, de voorzitter, is altijd de Utrechtse wethouder!

DIRECTEUR Die voorzitter moet worden onderscheiden van de directeur publieke gezondheid. De directeur heeft de leiding over de gezondheidsdienst en is secretaris in de besturen. Hij is geen wethouder. Hij wordt weliswaar door het algemeen bestuur benoemd, maar – en dat is tevens een wettelijke eis – wel altijd in overeenstemming met het bestuur van de Utrechtse veiligheidsregio. Dat bestuur bestaat alleen uit de burgemeesters.

(Mr. Leon)

Avondklok

DONDERDAG 4 FEBRUARI 2021 Sinds anderhalve week geldt er in ons land een nieuwe coronamaatregel: de avondklok. De maatregel houdt in dat het verboden is om tussen negen uur ‘s avonds en half vijf ‘s ochtends in de open lucht te vertoeven (behalve in de eigen tuin). Hij geldt in elk geval tot volgende week, maar waarschijnlijk nog langer. Is de avondklok vanuit het staatsrecht gezien hetzelfde als al die andere coronamaatregelen?

DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID heeft de avondklok ingevoerd. Hij heeft dat gedaan door middel van een ministeriële regeling. Die regeling heet officieel Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19.

ALLERLEI GRONDRECHTEN worden door de avondklok beperkt. Zoals de vrijheid om te staan en te gaan waar men wil oftewel de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10 Grondwet). Zoals de vrijheid van vergadering en betoging (artikel 9 Grondwet). Zoals de godsdienstvrijheid (artikel 6 Grondwet). Nu is het niet zo dat een beperking van grondrechten altijd betekent dat die grondrechten ook geschonden zijn: beperking van grondrechten is namelijk tot op zekere hoogte geoorloofd. Wel is het zo dat elke maatregel waardoor een of meer grondrechten beperkt worden een maatregel is die voor de burgers belastend is.

BELASTEND is de avondklok dus zonder meer. Het openbaar bestuur – en dus ook de minister van Justitie en Veiligheid – mag een belastende maatregel alleen opleggen als hij hiertoe wettelijk bevoegd is. De wetgever moet hem die bevoegdheid hebben gegeven. Waarom is dat nodig? Omdat de rechtsstaat dit eist. Zonder wetmatigheid van bestuur zou Nederland geen rechtsstaat zijn. Is er een wet die de minister bevoegd maakt om een avondklok in te stellen?

NIET GEWOON Die is er, maar dat is geen gewone wet. Het is geen wet waarin gewone bevoegdheden worden gegeven die gelden in ‘gewone’ omstandigheden. Een gewone wet in coronatijden is bijvoorbeeld de Tijdelijke coronawet die sinds december vorig jaar geldt en op grond waarvan bijvoorbeeld de mondkapjesplicht is ingevoerd. De avondklok staat daar niet in. De wet waarin staat dat de minister de avondklok mag invoeren staat in een noodwet. Een noodwet is een wet die alleen in buitengewone omstandigheden geldt. De avondklok staat in de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag. Invoering van de avondklok is dus een buitengewone bevoegdheid. Staatsrechtelijk is een avondklok dus niet hetzelfde als de andere coronamaatregelen!

NOODTOESTAND Invoering van de avondklok is in deze wet in de eerste plaats bedoeld voor als er een noodtoestand is afgekondigd. Afkondiging van een noodtoestand oftewel uitzonderingstoestand gebeurt als de uitwendige of inwendige veiligheid van het land in geding is. De inwendige veiligheid is in geding bij een aanslag, oproer, opstand of burgeroorlog. De uitwendige veiligheid bij een oorlog of oorlogsverklaring, bezetting of belegering. Dat zijn toch andere buitengewone omstandigheden dan die waarin wij nu leven. Ook al is de corona epidemie een aanslag op de volksgezondheid en voelt het virus als een bezetting.

GEEN NOODTOESTAND? Er is dan ook geen noodtoestand afgekondigd. En toch is de invoering van de avondklok geldig. Waarom? Omdat van sommige buitengewone bevoegdheden in de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag gebruik kan worden gemaakt zonder dat er een noodtoestand is afgekondigd. Dit wordt in de officiële toelichting op die wet separate toepassing genoemd. De avondklok is zo’n buitengewone bevoegdheid die separaat kan worden toegepast. Separate toepassing of niet: elke toepassing van een buitengewone bevoegdheid is staatsnoodrecht. Bovendien: elke buitengewone bevoegdheid is door de wetgever primair bedoeld voor een noodtoestand.

PREMIER De minister van Justitie en Veiligheid mag een avondklok natuurlijk niet zomaar invoeren. Daaraan worden in de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag strikte voorwaarden gesteld. Ten eerste heeft hij toestemming nodig van de minister-president. Die toestemming is officieel gegeven op 22 januari jl. Ten tweede moeten beide bewindslieden van oordeel zijn dat een avondklok ‘met het oog op de handhaving van de openbare orde en veiligheid geboden is’. Wat zegt de premier zelf over zijn oordeel? Als we daarvoor de officiële toelichting op zijn toestemming lezen, dan verwijst hij eigenlijk alleen naar het advies van het OMT.

PARLEMENT Ten derde moet de regering ‘onverwijld’ een wetsvoorstel indienen bij het parlement omtrent het voortduren van de bevoegdheid om een avondklok in te voeren. Als Tweede of Eerste Kamer die bevoegdheid niet willen laten voortduren – doordat ze het wetsvoorstel verwerpen – moet de bevoegdheid om een avondklok in te voeren ‘onverwijld buiten werking worden gesteld’, en dus ook de avondklok. Er zijn inmiddels twee weken verstreken, maar ik heb het wetsvoorstel niet gevonden. Wel heeft de Tweede Kamer een dag vóór invoering van de bevoegdheid hierover met de premier gedebatteerd. Dat was op 21 januari. Hieruit bleek dat invoering van de avondklok op voldoende steun in de Tweede Kamer kan rekenen. Staatsrechtelijk was dit debat echter niet nodig; dat hoefde pas na zijn besluit. Staatsrechtelijk was het echter ook niet genoeg: zowel Tweede als Eerste Kamer moeten een wetsvoorstel kunnen behandelen omtrent het voortduren van de bevoegdheid om een avondklok in te voeren. Geen van beide heeft dat gedaan, als ik mij niet vergis.

(Mr. Leon)

De demonstratie tegen de coronamaatregelen van 17 januari in Amsterdam

DINSDAG 26 JANUARI 2021 Op het Museumplein in Amsterdam is vorige week zondag 17 januari gedemonstreerd tegen de coronamaatregelen van de overheid. Daartegen heeft de politie (ME) opgetreden, met volgens de Volkskrant de inzet van honden, politie te paard, waterkanon en het uitdelen van klappen. Is hier de demonstratievrijheid geschonden?

MENSENRECHT Demonstreren oftewel betogen is een recht dat in de Grondwet staat, namelijk in artikel 9. Het is dus een mensenrecht en een grondrecht.

WET OPENBARE MANIFESTATIES Dit grondrecht is in de wet uitgewerkt, namelijk in de Wet openbare manifestaties. Demonstreren is niet de enige (openbare) manifestatie die in deze wet is geregeld: dat is bijvoorbeeld ook het geval met het houden van een kerkdienst in de buitenlucht.

GEMEENTERAAD Bij demonstraties geeft deze wet het gemeentebestuur een belangrijke rol. Zo regelt de gemeenteraad in welke gevallen iemand die een demonstratie wil organiseren de gemeente daarvan vooraf moet informeren. Dat moet gebeuren door middel van een schriftelijke kennisgeving. Er is dus geen vergunning nodig voor het houden van een demonstratie.

DE AMSTERDAMSE GEMEENTERAAD eist in haar Algemene Plaatselijke Verordening dat in alle gevallen een voorafgaande schriftelijke kennisgeving nodig is. Die moet minstens 24 uur van te voren worden gegeven aan de burgemeester. Daarin moet o.a. staan wat de datum, begin- en eindtijd, begin- en eindplaats en het verwachte aantal deelnemers is.

NEDERLAND IN VERZET’ heeft op 26 november vorig jaar de burgemeester van Amsterdam schriftelijk kennis gegeven dat ze op zondag 17 januari tussen twee en vier uur in de middag een demonstratie wilde organiseren op het Museumplein en hierbij tweeduizend demonstranten verwacht. Aan de verplichtingen uit de Amsterdamse raadverordening is voldaan.

Ook DE BURGEMEESTER heeft een wettelijke rol. De burgemeester mag een voorgenomen demonstratie verbieden, beperken of er voorschriften aan verbinden.

DE AMSTERDAMSE BURGEMEESTER verbiedt de demonstratie van Nederland in Verzet niet, maar beperkt haar wel. Die beperking is tweeërlei: in plaats van op het Museumplein wordt ze in het Westerpark gehouden en er mogen niet tweeduizend maar slechts vijfhonderd demonstranten komen.

WAAROM worden deze twee beperkingen opgelegd? Vanwege corona: bij tweeduizend deelnemers zijn de ‘mensbewegingen’ bij aankomst en na afloop onbeheersbaar, en op het Museumplein is het praktisch onmogelijk om het maximumaantal deelnemers tot vijfhonderd te beperken.

Pas OP 13 JANUARI deelt de burgemeester dit besluit mee, vier dagen voor de demonstratie (en zes weken na de schriftelijke kennisgeving). Volgens de organisator had dat veel eerder gekund en is de tijd nu te kort om de demonstranten naar het Westerpark te laten komen. Hij stapt dan ook naar de rechter, dat is de Amsterdamse rechtbank.

DE RECHTBANK doet op vrijdag 15 januari uitspraak, twee dagen voor de demonstratie. Rechters toetsen overheidsbesluiten. Hoever die toetsing gaat, hangt o.a. af van het besluit in kwestie. Hier kan de rechter slechts toetsen of de burgemeester een redelijk besluit heeft genomen. Met anderen woorden: of het redelijk is dat de burgemeester de demonstratie vanwege de mensbewegingen bij aankomst en na afloop wil beperken tot vijfhonderd demonstranten, en de demonstratie (daarom) niet op het Museumplein mag worden gehouden maar in het Westerpark. De rechtbank vindt dat inderdaad redelijk. Organisator Nederland in Verzet heeft haar rechtszaak verloren, al is de rechter het met organisator eens dat de burgemeester deze beperkingen eerder hadden kunnen communiceren.

WATERKANON De organisator zegt daarna de demonstratie af (website van de gemeente Amsterdam). Zo beschouwd hebben de demonstranten op 17 januari op het Museumplein deelgenomen aan een demonstratie waarvoor de vereiste kennisgeving niet is gedaan. Dan mag een burgemeester de demonstranten opdracht geven hun demonstratie meteen te beëindigen en uiteen te gaan. Of dat gepaard mag gaan met de inzet van (politie)honden, bereden politie, waterkanon en het uitdelen van (politie)klappen is een andere vraag.

(Mr. Leon)

De Amerikaanse vicepresident in de Senaat

MAANDAG 18 JANUARI 2021 Opvolging van de president van de Verenigde Staten bij zijn overlijden, aftreding of afzetting (impeachment!) is niet de enige staatsrechtelijke bevoegdheid van de vicepresident. De vicepresident kan volgens de Amerikaanse grondwet ook een belangrijke rol spelen in de Senaat. Het ziet ernaar uit dat Kamala Harris die rol gaat krijgen. Wat is er aan de hand?

KAMALA HARRIS wordt de nieuwe Democratische vicepresident van de VS, naast Joe Biden als president. Ze wordt de eerste Madam Vice President. Mike Pence is nog enkele dagen de huidige Republikeinse Mr. Vice President, naast president Donald Trump. De vicepresident is altijd van dezelfde politieke partij als de president.

U.S. SENATE De Senaat vormt samen met het Huis van Afgevaardigden (House of Representatives) het Amerikaanse parlement (U.S. Congress). Alleen het parlement kan wetten maken. Ook de overheidsbegroting wordt per wet vastgesteld. Zowel Senaat als Huis moeten dan het wetsvoorstel (bill) aannemen. Dat gebeurt met een gewone meerderheid van de aanwezige volksvertegenwoordigers. De Senaat bestaat uit honderd senatoren, als alle zetels vervuld zijn. De bevolking van elke deelstaat kiest twee senatoren, of het nou een grote deelstaat is zoals Californië of kleine zoals Maine. Elke senator heeft één stem. Voor een gewone meerderheid is de yeah-stem van 51 senatoren nodig, als alle zetels zijn vervuld én alle senatoren aanwezig zijn.

SENATOR Een senator wordt voor zes jaar gekozen. Maar het is niet zo dat er om de zes jaar verkiezingen zijn. Verkiezingen zijn er elke twee jaar. Dan wordt een derde van de Senaat vernieuwd. Na de voorlaatste verkiezingen van eind 2018 bestond de Senaat uit 47 Democraten en 53 Republikeinen. Na de laatste verkiezingen van eind 2020 zal de Senaat bestaan uit vijftig Democraten en vijftig Republikeinen. De eerstvolgende verkiezingen worden eind 2022 gehouden. In de komende twee jaar is de verdeling van Republikeinse en Democratische senatoren dus fifty-fifty.

VICE PRESIDENT De vicepresident is volgens de Amerikaanse Grondwet ook voorzitter van de Senaat. In de praktijk wordt de voorzittershamer meestal door een ander vervuld (een gekozen senator). De vicepresident heeft geen stemrecht in de Senaat, tenzij de Senaat – in de woorden van de Amerikaanse grondwet – ‘’equally divided’’ is. Dat wil zeggen: bij het staken der stemmen. Met andere woorden: als er bij de stemming over een wetsvoorstel net zoveel ‘yeas’ als ‘nays’ worden geteld. Dat zal zich vaak voordoen als Republikeinen en Democraten ieder precies de helft van het aantal zetels bezetten, zoals in de komende twee jaar het geval zal zijn. Kamala Harris heeft dan de doorslaggevende stem. Zij mag zelf bepalen hoe ze stemt, maar het is aannemelijk dat ze steeds de Democraten aan een meerderheid zal helpen.

MIKE PENCE VERSUS JOE BIDEN Maar de doorslaggevende stem van de vicepresident is dus niet beperkt tot een Senaat waar Democraten en Republikeinen elk precies vijftig zetels hebben. Het gaat er maar om dat de uitgebrachte stemmen staken, al is het weer wel zo dat volgens het reglement van orde van de Senaat elke senator in principe moet stemmen. Zo heeft Mike Pence minstens acht keer zijn stem uitgebracht in de Senaat, hoewel de Republikeinen de meerderheid van de Senaatszetels in handen hadden in de afgelopen jaren. Een vicepresident is niet verplicht om zijn stem uit te brengen. Joe Biden heeft als vicepresident onder Obama nimmer gestemd.

DE NEDERLANDSE SENAAT – onze Eerste Kamer – bestaat uit 75 leden, als ie compleet is. De Kamer wordt om de vier jaar helemaal vernieuwd, vooralsnog. Dit is een oneven aantal en dus is het onmogelijk dat twee partijen ieder de helft van het aantal zetels bezetten. In de praktijk zijn de zetels trouwens altijd over (beduidend) meer dan twee partijen verdeeld. Momenteel zijn er vijftien partijen vertegenwoordigd. De grootste partij – de VVD – heeft twaalf zetels. Bij het staken der stemmen – niet alle senatoren hoeven hun stem uit te brengen, voldoende is dat 38 van hen dat doen – volgt eerst uitstel tot een volgende vergadering en – als de stemmen dan weer staken – wordt het voorstel volgens het Reglement van Orde geacht te zijn verworpen. Een Nederlandse vicepremier heeft nooit stemrecht in de Eerste Kamer of in de Tweede Kamer. In het huidige (demissionaire) kabinet is er trouwens niet één vicepremier maar zijn er drie: Hugo de Jonge, Kajsa Ollongren en Carola Schouten. Van elke coalitiepartij een, terwijl de VVD de premier levert.

(Mr. Leon)

Toeslagaffaire en de wetgever

VRIJDAG 8 JANUARI 2021 Conform haar opdracht heeft de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag kort voor kerstmis haar eindrapport uitgebracht. Acht Kamerleden hebben deze (kortlopende) parlementaire enquête in opdracht van de Tweede Kamer uitgevoerd. Het rapport heeft (veel) kritiek op wat ministers en staatssecretarissen, rechters en ambtenaren (zoals de Belastingdienst) ten onrechte hebben gedaan of nagelaten. De titel van het rapport – Ongekend onrecht – laat over haar conclusies geen misverstand bestaan. In het rapport wordt ook veel kritiek geuit op de wetgever, en daarover gaat dit blog.

WETGEVER In Nederland wordt een wet gemaakt door regering en parlement samen. Parlement oftewel Staten-Generaal bestaat uit Tweede Kamer en Eerste Kamer.

KINDEROPVANGTOESLAG De kritiek gaat over de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Die toeslag is een financiële bijdrage van de overheid. Hoe groot die bijdrage is, hangt o.a. af van het inkomen en het aantal uren dat (werkende) ouders voor hun kind opvang hebben. Hoe lager het inkomen, hoe hoger de toeslag. Voor lage inkomens kan hij oplopen tot meer dan 8 euro per uur per kind. Op jaarbasis kan het dus om grote bedragen gaan, helemaal als het om meer dan één kind gaat. Terugvordering kan betrekking hebben op een heel jaar of zelfs op meerdere jaren. Dat heeft veel ouders in de afgelopen in grote problemen gebracht, en niet alleen in financiële zin.

BELASTEND BESLUIT Aan elke terugvordering ligt een apart besluit ten grondslag. Voor de ouders die toeslag moeten terugbetalen, is dat altijd een besluit waaraan voor hen alleen maar nadelen zijn verbonden. Terugvordering is dan ook zonder meer een zogenaamd belastend besluit. De instantie die tot terugvordering besluit is de Belastingdienst.

EVENREDIGHEIDSBEGINSEL In het algemeen geldt voor belastende besluiten dat de nadelen ervan in verhouding moeten staan tot de doelen die met het besluit worden gediend. Dat is het evenredigheidsbeginsel. Bij terugvordering kan dit betekenen dat niet het hele bedrag mag worden teruggevorderd, maar slechts een deel ervan. De schuld wordt dan met andere woorden gematigd. Bij elke terugvordering moet worden beoordeeld of er sprake is van evenredigheid of onevenredigheid.

ALGEMENE WET BESTUURSRECHT Het evenredigheidsbeginsel is een beginsel van behoorlijk bestuur. Het is ook opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht (in artikel 4 van hoofdstuk 3). Het geldt voor alle belastende besluiten, ongeacht op grond van welke wet zo’n besluit wordt genomen. Het geldt, tenzij de wet op grond waarvan dat besluit wordt genomen dit evenredigheidsbeginsel opzij zet.

AWIR Het besluit om kinderopvangtoeslag terug te vorderen, wordt genomen op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (afgekort tot AWIR). Kinderopvangtoeslag is een inkomensafhankelijke regeling. In artikel 26 van deze wet is de terugvordering geregeld. Daarin staat dat de schuldenaar het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd is. Met andere woorden: het evenredigheidsbeginsel wordt hierin opzij gezet.

GEBONDEN BESLUIT De wetgever heeft dat bewust gedaan: bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel in 2004 en 2005 is er bewust voor gekozen om matiging uit te sluiten. De Belastingdienst mocht de terug te vorderen schuld niet kunnen matigen, ook niet in onvoorziene en schrijnende gevallen. De Belastingdienst kreeg geen ruimte om een eigen afweging te maken in dit soort gevallen en de terugvordering te matigen. Altijd moest alles worden teruggevorderd. Waarom? Omdat de dienst vanwege de grote hoeveelheid uit te keren toeslagen als een machine moest kunnen werken en het kunnen maken van uitzonderingen dan alleen maar zou zorgen voor zand in de raderen. Terugvordering moest met andere woorden een zogenaamd gebonden besluit worden.

AWIR NIEUW Inmiddels – precies één week geleden! – is toch evenredigheid aan artikel 26 van de AWIR toegevoegd. In de officiële toelichting staat hierover dat o.a. van onevenredigheid sprake zal zijn als de kinderopvangorganisatie heeft gefraudeerd zonder medeweten en betrokkenheid van de ouders. Maar er staat ook dat in het algemeen geen sprake zal zijn van onevenredigheid als vanwege de financiële situatie of financiële problemen van de ouders terugbetaling wordt verhinderd. Volgens de officiële toelichting is dit een uitwerking van het evenredigheidsbeginsel uit de Algemene wet bestuursrecht.

(Mr. Leon)

Brievenbus

DINSDAG 22 DECEMBER 2020 Het is december en dat is een zeer drukke maand voor post: pakketjes, kerstkaartjes en nieuwjaarskaartjes. Dit jaar is het extra druk. Vanwege corona en de strenge lockdown die vorige week inging. Al die post moet uiteindelijk bij de bedrijven en de mensen thuis worden bezorgd, en wel via hun brievenbussen. Worden er eigenlijk eisen gesteld aan een brievenbus?

BRIEVENBUS Een brievenbus is hier niet alleen een kastje met een opening (gleuf) waardoor brieven, briefkaarten, tijdschriften, pakketjes en andere poststukken bezorgd kunnen worden: de brievenbus in enge zin. De meeste woningen hebben namelijk niet zo’n brievenbus. In plaats daarvan hebben ze een gleuf in de voordeur; na inwerpen valt de post op de vloer van het halletje achter de voordeur.

POSTWET Poststukken moeten door PostNL – het landelijke postvervoerbedrijf – op minstens vijf dagen per week bezorgd worden. Deze verplichting staat in de Postwet 2009. Dit is een parlementaire wet. Zo’n wet wordt ook wel wet in formele zin genoemd, want regering en parlement hebben hem gezamenlijk vastgesteld. Post kan praktisch alleen bezorgd worden bij een geadresseerde die over een geschikte brievenbus beschikt. Anders zou de postbode steeds moeten aanbellen – Always Twice! – en dat kost te veel extra tijd en dus geld. De wettelijke bezorgplicht geldt daardoor alleen bij geadresseerden die over een geschikte brievenbus beschikken. Bij ontbreken daarvan mag de post op grond van artikel 20 als onbestelbaar worden aangemerkt.

POSTREGELING Wat is een geschikte brievenbus? Hierover staat in de officiële toelichting op de Postwet 2009 o.a. dat de postbezorger makkelijk bij de brievenbus moet kunnen komen, dat de brievenbus dus bijvoorbeeld niet te hoog of te laag mag zitten. Hoe hoog dat dan moet zijn, staat weer niet in de Postwet 2009. Dat staat in een ministeriële regeling. Een ministeriële regeling is een regeling van een minister of staatssecretaris. Een ministeriële regeling mag niet in strijd zijn met een parlementaire wet. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft geregeld dat een brievenbus geschikt is als de gleuf op een hoogte zit van 1 meter en 10 cm. Dit is de Postregeling 2009.

OMVANG GLEUF In die Postregeling 2009 worden ook eisen gesteld aan de breedte en de lengte van de gleuf: minstens 3,2 cm breed en 26,5 cm lang. In de officiële toelichting op de Postwet 2009 staat hierover alleen dat een gleuf niet te klein mag zijn.

RUIMTE ACHTER GLEUF Verder moet er voldoende ruimte achter de gleuf zijn om de ingeworpen poststukken te bewaren: minstens 27 x 15 x 38 cm. Als het een gleuf in een voordeur is en de post na inwerpen op de vloer van het halletje valt, dan is zonder meer aan deze eis voldaan. Brievenbussen in enge zin kunnen vol raken; bij een te kleine is dat al vrij snel het geval.

PAKJE EN PAKKET Er zijn veel poststukken die te groot zijn voor zulke gleuven of voor de ruimte achter die gleuven. Dat wil niet zeggen dat ze automatisch als onbestelbaar mogen worden aangemerkt. Dat is alleen het geval als daarvoor slechts het gewone posttarief is betaald. Voor zogenaamde brievenbuspakjes wordt het gewone posttarief voor pakjes betaald. Zoals deze naam al duidelijk maakt, is het de bedoeling dat zulke pakjes door een (geschikte) brievenbus kunnen gaan. De grotere ‘’pakketten’’ mogen niet als onbestelbaar worden aangemerkt als daarvoor het hogere posttarief is betaald. Voor dat extra tarief wordt dan aangebeld.

SCHERP Ten slotte wordt hier nog vermeld dat een brievenbus geen scherpe kantjes of randjes mag hebben of door andere oorzaken de postbode kan verwonden.

POSTNL is geen overheid. Het is een Naamloze Vennootschap (NV), met als organen o.a. een raad van bestuur, een raad van commissarissen en een aandeelhoudersvergadering. Het Staatsbedrijf der PTT is verleden tijd. Hoewel dat nog niet zo heel lang geleden is (jaren tachtig van de vorige eeuw). Tot begin jaren negentig waren alle aandelen trouwens nog in handen van de overheid, maar ook dat is verleden tijd. Bovendien zijn de aandelen nu op de beurs verhandelbaar.

(Mr. Leon)

Gerechtshof Den Haag over bestrijdingsmiddelen

DONDERDAG 10 DECEMBER 2020 De rechter heeft twee weken geleden – op 24 november – een belangrijke uitspraak gedaan over het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen door (bijvoorbeeld) gemeenten. Onkruid op stoep en straat kan worden bestreden met pesticiden, zoals herbiciden en fungiciden. Sinds 2016 heeft de regering het gemeentelijk gebruik van bestrijdingsmiddelen verboden. Wat houdt de rechterlijke uitspraak in? En vanwaar deze uitspraak?

BESLUIT WGB Maar eerst: wat is de precieze inhoud van het verbod van de regering uit 2016 en waar is het te vinden? Het is te vinden in artikel 27b van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden, het Besluit WGB. Daarin staat dat het professioneel gebruik van (chemische) bestrijdingsmiddelen buiten de land- en tuinbouw verboden is, uitzonderingen daargelaten. Professioneel gebruik is beroepsmatig of bedrijfsmatig gebruik. Particulier gebruik valt dus niet onder het verbod. Evenmin valt er gebruik in land- en tuinbouw (gewasbeschermingsmiddelen) onder. Maar wat er bijvoorbeeld wél onder valt is – zoals de Volkskrant schrijft – het spuiten van landbouwgif door gemeenten om onkruid op wegen en stoepen aan te pakken.

HOGER BEROEP De rechter die de uitspraak deed was het Gerechtshof Den Haag. Bijna twee jaar eerder deed ook een andere Haagse rechter uitspraak in deze zaak. Dat was de rechtbank. Het hof oordeelde in hoger beroep over de uitspraak van de rechtbank. Het oordeel was een vernietiging van dit vonnis. In beide rechtszaken was de (Nederlandse) Staat partij, verweerder bij de rechtbank en eiser bij het hof.

RECHTSSTAAT! Beide uitspraken gaan in wezen over de rechtsstaat. Tenminste over één van de elementen waaraan een rechtsstaat moet voldoen. Een rechtsstaat moet namelijk voldoen aan verschillende elementen, zoals dat er scheiding is van overheidsmachten, dat er onafhankelijke rechtspraak is en dat het legaliteitsbeginsel wordt nageleefd. Over dat laatste element gaan deze uitspraken. Volgens het legaliteitsbeginsel mag de regering iets alleen verbieden als ze daartoe bevoegd is en moet die bevoegdheid duidelijk in de wet staan. Daarom mocht de regering het professioneel gebruik van (chemische) bestrijdingsmiddelen buiten de land- en tuinbouw alleen verbieden als ze daartoe bevoegd was en die bevoegdheid in een wet staat.

WET? Staat die bevoegdheid in een wet? Een wet is hier in elk geval een parlementaire wet. Dat is een wet die door regering en parlement gezamenlijk is vastgesteld. Wet in formele zin is daarvoor de officiële benaming. Het Besluit WGB is geen wet in formele zin! De enige parlementaire wet die daarvoor geschikt zou kunnen zijn is de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, de WGB. Daarin zou dan dus die bevoegdheid moeten staan. Maar dat is volgens zowel hof als rechtbank niet het geval. De bevoegdheid staat volgens beide rechters met name niet in de artikelen 78 en 80a van deze wet.

EUROPEES RECHT? Dus is bedoeld verbod volgens het hof niet verbindend. Wat onverbindend is, is niet geldig. Artikel 27b van het Besluit WGB geldt dus niet. Desondanks was volgens de rechtbank dit artikel toch verbindend, en dus gewoon wél geldig. Hoe kan dit? Dat kan omdat een parlementaire wet niet de enige plek is waar een bevoegdheid in kan staan. Een bevoegdheid kan bijvoorbeeld ook in Europees recht staan. En volgens de rechtbank staat de bevoegdheid van de regering om het professioneel gebruik van (chemische) bestrijdingsmiddelen buiten de land- en tuinbouw te verbieden inderdaad in het Europees recht. Maar het hof is het met dat laatste niet eens: die bevoegdheid staat er volgens haar niet in. En een hof uitspraak gaat boven een rechtbank uitspraak.

EN NU? De natuur zal teleurgesteld zijn over de uitkomst: Spring could become more Silent! De uitspraak is echter een mooie illustratie van rechtsstaat Nederland. Niet alleen van het legaliteitsbeginsel, maar ook van de onafhankelijke rechtspraak. Wat kan de regering nu doen? Ze kan bij de Tweede Kamer een voorstel indienen om de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden te veranderen/te verbeteren opdat in die wet voortaan wel de bevoegdheid staat voor een verbod. Met andere woorden: ervoor zorgen dat artikel 27b van het Besluit WGB verbindend wordt. Zonder parlementaire medewerking kan de regering een wet echter niet veranderen (machtenscheiding!). Uiteraard zou zo’n verbeterde wet artikel 27b alleen voor de toekomst verbindend en geldig maken. Als de regering dat ook voor het verleden wil realiseren, dan zal ze moeten verder procederen, bij de Hoge Raad, opdat de uitspraak van het hof kan worden teruggedraaid.

(Mr. Leon)

Regels voor regionale omroepen

DINSDAG 1 DECEMBER 2020 Naast landelijke omroepen zoals AVROTROS, VPRO, Veronica en MAX zijn er ook regionale omroepen. Aan welke regels moeten de regionale omroepen zich houden?

MEDIAWET 2008 Regionale omroepen kunnen net als landelijke omroepen publiek of commercieel zijn. Er zijn geen commerciële; er zijn wel publieke. Elke provincie heeft er een. Voor hun financiering zijn ze gedeeltelijk aangewezen op advertenties en sponsoren. De Rijksoverheid springt financieel bij. Ze moeten zich aan verplichtingen houden die o.a. in de Mediawet 2008 staan. Zo’n regionale omroep mag bijvoorbeeld niet worden opgestart zonder aanwijzing van het Commissariaat voor de Media. In een provincie mag hooguit één omroep actief zijn; alleen voor Zuid-Holland mogen dat er twee zijn. Er zijn er in het hele land dertien aangewezen, waaronder Omroep Gelderland, Omroep Brabant, RTV Drenthe en Omroep West. Omroep West is een van de twee Zuid-Hollandse omroepen. Het Commissariaat voor de Media is een zelfstandig bestuursorgaan, net als dat bijvoorbeeld uitkeringsinstantie UWV is. Haar commissarissen zijn benoemd door de minister voor Media. Dat is sinds 2017 Arie Slobs.

ONAFHANKELIJK Elk van de dertien omroepen gaat onafhankelijk te werk. Een omroep moet daarom een redactiestatuut hebben waarmee de redactionele onafhankelijkheid t.o.v. bijvoorbeeld adverteerders en sponsors wordt gewaarborgd. De journalisten die bij de omroep werken moeten bij het opstellen van dit statuut zijn betrokken. Ook moet voor alle journalisten die bij de dertien regionale omroepen werken één cao worden afgesloten. Aan werkgeverszijde mag die cao alleen worden ondertekend door een landelijke stichting, die dit doet namens de dertien regionale omroepen. Het bestuur van die landelijke stichting is benoemd door de minister voor Media. Onlangs is een nieuwe cao afgesloten; dat is trouwens dezelfde cao die ook geldt voor de journalisten die bij landelijke publieke omroepen werken.

MEDIARAAD Voor een aanwijzing van het Commissariaat moet elke regionale omroep beschikken over een eigen zogenaamde regionale mediaraad. Deze mediaraad heeft o.a. als taak om het beleid voor het media-aanbod van de omroep te bepalen. De wet eist dat de mediaraad representatief is samengesteld: de belangrijkste maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen uit de provincie moeten erin vertegenwoordigd zijn. Provinciale Staten geven hierover advies.

STROMINGEN Bij Omroep Gelderland, Omroep West, RTV Drenthe en Omroep Brabant bestaan de regionale mediaraden uit ongeveer tien mensen. Bij alle vier zijn er vertegenwoordigers voor de ‘’stromingen’’ sport en cultuur. Wat de godsdienstige en geestelijke stromingen betreft, heeft Gelderland een vertegenwoordiger voor levensbeschouwing, West en Drenthe voor kerkgenootschappen en andere genootschappen/organisaties op geestelijke grondslag, terwijl de vertegenwoordiger in Omroep Brabant er alleen is voor kerkgenootschappen.

WERKGEVERS EN WERKNEMERS De stromingen natuur, werkgevers, werknemers, recreatie, welzijn en minderheden zijn meestal vertegenwoordigd. Meestal hebben zij geen eigen vertegenwoordiger, maar moeten zij met een andere stroming dezelfde vertegenwoordiger delen. Soms kan dat goed samengaan, zoals kunst en cultuur (West) en onderwijs en educatie (Brabant). Maar soms ligt dat minder voor de hand, zoals werkgevers en werknemers (Drenthe). Bij Omroep Brabant en Omroep Gelderland zijn ook jongeren en ouderen vertegenwoordigd, elk met een eigen vertegenwoordiger. RTV Drenthe is de enige bij wie ook de kleine dorpen zijn vertegenwoordigd.

GEHANDICAPTEN Wat opvalt is dat gehandicapten bij geen enkele omroep zijn vertegenwoordigd. Dat lijkt me een gemis, nog even los van de vraag wat het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap hiervan vindt. Overigens zijn gehandicapten volgens de Handleiding van het Commissariaat voor de Media over het algemeen juist wél vertegenwoordigd bij regionale omroepen.

PROVINCIALE POLITIEK Elke omroep bepaalt zelf vorm en inhoud van haar aanbod op de radio, televisie en het internet. Zolang minstens de helft van informatieve, culturele en educatieve aard is én in het bijzonder betrekking heeft op de eigen provincie. Wat de berichtgeving over politiek betreft, wordt in de jaarverslagen over 2019 expliciet de lokale en de regionale politiek genoemd. Dat is een goede zaak. Maar de provinciale politiek wordt niet genoemd, terwijl er vorig jaar zelfs provinciale verkiezingen waren. Ook provinciale politiek kan niet zonder goede politieke verslaglegging! Hopelijk is het zo dat de omroepen er los van hun jaarverslagen toch genoeg aandacht aan besteden. In het jaarverslag van RTV Drenthe worden de provinciale verkiezingen trouwens wel genoemd.

(Mr. Leon)

Verkiezingsprogramma’s over democratie, rechtsstaat en overheid

DONDERDAG 19 NOVEMBER 2020 De meeste politieke partijen die in de Tweede Kamer zijn vertegenwoordigd hebben hun (concept) verkiezingsprogramma’s gepubliceerd voor de Tweede Kamerverkiezingen van maart volgend jaar. Wat staat er zoal in over democratie, rechtsstaat en overheid?

GRONDWET De SGP wil een preambule bij de Grondwet waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar de christelijke waarden. De SP wil de onderwijsvrijheid gaan beperken zodat een beroep erop nooit in strijd met het gelijkheidsbeginsel kan komen. De SGP wil een opwaardering van de godsdienstvrijheid zodat dit grondrecht ook in de praktijk niet meer ondergeschikt is aan het gelijkheidsbeginsel. Verder wil de SGP dat in de Grondwet het recht op leven voor het ongeboren kind wordt erkend. Tenslotte wil de Partij voor de Dieren (PvdD) dat de rechten van dieren in de Grondwet worden erkend en vastgelegd.

WETGEVENDE MACHT: KIESRECHT D66, GroenLinks, PvdA en PvdD willen kiesrecht voor 16- en 17-jarigen. CDA wil een regionaal kiesstelsel, SGP wil wel meer aandacht voor regionale kandidaten maar wil geen regionaal kiesstelsel. PvdA en D66 willen meer gewicht voor voorkeurstemmen. 50+ wil een kiesdrempel van 3%. SGP wil de mogelijkheid van een lijstverbinding.

WETGEVENDE MACHT: REFERENDA D66, GroenLinks en PvdA willen een (juridisch) bindend correctief referendum om nieuwe wetten tegen te kunnen houden. 50+ wil dat evenals PvdD alleen voor verstrekkende wetten. PvdD geeft daarbij als voorbeeld vrijhandelsverdragen van de Europese Unie. VVD en SGP willen uitdrukkelijk geen referendum, bindend noch raadgevend. PvdA wil dat burgers ook een volksinitiatief kunnen nemen om een wet af te kunnen dwingen. D66 wil dat burgers een amendement kunnen indienen op een wetsvoorstel. De VVD wil wél een raadgevend preferendum (geen schrijffout) waarin burgers zich over een wetsvoorstel kunnen uitspreken dat in de Kamer wordt behandeld, maar de Kamer mag daaraan niet juridisch of politiek gebonden worden. CDA en GroenLinks willen burger(be)raden voor lastige en ingrijpende vraagstukken; de participerende burgers worden bij loting aangewezen. SGP wil alleen burgerfora voor de eigen leefomgeving.

WETGEVENDE MACHT: EERSTE KAMER D66 en GroenLinks willen de Eerste Kamer (op termijn) afschaffen.

UITVOERENDE MACHT: KONING D66 en PvdD willen dat de Koning geen deel meer is van de regering en de Raad van State, en dat hij geen politieke rol meer vervult in de kabinetsformatie. PvdD wil alleen nog een ceremonieel koningschap. GroenLinks en SP willen de monarchie helemaal afschaffen. SGP wil juist een grotere politieke rol voor de Koning bij de kabinetsformatie.

UITVOERENDE MACHT: MINISTERS D66 wil dat de premier/kabinetsformateur rechtstreeks door de kiezers wordt gekozen en dat de Tweede Kamer kandidaat-ministers gaat horen in een openbare vergadering. SGP wil geen rechtstreeks gekozen formateur.

UITVOERENDE MACHT: AMBTENAREN Het CDA wil tuchtrecht voor ambtenaren. De SP wil dat de top van een uitvoeringsorganisatie persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld voor ernstig falen van hun organisatie. D66 wil dat kandidaat-directeuren voor bestuursorganen in het openbaar worden gehoord door de Tweede Kamer.

UITVOERENDE MACHT: PVV Het CDA wil een Planbureau voor de Veiligheid. De VVD wil een toezichthouder op het gebruik van algoritmen, zowel door ondernemingen als door de overheid. Voor het gebruik van algoritmen door de overheid wil het CDA meer rechtsbescherming.

RECHTERLIJKE MACHT: TOETSINGSRECHT CDA, D66, GroenLinks en PvdA willen dat de rechter wetten aan de Grondwet mag gaan toetsen. Het grondwettelijk toetsingsverbod moet dan ook worden geschrapt. Daarentegen wil de VVD dat er ook een toetsingsverbod komt voor wetten aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Wetten die volgens de rechter strijdig zijn met dit EVRM zouden om die reden niet meer buiten toepassing mogen worden verklaard. In plaats daarvan zou de wetgever sterker moeten gaan toetsen aan het EVRM. Ook SGP wil een sterkere toetsing door de wetgever, maar dan aan de Grondwet.

RECHTERLIJKE MACHT: MILIEUORGANISATIES De PvdA wil proefprocessen door o.a. milieuorganisaties stimuleren. Daarentegen wil de VVD dat het milieuorganisaties wordt verboden om te procederen uit naam van het algemeen belang.

RECHTERLIJKE MACHT: ALTERNATIEVEN PvdA en D66 willen dat er meer alternatieven komen voor de rechtbanken, zoals een vrederechter, een buurtrechter en een spreekuurrechter.

GEMEENTE 50+ wil dat gemeenteraadsverkiezingen niet overal in het land op dezelfde dag worden gehouden, maar verspreid over het jaar op 26 dagen en in alfabetische volgorde. GroenLinks en PvdD willen meer geld voor onafhankelijke lokale en regionale journalistiek. De VVD wil tussentijdse raadsverkiezingen bij slecht functioneren van een gemeentebestuur. D66 wil kleine gemeenten kunnen dwingen om te fuseren. SGP wil alleen fusiedwang bij structurele financiële problemen. CDA wil nooit fusiedwang. Bovendien wil deze partij dat er verkiezingen worden gehouden, en dat zowel de oude als de nieuwe gemeenteraad de fusie willen. CDA en SGP willen dat de burgemeester benoemd blijft worden door de regering, de zogenaamde kroonbenoeming. D66 en 50+ willen dat juist niet.

PROVINCIE D66 wil op termijn de provincies afschaffen. SGP wil daarentegen juist een grotere rol voor de provincies.

VAN DE partijen die hierboven niet besproken zijn heb ik het nieuwe (concept) verkiezingsprogramma niet kunnen vinden, bijvoorbeeld omdat het er nog niet was.

(Mr. Leon)