Strafblad door verkeersboetes?

DONDERDAG 11 JUNI 2020 In de eerste vier maanden van dit jaar is in ons land ruim 2 miljoen keer te hard gereden, is ruim 66 duizend keer door rood licht gereden en is 44 duizend keer tijdens het rijden gebeld met de telefoon in de hand (handheld bellen). Dat zijn dan de geconstateerde overtredingen en waarvan zo’n anderhalve maand in coronatijd. Hebben al die overtreders daarmee een strafblad gekregen?

STRAFRECHT Wat in een strafblad komt te staan, is geregeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en in de regelingen die daarop gebaseerd zijn. Iemand kan alleen een strafblad krijgen, als op hem strafrecht of strafvordering wordt toegepast.

RVV Het verbod om harder te rijden dan de maximumsnelheid, om door rood licht te rijden en om tijdens het rijden handheld te bellen staan in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Die wet wordt meestal afgekort tot RVV. Bellen is hier niet alleen telefoneren, maar ook bezig zijn met tablet of mediaspeler. De maximumsnelheid en het handheld bellen staan in het hoofdstuk over verkeersregels; het rijden door rood licht in het hoofdstuk over verkeerstekens.

WVW 1994 Wie die verboden overtreedt, pleegt strafbare feiten. Het maakt niet uit of daardoor schade is ontstaan, zoals bij een botsing het geval is. In de Wegenverkeerswet 1994 staat dat de maximale straf waartoe de rechter iemand kan veroordelen die te hard rijdt, door rood licht rijdt of al rijdend handheld belt een gevangenisstraf is van twee jaar of een geldboete van ruim 20.000 euro. Als de rechter een overtreder daarvoor zou veroordelen, krijgt die persoon een strafblad. Ook al zou het maar een geldboete van enkele honderden euro’s zijn. 

WET MULDER Maar bij dit soort overtredingen komt het niet tot een rechterlijke veroordeling. In een andere wet is namelijk bepaald dat dit soort ‘’lichte’’ verkeersovertredingen met een administratieve sanctie worden afgedaan. Dat is bepaald in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Die administratieve sanctie komt in de plaats van de straf die de rechter volgens de Wegenverkeerswet 1994 kan opleggen. De sanctie is een verkeersboete van hooguit enkele honderden euro’s. In de RVV staat het precieze boetebedrag. Kortom: bij lange na geen 20.000 euro en geen gevangenisstraf. Bovendien: geen strafblad, want het opleggen van een administratieve sanctie betekent geen toepassing van strafrecht of strafvordering.

FLITSEN Wie legt de verkeersboete op? Dat kan een politieambtenaar zijn, maar meestal gaat dat geautomatiseerd: het begint met een foto door een flitspaal en het eindigt met een brief van het Centraal Justitieel Incassobureau aan de overtreder waarin staat dat en waarom hij een boete van x euro moet betalen.

BEROEP Wie het niet eens is met de opgelegde verkeersboete – hoe laag een boete ook is, niemand wil er een betalen die zijns inziens onterecht is – kan beroep aantekenen. Eerst bij het Openbaar Ministerie en van daaruit bij de kantonrechter. Wie met zijn beroep bakzeil haalt bij de kantonrechter, zal de boete toch echt moeten betalen. Deze rechtszaak is echter geen toepassing van strafrecht of strafvordering.

TENZIJ .. Wie niet alleen te hard rijdt maar zelfs veel te hard, krijgt weer wél een strafblad. Zonder dat er een rechter aan te pas komt. Wie veel te hard heeft gereden, krijgt namelijk een zogenaamde strafbeschikking. Een strafbeschikking betekent wél toepassing van strafrecht of strafvordering. Trouwens, net als de gewone verkeersboete wordt de strafbeschikking per brief van het Centraal Justitieel Incassobureau toegestuurd.

(Mr. Leon)

Mini-enquête over toeslagenaffaire

VRIJDAG 5 JUNI 2020 De Belastingdienst heeft in de afgelopen jaren ernstige fouten gemaakt bij de terugvordering van kinderopvangtoeslag. Daarbij zijn misschien zelfs strafbare feiten begaan, zoals knevelarij en discriminatie. Enkele weken geleden heeft het ministerie van Financiën daarvan aangifte gedaan (bij de politie). Afgelopen dinsdag heeft de Tweede Kamer unaniem een motie aangenomen waarin staat dat er een parlementaire ondervraging moet komen om zicht te krijgen op de politieke besluitvorming over het fraudebeleid voor de kinderopvangtoeslag. Daarbij zullen bewindslieden en betrokken topambtenaren gehoord worden. Wat is een parlementaire ondervraging?

ONDERZOEK Een parlementaire ondervraging is een parlementair onderzoek. Zowel Eerste Kamer als Tweede Kamer kunnen parlementair onderzoek doen, maar de Eerste Kamer heeft het in de afgelopen twee eeuwen slechts enkele keren gedaan. Het doen van onderzoek gaat verder dan het vragen van inlichtingen aan een minister. Een minister kan o.a. om inlichtingen worden gevraagd door het stellen van mondelinge of schriftelijke vragen en door interpellatie. Van het inlichtingenrecht wordt vaak gebruik gemaakt; het is in de Kamer dagelijkse kost. Het beginnen van een parlementair onderzoek is dat beslist niet. Er kunnen jaren voorbij gaan zonder dat er een nieuw onderzoek wordt gestart. Het is dan wél weer zo dat zo’n onderzoek veel langer duurt dan het vragen van inlichtingen. Voor een onderzoek kunnen o.a. getuigen, deskundigen, ambtenaren en ministers  worden gehoord. Er kunnen documenten en stukken worden opgevraagd en bestudeerd. Er kunnen werkbezoeken worden afgelegd. Een parlementair onderzoek duurt dan ook al gauw enkele maanden of zelfs jaren, terwijl het vragen van inlichtingen inclusief voorbereiding eerder een kwestie van uren zal zijn. Alle andere werkzaamheden van de Kamer gaan in de tussentijd gewoon door.

COMMISSIE De Tweede Kamer kan een buitenstaander opdracht geven om zo’n onderzoek uit te voeren, maar ze kan ook zelf zo’n onderzoek uitvoeren. Uit de motie van afgelopen dinsdag blijkt de duidelijke bedoeling om zelf onderzoek te willen doen. Dat onderzoek zal dan worden uitgevoerd door een tijdelijke commissie of door een enquêtecommissie. De Tweede Kamer benoemt de commissieleden; alle commissieleden moeten Tweede Kamerlid zijn. Zodra iemand geen Kamerlid meer is, moet zij de commissie verlaten; en volgend jaar maart zijn er Tweede Kamerverkiezingen! In de motie gaat het over een ondervraging. Een ondervraging wordt altijd uitgevoerd door een enquêtecommissie.

ENQUÊTECOMMISSIE VS TIJDELIJKE COMMISSIE Een enquêtecommissie heeft (veel) meer bevoegdheden dan een tijdelijke commissie. Het zijn evenwel bevoegdheden, ze hoeft er dus geen gebruik van te maken. Anders dan een tijdelijke commissie kan een enquêtecommissie medewerking afdwingen. Iedereen kan door de enquêtecommissie worden gedwongen tot medewerking. Dat staat in de Wet op de parlementaire enquête 2008. Ze kan burgers en bedrijven verplichten om als getuige of deskundige voor haar te verschijnen en haar vragen te beantwoorden. Wie dat weigert, kan via de rechter worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom en zelfs tot gijzeling (gevangenhouding). Getuigen worden in beginsel onder ede gehoord. In dat geval legt de getuige vooraf een eed of gelofte af. Als hij daarna opzettelijk een vals antwoord geeft op vragen van de enquêtecommissie, pleegt hij meineed en daarmee een misdrijf waarop gevangenisstraf staat.

MINISTERS HOREN Ook ministers, staatssecretarissen, ambtenaren en Kamerleden kunnen worden verplicht om te verschijnen voor de enquêtecommissie en om haar vragen te beantwoorden; dat geldt zowel voor zittende ministers als voor oud-ministers. Wie dat weigert, kan echter niet worden veroordeeld tot een dwangsom of tot gijzeling; de ambtenaren kunnen daartoe wél worden veroordeeld. In de motie van afgelopen dinsdag staat dat de betrokken bewindslieden en topambtenaren zullen worden gehoord. Volgens de Volkskrant van woensdag denkt de Tweede Kamer daarbij onder andere aan de oud-minister voor Sociale Zaken Lodewijk Asscher, de oud-staatssecretaris voor de Belastingdienst Eric Wiebes en minister-president Mark Rutte. Tegenwoordig is Asscher Kamerlid voor een oppositiepartij, Wiebes minister van Economische Zaken en Klimaat en is Rutte nog altijd premier.

DISCUSSIES IN DE MINISTERRAAD Voor bewindslieden en ambtenaren gelden er wel enkele uitzonderingen op de wettelijke plicht om vragen van de enquêtecommissie te beantwoorden. De eerste uitzondering gaat specifiek over de vergaderingen van de ministerraad. Geen informatie hoeft te worden verstrekt over de beraadslagingen in deze vergaderingen. Beraadslaging is de gedachtewisseling en discussie van de bewindslieden in de ministerraad. Op basis van de beraadslaging neemt de ministerraad beslissingen. In de motie van afgelopen dinsdag staat dat de Tweede Kamer met de ondervraging zicht wil krijgen op de politieke besluitvorming ten aanzien van het fraudebeleid bij de kinderopvangtoeslag. Maar de gedachtewisseling en discussie in de ministerraad kan dus alleen op vrijwillige basis boven tafel komen! De beslissingen waartoe die discussie heeft geleid en de gronden waarop de beslissingen zijn genomen moeten trouwens wél worden uiteengezet aan de enquêtecommissie. Zij vallen dus niet onder de uitzondering. De tweede uitzondering is niet specifiek maar juist heel algemeen: bewindslieden en ambtenaren hoeven nooit informatie te verstrekken voor zover dat in strijd zou zijn met het Staatsbelang. Zij moeten dan wel uitleggen waarom dat hier aan de orde is zou zijn.

ONDERVRAGING Elke parlementaire ondervraging is een parlementaire enquête, maar niet elke parlementaire enquête is een parlementaire ondervraging. De meeste enquêtes uit het verleden duurden enkele jaren. Bedoeling van een ondervraging is dat ze kort duurt; de Tweede Kamer kan er een termijn aan verbinden. Het is bedoeld als een kortlopende enquête. Daarom wordt alleen onderzoek gedaan door middel van het horen van deskundigen en getuigen. De ondervraging wordt dan ook wel mini-enquête genoemd. In beginsel worden er bijvoorbeeld geen documenten en andere stukken opgevraagd of werkbezoeken afgelegd. Een andere doel van de ondervraging is om het horen voor getuigen en deskundigen minder ingrijpend te maken. Daarom moet de enquêtecommissie zich bij de ondervraging altijd afvragen of niet kan worden volstaan met een gewone hoorzitting. Als een enquêtegehoor toch écht nodig is, mogen getuigen en deskundigen in de weken die hieraan voorafgaan een schriftelijke verklaring afleggen en mogen ze bovendien aan het begin van het enquêtegehoor een openingsverklaring afleggen over de feiten waaromtrent van hen informatie wordt verlangd. Als de enquêtecommissie informatie van ambtenaren wil krijgen, dan moet ze bij een ondervraging die informatie eerst via de minister proberen te verkrijgen; pas als dat niet lukt, mag de ambtenaar worden opgeroepen voor gehoor. Al deze regels voor de ondervraging zijn door de Tweede Kamer in 2016 in een protocol neergelegd.

(Mr. Leon)

De Zuinige Vier en het Meerjarig financieel kader 2021-2027 van de EU

DONDERDAG 28 MEI 2020 Gisteren heeft de Europese Commissie de Next Generation EU gepresenteerd. Dat is de naam van een herstelfonds om de economische schade van de coronacrisis te verzachten. Er is 750 miljard euro mee gemoeid. Het is nog maar een voorstel. Het bedrag zal worden geleend op de kapitaalmarkt. De kapitaalverstrekkers krijgen het Meerjarig financieel kader 2021-2027 als onderpand. Wat is het Meerjarig financieel kader 2021-2027 en wie gaat daarover?

KADERSTELLEND Eens in de zeven jaar wordt een nieuw meerjarig financieel kader vastgesteld. Dit kader is een kader voor de jaarlijkse begroting. In de jaarlijkse begroting moet dit kader in acht worden genomen. In het kader staat bijvoorbeeld hoe hoog het budget maximaal mag zijn. Dat wil zeggen: hoe hoog het totaal van alle begrotingsuitgaven in die zeven jaar mag zijn. Er mag niet meer worden uitgegeven dan dit budget. Voor de afgelopen zeven jaar was dat 1000 miljard euro. Omgerekend is dat (ongeveer) 1% van de Bruto Nationale Inkomens van alle EU-lidstaten samen. Het huidige meerjarig financieel kader loopt eind dit jaar af. Het geldt sinds 2014. Voor volgend jaar en de daarop volgende zes jaren moet dus een nieuwe worden vastgesteld. Dat wordt het Meerjarig financieel kader 2021-2027. Het moet voor het einde van dit jaar worden vastgesteld. De verplichting om een meerjarig financieel kader vast te stellen (en een jaarlijkse begroting) staat in een verdrag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

1% Veel EU-landen willen een hoger budget voor de EU. Zij willen een percentage dat hoger is dan de hier bovengenoemde 1%. Ook de Europese Commissie heeft gisteren een hoger budget voorgesteld, namelijk (ongeveer) 1,1%, dat is 10% hoger. Het Europees Parlement heeft zich al eerder uitgesproken voor 1,3%. Denemarken, Oostenrijk, Zweden en ons land willen echter vasthouden aan die 1%. Daarom worden zij ook wel de zuinige vier of vrekkige vier genoemd.

Wie gaan er eigenlijk over wat in het meerjarig financieel kader staat? Met andere woorden: wie stelt het vast? Dat zijn de Raad, het Europees Parlement en de Europese Raad.

RAAD De Raad wordt ook wel Raad van Ministers of Raad van de Europese Unie genoemd. De Raad bestaat uit de ministers van de lidstaten. Elke lidstaat heeft één of meer ministers in de Raad. Welke ministers dat zijn, hangt af van wat er op de agenda staat. Als dat het meerjarig financieel kader is, dan zijn in elk geval de ministers van Financiën present. De Nederlandse minister voor Financiën is Wopke Hoekstra. Een van de aanwezige ministers is de voorzitter. Het voorzitterschap speelt in de praktijk een belangrijke rol. Er is geen vaste voorzitter. Het rouleert van land tot land. Elk half jaar hanteert een minister van een ander land de voorzittershamer. Momenteel is dat Kroatië, maar in de tweede helft van dit jaar – de periode waarin het nieuwe meerjarig financieel kader zal worden vastgesteld – is dat Duitsland!

EUROPEES PARLEMENT Het Europees Parlement bestaat uit zo’n zeven honderd rechtstreeks gekozen volksvertegenwoordigers; de laatste verkiezingen waren mei vorig jaar.

EUROPESE RAAD De Europese Raad bestaat uit regeringsleiders en gekozen staatshoofden. Het is een van beide, de regeringsleider of het staatshoofd. Meestal zijn het regeringsleiders, zoals de premiers van Denemarken, Zweden en ons land en de bondskanseliers van Duitsland en Oostenrijk, respectievelijk Merkel en Kurz. Voor Frankrijk is dat het staatshoofd, president Macron. De Europese Raad heeft een vaste voorzitter, vaak EU-president genoemd. Hij is niet één van de aanwezige regeringsleiders of staatshoofden. Sinds een half jaar is Charles Michel de voorzitter; hij is de voormalige premier van België. Ook de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, maakt deel uit van de Europese Raad. Net als Michel heeft zij geen stemrecht, maar een lid zonder stemrecht is geen lid zonder macht!

Is vaststelling van een meerjarig financieel kader onmogelijk zonder toestemming van deze drie instellingen? In theorie niet, in de praktijk wel. In elk geval is altijd toestemming nodig van de Raad van Ministers en van het Europees Parlement. Toestemming van het Europees Parlement is er als de meerderheid van de parlementariërs vóór is. Een gewone meerderheid – de helft plus een – voldoet. In het huidige parlement kan de meerderheid instemmen met een budget van meer dan 1%, zelfs als dat veel meer is.

VETO Er is ook een gewone meerderheid van de Raad van Ministers die geen enkele moeite heeft met een hoger budget. Maar de Raad van Ministers kan per gewone meerderheid geen toestemming geven. De Raad kan alleen toestemmen als álle ministers vóór zijn. Elk land heeft dus vetorecht. Het is niet uitgesloten dat een of meer van de (hierboven genoemde) Vrekkige of Zuinige Vier gebruik zullen maken van het vetorecht. Stel dat dit gebeurt, hoe kan de patstelling dan doorbroken worden? Want er moet een nieuw meerjarig financieel kader komen! Dan krijgt de Europese Raad een rol.

MINDERHEID Als de Europese Raad namelijk wél vóór is, dan mag de Raad van Ministers toestemming geven per gekwalificeerde meerderheid. Een gekwalificeerde meerderheid is een meerderheidsbeslissing, en dus is er geen vetorecht meer. Een gekwalificeerde meerderheid is echter meer dan een gewone meerderheid; dat betekent dat een minderheid een besluit van de gewone meerderheid kan tegenhouden. Zolang die minderheid maar groot genoeg is. Vormen de Vrekkige of Zuinige Vier een minderheid die groot genoeg is? Nee! Zo’n minderheid moet namelijk altijd minstens 35% van de inwoners van de EU vertegenwoordigen. De Europese Unie telt zo’n 450 miljoen inwoners. Nederland, Oostenrijk, Zweden en Denemarken hebben er tezamen hooguit 45 miljoen. Dat is 10%. Als het Verenigd Koninkrijk nog lidstaat was geweest, dan had dit land best wel eens de Vijfde Zuinige kunnen zijn. Maar 64 miljoen Britten erbij was evenmin genoeg geweest om op 35% uit te komen.

COMPROMIS Over enkele weken is er weer een bijeenkomst van de Europese Raad. Op deze EU-top zou patstelling in de Raad van Ministers kunnen worden voorkomen. Nu is het alleen wél zo dat de Europese Raad dat alleen kan doen als álle regeringsleiders of staatshoofden vóór zijn. Ook hier dus een vetorecht voor elk land. Waarom zouden de regeringsleiders van de Zuinige Vier daar dan geen gebruik van maken? Waarom zouden deze regeringsleiders vóór meer dan 1% EU-budget willen stemmen terwijl hun minister van Financiën namens de hele regering tegen is? Omdat hun stem vóór deel uitmaakt van een compromis. Bijvoorbeeld een compromis waarin zij iets binnenhalen op een heel ander gebied. 

(Mr. Leon)

Belastingdienst, IND, CBR en RIVM en de ministeriële verantwoordelijkheid

VRIJDAG 21 FEBRUARI 2020 In een groot artikel in de Volkskrant van afgelopen zaterdag wordt het “falen” van landelijke overheidsdiensten aan een analyse onderworpen, zoals de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst, de lange wachttijden voor asielzoekers bij de IND en voor 75-plussers die zich medisch moeten laten keuren voor hun rijbewijsverlenging bij het CBR. In de krant wordt de oorzaak voor deze problemen onder andere gezocht in de verantwoording die ministers in de Tweede Kamer moeten afleggen voor elk incident dat zich bij deze diensten voordoet, omdat die verantwoording tot nog meer regels zou leiden en meer regels tot minder menselijke maat bij het loket en dus meer falend overheidshandelen. Waaruit bestaat deze verantwoordingsplicht?

INLICHTINGENPLICHT In onze grondwet staat dat een minister de Tweede Kamer alle inlichtingen moet verstrekken die door een Kamerlid worden verlangd. In de praktijk stelt een Kamerlid een vraag aan de minister en de minister geeft hierop antwoord. Inlichtingen worden verstrekt door beantwoording van de vraag. Kamerleden kunnen de minister zowel schriftelijk als mondeling vragen stellen. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij de behandeling van een wetsontwerp, begroting, nota of ander geagendeerd onderwerp.

VRAGENRECHT Vragen die over incidenten bij overheidsdiensten gaan, gaan over onderwerpen die (meestal) niet op de agenda staan. Ze worden bijvoorbeeld gesteld naar aanleiding van berichten in de krant of op sociale media. Uiteraard hebben Kamerleden ook het recht om de minister vragen te stellen over onderwerpen die geagendeerd zijn. In het Kamerreglement staat dat schriftelijke vragen dan kort en duidelijk geformuleerd moeten zijn. Hierin staat ook dat er wekelijks gelegenheid is tot het stellen van mondelinge vragen, namelijk op dinsdagen aan het begin van de vergadering. De tijd is dan te kort om alle gewenste vragen te kunnen stellen; de voorzitter beslist welke vragen mogen worden gesteld (en welke niet).

MINISTERIËLE VERANTWOORDELIJKHEID De minister moet weliswaar alle inlichtingen verstrekken die door een Kamerlid worden verlangd, maar hij hoeft natuurlijk geen vragen te beantwoorden waar hij helemaal niet over gaat. Waarover gaat de minister? De minister gaat in elk geval over zaken die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Uiteraard is de minister voor zijn eigen handelingen verantwoordelijk, maar zijn verantwoordelijkheid gaat veel verder.

MINISTERIE Die is er bijvoorbeeld ook voor wat de ambtenaren en andere werknemers op zijn ministerie doen of nalaten. Hij is immers hun baas en hij moet hun werk organiseren. Tot op zekere hoogte moet hij hun vertellen hoe ze hun werk moeten doen. Daarvoor kan hij algemene instructies opstellen waaraan zij zich moeten houden bij het nemen van beslissingen. Ook kan hij bevelen welke beslissing in een concrete zaak moet worden genomen

BAAS In het krantenartikel gaat het over overheidsdiensten die op enige afstand van de minister staan. Dat is bijvoorbeeld het geval met de Belastingdienst (toeslagenaffaire) en de IND (lange wachttijden asielzoekers). IND staat voor Immigratie- en Naturalisatiedienst. Belastingdienst en IND zijn hiërarchisch ondergeschikt aan de minister: de minister is ook hier dus de baas en hij organiseert hun werk. In beginsel gaat de ministeriële verantwoordelijkheid voor deze diensten net zo ver als voor het ministerie zelf. In elk geval is de minister verantwoordelijk voor de organisatie van het werk, zoals zorgen voor voldoende personeel, bijvoorbeeld als te weinig personeel tot lange wachttijden leidt. Datzelfde geldt voor het nemen van zorgvuldige en behoorlijke besluiten.   

ZBO Het krantenartikel gaat ook over landelijke overheidsdiensten die niet hiërarchisch ondergeschikt zijn aan de minister, zoals het CBR (lange wachttijden 75-plussers bij rijbewijsverlenging). Dat is de afkorting voor Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Zo’n overheidsdienst is een zelfstandig bestuursorgaan. Zelfstandige bestuursorganen – zbo’s – worden ingesteld als er behoefte is aan onafhankelijke oordeelsvorming op grond van specifieke deskundigheid. Dat beperkt de ministeriële verantwoordelijkheid.

ZBO EN  MINISTERIËLE VERANTWOORDELIJKHEID Maar tot hoever gaat hier de ministeriële verantwoordelijkheid bij zbo’s nog wel? Hij gaat zover als de minister bevoegdheden heeft bij het zbo. Het CBR is een publiekrechtelijke zbo. Daardoor gaat de minister ook over de benoeming van haar bestuursleden en kan hij hen ook weer ontslaan, bijvoorbeeld wegens gebleken ongeschiktheid. Als het personeelsgebrek bij het CBR een gevolg zou zijn van gebleken slecht management, dan gaat de minister er dus over, want hij had de bestuurders ook kunnen ontslaan en vervangen. De zbo’s hebben de wettelijke plicht om de minister alle inlichtingen te verstrekken die hij nodig meent te hebben.

RIVM Een andere publiekrechtelijke zbo is het RIVM, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. In de afgelopen maanden is er kritiek geuit op de methode van stikstofberekeningen van het RIVM. Is de minister daarvoor verantwoordelijk, los van de vraag of die kritiek terecht was? De minister mag een zbo regels voorschrijven over hoe zij hun taak moeten uitvoeren. Hij mag de RIVM echter niet voorschrijven welke onderzoeksmethoden gebruikt moeten worden. Dat staat namelijk expliciet in de Wet RIVM. Hierin staat namelijk dat de minister het RIVM-bestuur “geen aanwijzingen (geeft) met betrekking tot de methoden, volgens welke de in de meerjaren-activiteitenprogramma’s opgenomen onderzoeken worden uitgevoerd en de resultaten daarvan worden gerapporteerd.”

CONCLUSIE De omvang van de inlichtingenplicht of verantwoordingsplicht van de minister hangt dus onder andere af van waar zich het incident heeft voorgedaan waarover de Kamervraag wordt gesteld: op het ministerie zelf, bij een buitendienst die onderdeel is van het ministerie of bij een buitendienst die zbo is, en als het een zbo is, wat voor een.

 (Mr. Leon)

Arbitrage voor Facebook

VRIJDAG 14 FEBRUARI 2020 Facebook verwijdert berichten die er volgens haar niet op thuis horen. Op die manier zijn in de eerste drie maanden van vorig jaar ruim 3 miljoen berichten verwijderd. Vaak wordt zo’n verwijdering als onrechtvaardig beschouwd, maar het maken van bezwaar was praktisch onmogelijk. Twee weken geleden heeft Facebook arbitrage geïntroduceerd. De arbiters gaan toetsen of een verwijdering terecht was, en Facebook moet hun beslissingen naleven. Wie gaat over de aanstelling van de arbiters en hoe ziet hun toetsing eruit?

VAGE NORMEN Voor de verwijdering hanteert Facebook zelfgemaakte en bovendien nogal vage normen. Zo verwijdert Facebook berichten die volgens haar “onrechtmatig, misleidend, discriminerend of frauduleus” zijn. Zo staat het in de Servicevoorwaarden. Facebook heeft die Servicevoorwaarden zelf gemaakt, net als de Richtlijnen voor de community. Daarin staat dat een bericht dat de echtheid, veiligheid, waardigheid of privacy aantast verwijderd wordt. Maar ook dat zo’n bericht weer niet wordt verwijderd “als de inhoud opmerkelijk is en het openbaar belang dient”. En van wie vaker berichten worden verwijderd, kan zélf van Facebook worden verwijderd. De arbiters gaan toetsen aan diezelfde vage normen. In de Charter bij de arbitrage wordt daaraan toegevoegd dat zij daarbij “pay particular attention to the impact of removing content in light of human rights norms protecting free expression”. Dit Charter is net als de hierna volgende Bylaws door Facebook opgesteld.

OVERSIGHT BOARD: TOT ELF Er komt niet één arbiter maar een college van arbiters: de zogenaamde Oversight Board. Dit college moet volgens de Bylaws uit minstens elf arbiters bestaan. Pas daarna kan het gaan functioneren; het zal in de loop der tijd worden uitgebreid tot veertig arbiters. Wie benoemt hen? De eerste drie arbiters worden door Facebook zelf benoemd. Zij worden tevens de drie voorzitters van het college, de zogenaamde co-chairs.

CO-CHAIRS Deze drie voorzitters kiezen acht andere leden. Facebook is nauw betrokken bij de werving en selectie van deze acht, maar uiteindelijk maken de drie voorzitters een eigen keuze. De drie beslissen bij meerderheid. Hun beslissing levert nog geen daadwerkelijke benoeming op, want daarvoor is goedkeuring nodig van de zogenaamde Trustees.

TRUSTEES Deze Trustees worden door Facebook benoemd. Als de Trustees hun goedkeuring hebben gegeven en het college van arbiters haar minimale omvang van elf heeft bereikt, dan kan het van start gaan.

OVERSIGHT BOARD: VANAF TWAALF Daarna wordt het college in de loop der tijd geleidelijk uitgebreid tot veertig leden. De keuze van deze nieuwe arbiters is niet meer een beslissing van de drie voorzitters alleen, maar van het hele college. Het voltallige college beslist daarover bij gewone meerderheid. Voorzitters en gewone leden hebben elk één stem. Ook voor deze keuzes geldt dat voor een daadwerkelijke benoeming van nieuwe leden de goedkeuring van de Trustees nodig blijft. Benoemingen zijn steeds voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging. Leden en voorzitters worden bekendgemaakt zodat iedereen weet wie zij zijn.

Een arbiter kan tussentijds worden ontslaan. Het college kan daartoe beslissen, maar voor zo’n beslissing is een versterkte meerderheid nodig. Ook hier geldt weer: een ontslag is alleen geldig als de Trustees dat goedkeuren

PANEL De beslissing of een verwijdering van een bericht al dan niet terecht is wordt in twee stappen genomen. De eerste stap is de voorlopige beslissing. De voorlopige beslissing wordt genomen door een arbitragecommissie, een panel. Die bestaat uit enkele arbiters en een voorzitter. Elke arbiter maakt hiervan enige tijd deel uit. De tweede stap is de definitieve beslissing. De arbiters die geen deel uitmaken van de arbitragecommissie – dat is steeds het overgrote deel – kunnen namelijk bezwaar maken tegen de voorlopige beslissing. Als dit bezwaar uitblijft, wordt de voorlopige beslissing automatisch de definitieve beslissing. Die laatste beslissing wordt gepubliceerd. Wie in de arbitragecommissie zaten, wordt niet gepubliceerd.

3 MILLION Weekblad The Economist schreef op 1 februari dat Facebook in het eerste kwartaal van vorig jaar ruim drie miljoen berichten heeft verwijderd. Aannemelijk is dat veel gedupeerden hun zaak aan de arbiters zullen willen voorleggen; Facebook mag ook zelf verwijderingen voorleggen. Waarschijnlijk kunnen de arbiters slechts een (kleine) fractie daarvan behandelen. Wie bepaalt welke verwijdering wordt beoordeeld? Een tweede arbitragecommissie gaat selectiecriteria opstellen voor de keuze van de zaken die behandeld worden. Het voltallige college kan hiervan afwijken en kiezen voor andere selectiecriteria. Op basis van de selectiecriteria wordt een keuze gemaakt voor de concrete verwijdering die het college gaat beoordelen; aannemelijk is dat er ook dan nog een ruime keuze zal zijn. Het is mij niet helemaal duidelijk wie die laatste keuze maakt: de voorzitters of de meerderheid van het college. Uiteraard zal hierin ook een belangrijke rol zijn weggelegd voor het ondersteunende personeel, dat door de voorzitters wordt aangesteld en aangestuurd.

PIE Arbitrage voor de verwijdering van berichten is een verbetering, maar Facebook heeft een dikke vinger in de pap wie de arbiters worden en waaraan zij toetsen.

(Mr. Leon)

Parlementaire onschendbaarheid in Nederland en in Duitsland

VRIJDAG 7 FEBRUARI 2020 De Bondsdag – dat is de Tweede Kamer van Duitsland – heeft vorige week de onschendbaarheid opgeheven van twee Kamerleden. Het gaat om Alexander Gau van oppositiepartij Alternative für Deutschland (AfD) en Karin Strenz van regeringspartij CDU. Gau wordt door Justitie verdacht van fouten in zijn belastingaangifte en Strenz van betrokkenheid bij een steekpenningenaffaire. Wat betekent deze onschendbaarheid? Kent ook ons land onschendbaarheid voor Tweede Kamerleden?

ONSCHENDBAARHEID heeft iemand die niet strafrechtelijk vervolgd kan worden voor daden waarvoor anderen dat wel kunnen worden. Voorbeelden zijn diplomaten en koningen: zij genieten diplomatieke respectievelijk koninklijke onschendbaarheid. Ook parlementariërs kunnen onschendbaarheid bezitten. Men spreekt dan van parlementaire onschendbaarheid. Ook hun onschendbaarheid staat in de weg aan strafrechtelijke vervolging. Elk land regelt zelf of haar parlementariërs immuniteit bezitten en zo ja voor welke daden. Immuniteit is een synoniem voor onschendbaarheid.

PARLEMENTAIRE ONSCHENDBAARHEID In de Duitse Grondwet staat dat de leden van de Bondsdag  onschendbaar zijn. Ook in onze Grondwet staat dat Tweede Kamerleden onschendbaar zijn. Maar er zijn belangrijke verschillen tussen beide regelingen.

GROTER IN DUITSLAND Aan de ene kant genieten de leden van de Duitse Bondsdag een grotere immuniteit dan de Nederlandse Tweede Kamerleden. De Duitse parlementaire onschendbaarheid strekt zich namelijk uit tot veel meer strafbare feiten dan de Nederlandse. In Duitsland is hij er bijvoorbeeld ook voor strafbare feiten als het maken van fouten bij de belastingaangifte en betrokkenheid bij een steekpenningenaffaire. In ons land is hij beperkt tot wat in een vergadering van de Tweede Kamer of van een Kamercommissie daaruit is gezegd.

Onjuiste belastingaangiften en betrokkenheid bij een steekpenningenaffaire vallen in Nederland dus nimmer onder de parlementaire onschendbaarheid. Strafbare feiten als belediging, smaad, opruiing, aanzetten tot haat of discriminatie, en laster kunnen worden gepleegd door wat men zegt. Dus kunnen deze daden in Nederland wel onder de parlementaire onschendbaarheid vallen, ongeacht voor wie ze beledigend zijn. Ze moeten dan wel gepleegd worden in een vergadering van de Tweede Kamer of een Kamercommissie. Als ze buiten zo’n vergadering worden gepleegd – bijvoorbeeld door een Kamerlid dat in een zaal ergens in het land spreekt of een tweet de wijde wereld instuurt – dan geldt daarvoor geen parlementaire onschendbaarheid. Trouwens, hij geldt niet alleen voor wat Kamerleden in hun vergaderingen zeggen, maar ook voor wat ze schrijven aan Kamer of Kamercommissie.

GROTER IN NEDERLAND Aan de andere kant genieten de leden van de Duitse Bondsdag een geringere onschendbaarheid dan de Tweede Kamerleden. Ook de leden van de Bondsdag kunnen niet in rechte worden vervolgd voor wat ze in de vergadering van de Bondsdag of een commissie daaruit zeggen. Daarop bestaat echter één uitzondering: hun onschendbaarheid kan worden opgeheven für verleumderische Beleidigungen. Dat zijn beledigingen waarvan de spreker weet dat ze onwaar zijn. Voor al het andere dat Bondsdagleden daarin zeggen is opheffing van hun onschendbaarheid niet mogelijk. Wie beslist over die opheffing? Niet justitie maar de Bondsdag zelf beslist daarover. De Bondsdag neemt zo’n beslissing bij meerderheid. In Nederland kan de parlementaire onschendbaarheid nimmer worden opgeheven, dus ook niet für verleumderische Beleidigungen.

KAMERVOORZITTER Dat betekent niet dat er in Nederland niet kan worden opgetreden tegen Kamerleden die beledigingen uiten, of zich schuldig maken aan smaad, laster, opruiing en aanzetten tot discriminatie. Weliswaar mogen justitie en politie daartegen niet optreden, maar de Kamer zelf wel, en in het bijzonder de Kamervoorzitter. De Kamervoorzitter kan het Kamerlid dat zich hieraan schuldig maakt vermanen en in de gelegenheid stellen om de (bijvoorbeeld) beledigende woorden terug te nemen. Als het Kamerlid daartoe niet bereid is of opnieuw beledigende woorden uit, kan de Kamervoorzitter hem of haar het woord ontnemen en zelfs uitsluiten van de vergadering. De Kamervoorzitter kan alleen optreden tegen beledigingen, smaad enzovoorts die in de Kamer worden gedaan, en dus niet als ze gedaan worden in een zaal ergens in het land of in tweets.

(Mr. Leon)

Britten in Nederland na de Brexit

VRIJDAG 31 JANUARI 2020 Vannacht om twaalf uur Nederlandse tijd is het zover: Brexit. Onze westerbuur het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland verlaat dan de Europese Unie. Wat ligt hieraan ten grondslag en wat betekent het voor de Britten in Nederland?

AKKOORD Eind vorig jaar is het akkoord gesloten waarmee Verenigd Koninkrijk zich terugtrekt uit de Europese Unie. Dit akkoord is in de afgelopen weken goedgekeurd door het Britse parlement en het Europees Parlement.  

TERUGTREKKING had ook gekund zonder akkoord. Een No Deal. Een lidstaat mag zich namelijk eenzijdig uit de EU terugtrekken. Opzegging voldoet. Dat heeft het VK al in maart 2017 gedaan. Maar A Deal maakt het wel mogelijk om allerlei onderwerpen te regelen die in het belang zijn van bedrijven en burgers. In het akkoord is dat gebeurd.

OVERGANGSPERIODE In het akkoord is in de eerste plaats een overgangsperiode afgesproken. Tijdens die overgangsperiode verandert er vrijwel niets voor burgers en bedrijven. Wat de burgers betreft: zij houden hun bestaande rechten en hebben geen verblijfsdocument nodig. Britten die in de overgangsperiode in Nederland wonen, werken of studeren hebben dezelfde rechten als in de voorbije jaren. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor familieleden waarmee hier in gezinsverband wordt geleefd, en die al dan niet de Britse nationaliteit bezitten. Uiteraard gelden dezelfde afspraken voor Nederlanders die in het Verenigd Koninkrijk wonen, werken of studeren. De overgangsperiode, ook wel uitvoeringsperiode genoemd, duurt in elk geval voor de rest van 2020. Verlenging met een of twee jaar is mogelijk, maar dan moeten daarover afspraken worden gemaakt, uiterlijk in juni. Zo niet, dan eindigt de overgangsperiode op 1 januari.

DAARNA In het akkoord zijn ook afspraken gemaakt over de rechten van burgers na afloop van de overgangsperiode. Uiteraard verandert er dan wel het een en ander. Voor veel Britten in Nederland betekent het bijvoorbeeld dat ze een verblijfsdocument moeten krijgen om hier te mogen blijven. Alleen de Nederlandse Immigratie- en Naturalisatiedienst – IND – kan een verblijfsdocument afgeven. Het verblijfsdocument moet worden aangevraagd. En het is niet zeker of het aangevraagde verblijfsdocument wordt afgegeven. Afgifte is namelijk afhankelijk van voorwaarden. Voor werkende Britten is één van de voorwaarden dat men hier te lande met werken een zeker inkomen verdient. Voor sommige Britten in Nederland verandert er niets: dat zijn degenen die in bezit zijn van een Nederlandse permanente verblijfsvergunning.

FAMILIE In het Akkoord zijn ook afspraken gemaakt over het verblijfsrecht van familieleden, zoals echtgenoot en kinderen die nog geen 21 jaar zijn. Ook over andere familieleden zijn afspraken gemaakt, zoals oudere kinderen die financieel afhankelijk zijn van hun ouders.

(Mr. Leon)

Onderwijsvrijheid en burgerschap op school

VRIJDAG 17 JANUARI 2020 In een interview in dagblad Trouw van afgelopen maandag zegt een grote belangenorganisatie van protestante en katholieke scholen dat een recent wetsvoorstel over burgerschapsonderwijs op basisscholen en middelbare scholen te ver gaat. Het zou een inbreuk zijn op de grondwettelijke onderwijsvrijheid. Wat staat er in de Grondwet over onderwijsvrijheid?

VRIJHEID Onderwijsvrijheid is een grondrecht. Het is geregeld in artikel 23 van de Grondwet. De onderwijsvrijheid staat er sinds 1848 in. Tot dat jaar was het verboden om protestants, katholiek, islamitisch of ander bijzonder onderwijs te geven. Dat mocht alleen als de overheid vergunning had verleend. Tot dan toe was het geven van openbaar onderwijs de norm. Sindsdien is het geven van bijzonder onderwijs een klassiek grondrecht. Vergunning is niet langer nodig. Daardoor is het oprichten van scholen waarop katholiek, protestants, islamitisch of ander bijzonder onderwijs wordt gegeven vrij geworden.

MAAR MET GRENZEN Het geven van bijzonder onderwijs is vrij. Burgers maar ook bijvoorbeeld verenigingen en stichtingen zijn vrij om zo’n school op te richten en in stand te houden. Uiteraard is die vrijheid niet grenzeloos: het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, zoals de leerkrachten.

GELIJKSTELLING Sinds 1917 is in de grondwet geregeld dat het bijzonder onderwijs financieel gelijkgesteld moet zijn met het openbaar onderwijs: beide mogen rekenen op volledige subsidiëring door de overheid. Aan subsidiëring worden uiteraard wel eisen gesteld, zoals de deugdelijkheidseisen. Sinds lange tijd verstaat men hieronder ook wat leerlingen moeten leren. De overheid mag voorschrijven welke kennis, inzicht en vaardigheden de scholen hun leerlingen moeten meegeven, bijvoorbeeld bij wiskunde of geschiedenis. Zowel openbaar als bijzonder onderwijs moeten hieraan voldoen. Deze eisen staan in kerndoelen en eindtermen.

LEERMIDDELEN De overheid mag het bijzonder onderwijs echter niet voorschrijven welke leermiddelen gebruikt moeten worden. Leermiddelen zijn bijvoorbeeld boeken en methoden. Scholen mogen zelf beslissen welke boeken en methoden gebruikt worden in de klas. Ook deze vrijheid maakt deel uit van de grondwettelijke onderwijsvrijheid. Ook deze vrijheid is natuurlijk niet grenzeloos. Zo is er het discriminatieverbod; ook dat staat in de Grondwet.

BURGERSCHAPSONDERWIJS gaat over kennis en respect voor de basiswaarden van onze democratische rechtsstaat en dus ook de mensenrechten. Burgerschapsonderwijs is niet nieuw. Scholen moeten daar al vijftien jaar voor zorgen. In de praktijk zou daar op veel scholen weinig van terecht komen. Wetsvoorstel 35352 wil daar verandering in brengen. Als ik het goed begrepen heb, richt de kritiek van de belangenorganisatie in het Trouwinterview zich vooral op een passage in de officiële toelichting op het wetsvoorstel. Onderwijsminister Arie Slob (ChristenUnie) schrijft daarin dat basisscholen en middelbare scholen hun leerlingen ook moeten leren over hoe mensen met elkaar dienen om te gaan, en dat in dat verband waarheidsgetrouwheid, sympathie, respect voor de mening van anderen, flexibiliteit en verantwoordelijkheidszin belangrijke waarden en vaardigheden die de school aan leerlingen moet meegeven. Deze passage zou dan neerkomen op het voorschrijven van leermiddelen aan het bijzonder onderwijs (maar die woorden worden in het interview zelf niet gebruikt). Dat leidt tot de vraag: hoe ver reikt de leermiddelenvrijheid en hoe ver reiken de deugdelijkheidseisen?

(Mr. Leon)

Statuut voor het Koninkrijk wordt 65!

WOENSDAG 18 DECEMBER 2019 Eind deze maand is het 65 jaar geleden dat het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking is getreden. Dat was op 29 december 1954. Wat is het Koninkrijk der Nederlanden? En wat houdt dit Statuut in?

NEDERLANDEN Het Koninkrijk der Nederlanden omvat meer dan Nederland. Het omvat namelijk ook Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Deze eilanden liggen in het Caribisch gebied. In dit gebied ligt bovendien Caribisch Nederland. Dat zijn de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Ten tijde van de ondertekening van het Statuut omvatte het Koninkrijk ook Suriname en Nieuw-Guinea. De zes Caribische eilanden heetten toentertijd de Nederlandse Antillen en hun verhouding tot Nederland was in het Statuut anders geregeld dan nu het geval is.

ZELFSTANDIG Het Koninkrijk bestaat nu dus uit vier landen: Aruba, Curaçao, Nederland en Sint Maarten. Elk land behartigt zijn eigen aangelegenheden zelfstandig, maar het Koninkrijk mag wel ingrijpen bij ondeugdelijk bestuur. Elk land heeft zijn eigen grondwet, regering en parlement. In Caribisch gebied heet de grondwet Staatsregeling en het parlement heet Staten. Regering en Staten maken daar hun eigen wetten. Zo gelden voor de Venezolanen die naar Curaçao zijn gevlucht de asielwet die regering en Staten van Curaçao hebben gemaakt.

GEZAMENLIJK Er zijn natuurlijk ook aangelegenheden die geen eigen aangelegenheden van een land zijn maar aangelegenheden van het hele Koninkrijk. Gemeenschappelijke aangelegenheden zijn bijvoorbeeld defensie, buitenlandse betrekkingen en Nederlanderschap. De vier landen behartigen deze aangelegenheden gezamenlijk.

VETO Die gezamenlijke behartiging van Koninkrijksaangelegenheden gebeurt op voet van gelijkwaardigheid, althans volgens de preambule bij het Statuut. Feit is echter dat de regering van het Koninkrijk bestaat uit alle ministers van Nederland plus een vertegenwoordiger van de regeringen van de drie Caribische landen, dat wil zeggen van elke regering één gevolmachtigde minister. De drie Caribische ministers vormen dus een kleine minderheid in de regering van het Koninkrijk! In de regering van het Koninkrijk worden besluiten genomen bij meerderheid. Elke minister heeft daarin één stem, ongeacht het land waaruit hij komt. Wel is het zo dat een gevolmachtigde Caribische minister tot op zekere hoogte een vetorecht heeft waarmee hij kan voorkomen dat maatregelen in zijn land gaan gelden. Maar dat is slechts een vetorecht tot op zekere hoogte.

RIJKSWET Koninkrijksaangelegenheden kunnen worden behartigd door middel van wetgeving. Bijvoorbeeld door een rijkswet. Een rijkswet moet zijn aangenomen door de parlementen van alle vier de landen. De wet waarin het Nederlanderschap is geregeld is zo’n rijkswet: de Rijkswet op het Nederlanderschap geheten. De woorden rijkswet of rijk komen altijd voor in de officiële naam van zo’n wet. Een ander soort wet van het Koninkrijk is een algemene maatregel van rijksbestuur. Voor zo’n algemene maatregel is geen medewerking nodig van de nationale parlementen. Die maatregel kan zelfstandig worden vastgesteld door de regering van het Koninkrijk, de regering dus waarin de Nederlandse ministers veruit in de meerderheid zijn.

Over onderwerpen die geen aangelegenheid van het Koninkrijk zijn, maar die een eigen aangelegenheid zijn van een land, kunnen de vier landen op vrijwillige basis rijkswetten maken. Dat is bijvoorbeeld gebeurd met het octrooirecht op uitvindingen. Dat is namelijk wettelijk geregeld in de Rijksoctrooiwet. Die wet geldt in alle vier landen.

ONDERLINGE HULP De vier landen moeten elkander hulp en bijstand verlenen. Nederland heeft Sint Maarten hulp en bijstand verleend in verband met de verwoestende gevolgen die orkaan Irma in 2017 heeft aangericht. Dat is onder andere gebeurd in de vorm van een fonds waarmee de wederopbouw kan worden gefinancierd. Volgens een bericht in de Volkskrant van vandaag werkt dit fonds echter niet.

KONINKRIJK Het Koninkrijk der Nederlanden is een koninkrijk. Koning is Willem-Alexander, met Maxima als Koningin. Zij zijn dus ook koning en koningin van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Bovendien heeft de Koning in deze landen een vaste vertegenwoordiger: de gouverneur. Elk land heeft een eigen gouverneur. Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben geen gouverneur, want zij zijn Nederlandse gemeenten.

(Mr. Leon)

Facebook weigert advertentie voor biografie over burgemeester Aboutaleb

DONDERDAG 21 NOVEMBER 2019 Uitgeverij De Bezige Bij wilde op Facebook een advertentie plaatsen van de onlangs verschenen biografie over de burgemeester van Rotterdam, Ahmed Aboutaleb – Overal de eerste geschreven door Elisa Hermanides en Ruben Koops. Afgelopen maandag stond in de Volkskrant dat Facebook de advertentie heeft geweigerd, omdat het gaat over maatschappelijke kwesties, verkiezingen of politiek. Wat is hier aan de hand?

DE KLEINE LETTERTJES Wie Facebook gebruikt moet zich houden aan diverse algemene voorwaarden, zoals de Servicevoorwaarden. Tot voor kort geheten Verklaring van rechten en verantwoordelijkheden. Facebook mag berichten, foto’s, video’s en andere inhoud die met deze voorwaarden in strijd is verwijderen en blokkeren. Die voorwaarden zijn gemaakt door Facebook zelf. Overheden, wetgevers en consumentenorganisaties zijn daarbij – voor zover ik weet – niet betrokken geweest. Facebook kan ook commercieel worden gebruikt. Daarvoor kunnen dan extra voorwaarden gelden; ook deze aanvullende voorwaarden zijn weer alleen door Facebook zelf gemaakt.

ADVERTENTIES Wie bijvoorbeeld als uitgeverij een advertentie voor een nieuw verschenen boek wil plaatsen moet zich ook houden aan de Commerciële voorwaarden en aan het Advertentiebeleid. Daarbij geldt dat advertenties over maatschappelijke kwesties, verkiezingen of politiek pas mogen worden geplaatst nadat Facebook zijn akkoord heeft gegeven. Dat gebeurt door middel van het zogenaamde verificatieproces. Dit proces kan van land tot land verschillen.

VERIFICATIEPROCES Voor de meeste EU-landen – waaronder Nederland – is het proces als volgt. Verificatie is een combinatie van mensenwerk en kunstmatige intelligentie (algoritmen). Eerst wordt vastgesteld wie achter de advertentie zit. Daarna wordt de advertentie inhoudelijk beoordeeld. Daarbij wordt niet alleen gelet op tekst en afbeeldingen in de advertentie maar ook op de pagina waar de advertentie geplaatst wordt. Zonder hier op die inhoudelijke beoordeling verder in te gaan, is het in elk geval zo dat advertenties over politiek dus pas geplaatst mogen worden nadat ze door Facebook zijn geverifieerd en akkoord bevonden. Als zulke advertenties zonder verificatie zijn geplaatst, maakt Facebook ze “inactief”. Van een politieke advertentie is sprake als de advertentie gaat over een “politieke partij”, “politiek kandidaat”, “voormalige politicus” of “huidige politicus”.

ADVERTENTIE OVER EEN POLITICUS? In de advertentie van De Bezige Bij zou het dan moeten gaan om een “advertentie over een huidige politicus”. Volgens de Volkskrant is het verificatieproces voor deze advertentie negatief verlopen: Facebook heeft de advertentie geweigerd. Waarom is niet helemaal duidelijk. Of liever gezegd: is helemaal niet duidelijk. Afgezien van deze negatieve uitkomst van het verificatieproces, kun je je afvragen waarom deze advertentie überhaupt moest worden onderworpen aan het verificatieproces. Je zou namelijk het Advertentiebeleid zo kunnen uitleggen dat een advertentie voor een boek dat een biografie is over een politicus – een voormalig wethouder en staatssecretaris en nu de burgemeester van Rotterdam – helemaal geen “advertentie over een politicus” is. Of dat nu een geautoriseerde biografie is of niet. En een advertentie die niet over een politicus gaat, hoeft niet aan het verificatieproces van Facebook te worden onderworpen. (Tenzij daarvoor volgens het Advertentiebeleid weer een andere reden is.)

GOING TO THE USA Wat kan De Bezige Bij doen als ze zich niet bij de weigering van Facebook wil neerleggen? Een optie is om naar de rechter te stappen. De rechter kan er zich bijvoorbeeld over uitspreken of de commerciële advertentie van De Bezige Bij (redelijkerwijs) kan worden gezien als “een advertentie over een politicus. Maar de rechter kan er zich ook over uitspreken of het Advertentiebeleid van Facebook wel in overeenstemming is met het recht, zoals de vrijheid van meningsuiting. De Bezige Bij loopt dan echter tegen een extra obstakel op. De Amsterdamse rechtbank – de uitgeverij is in Amsterdam gevestigd – is namelijk geen optie. Volgens de Commerciële voorwaarden van Facebook is alleen een rechter in Californië bevoegd. De uitgever zal dus in Californië een rechtszaak moeten aanspannen. Bovendien is het ook nog eens zo dat niet het Nederlandse recht maar het recht van Californië van toepassing is. Ook dat staat namelijk in de Commerciële voorwaarden. Een heel gedoe dus om in rechte Facebook’s weigering de advertentie te plaatsen aan te vechten!

Mr. Leon