Uitbrengen stem in provinciale staten

VRIJDAG 31 AUGUSTUS 2018. In deze bijdrage staat het uitbrengen van de stem in de (voltallige) vergadering van Provinciale Staten centraal. Daarover is een regeling opgenomen in de reglementen van orde van Provinciale Staten. Ik vergelijk de regelingen van Zuid-Holland (1), Overijssel (2) en Gelderland (3). Een volledige vergelijking was niet het doel.

Provinciale Staten Provinciale Staten is als het ware het parlement van een provincie. Het aantal volksvertegenwoordigers kan per provincie verschillen. Gelderland heeft 55 Statenleden, verdeeld over 11 fracties. Ook Zuid-Holland heeft 55 Statenleden, verdeeld over 12 fracties. Overijssel heeft 47 Statenleden, verdeeld over 11 fracties.

Voltallige vergadering Aan de voltallige of plenaire vergadering van Provinciale Staten nemen in beginsel alle Statenleden deel. De vergadering wordt op grond van de Provinciewet in het openbaar gehouden (4). Meestal wordt er elke maand een dag vergaderd. De commissaris van de Koning is voorzitter van Provinciale Staten (5).

Reglement van orde Provinciale Staten stellen op grond van de Provinciewet een reglement van orde vast voor hun plenaire vergaderingen (6).

Besluit Provinciale Staten kunnen op grond van de Provinciewet een voorstel met en zonder stemming aannemen. In beide gevallen is er sprake van een besluit. Een stemming is nodig als een Statenlid daar om vraagt (7). In de praktijk worden de meeste voorstellen in stemming gebracht.

Stemming Voor een geldige stemming is op grond van de Provinciewet nodig dat meer dan de helft van het aantal Statenleden aanwezig is (8). Voor het aannemen van het voorstel is bovendien nodig dat meer dan de helft van de aanwezigen vóór stemt (9). Elk Statenlid heeft één stem.

Wat stemmen Een aanwezig Statenlid moet op grond van de Provinciewet vóór of tegen het voorstel stemmen (10). Ik laat stemonthouding hier buiten beschouwing.

Hoe stemmen (1) Onbesproken laat ik hier het digitaal stemmen. Een niet-digitale stem wordt in de regel uitgebracht door handopsteken (Zuid-Holland) of door zitten en opstaan (Overijssel en Gelderland).

Hoe stemmen (2) Een enkel Statenlid of de voorzitter mag op grond van de Provinciewet stemming bij hoofdelijke oproeping verlangen of te wel hoofdelijke stemming. In dat geval moeten alle aanwezige Statenleden volgens de wet hun stem mondeling uitbrengen (10). Deze wettelijke regel wordt in de provinciale reglementen als volgt uitgewerkt: om de beurt brengt iemand zijn stem uit door de woorden ”voor” of ”tegen” uit te spreken, zonder enige bijvoeging (Zuid-Holland en Overijssel) of toevoeging (Gelderland).

Waar stemmen Een Statenlid moet zijn stem uitbrengen vanaf zijn vaste plek in de vergaderzaal (Overijssel), maar in Zuid-Holland en Gelderland is dit ongeregeld.

Vergissing Wie zich vergist bij de hoofdelijke stemming, mag dit herstellen tot het eerstvolgende Statenlid zijn stem heeft uitgebracht (alle provincies). Wie zich vergist bij een gewone stemming, krijgt meer hersteltijd: hij mag herstellen totdat de voorzitter de uitslag heeft meegedeeld (Zuid-Holland) of bekendgemaakt (Overijssel); in Gelderland is hiervoor niets geregeld. Ik neem aan dat hij zijn stem op verbale wijze herstelt in plaats van opnieuw zijn hand opsteken of gaan zitten of staan.

Niet behandeld Voor het stemmen over personen gelden gedeeltelijk afwijkende regels. Die zijn niet besproken.

BRONNEN

Noot 1: Reglement van Orde voor de vergaderingen van Provinciale Staten, de Statencommissies, het Fractievoorzittersoverleg en de Agendacommissie van de provincie Zuid-Holland (2017), artikelen 40 en 41:

Artikel 40 Stemming bij handopsteken en Hoofdelijke stemming Zuid-Holland. Lid 1. Stemmen geschiedt bij handopsteken. Lid 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, vindt hoofdelijke stemming plaats wanneer: a. één van de leden dat verlangt; b. de uitslag van een stemming bij hand opsteken naar het oordeel van de voorzitter of van één van de leden niet duidelijk is en de uitslag van die stemming nog niet is vastgesteld. Voor iedere hoofdelijke stemming bepaalt de voorzitter door trekking van een nummer bij welke naam van de presentielijst de stemming zal beginnen. De stemming geschiedt vervolgens overeenkomstig de volgorde van de op de presentielijst vermelde namen van de leden, ongeacht of deze de presentielijst hebben getekend. Lid 3. Bij hoofdelijke stemming brengt ieder lid zijn stem uit met het woord “voor” of het woord “tegen” zonder enige bijvoeging

Artikel 41 Vergissing bij het uitbrengen van de stem Zuid-Holland. Lid 1. Indien een lid zich tijdens een stemming met handopsteken bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing herstellen totdat de voorzitter de uitslag heeft medegedeeld. Lid 2. Indien een lid zich tijdens een hoofdelijke stemming bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing herstellen voordat het volgende lid heeft gestemd, dan wel indien hij als laatste stemt, voordat de voorzitter de uitslag heeft medegedeeld. Lid 3. Bemerkt een lid diens vergissing eerst later, dan kan hij na afloop van de stemming aantekening vragen, dat hij zich heeft vergist. In de uitslag van de stemming brengt dit echter geen wijziging.

Noot 2: Reglement van Orde voor Provinciale Staten van Overijssel 2011 (2015), artikelen 52 en 53:

Artikel 52. Stemmingen over zaken. Lid 1. De voorzitter kondigt een te houden stemming duidelijk aan. De leden stemmen van de hen op grond van artikel 36 toegewezen zitplaats. Lid 5. Tenzij de voorzitter of één van de leden stemming bij hoofdelijke oproeping vraagt, geschiedt stemming over zaken digitaal. Indien niet digitaal, geschieden stemmingen door zitten en opstaan. Lid 6. Heeft een statenlid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing nog herstellen voordat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend maakt. Bemerkt het statenlid zijn vergissing pas later, dan kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist. In de uitslag van de stemming brengt dit echter geen verandering.

Artikel 53. Stemming bij hoofdelijke oproeping. Lid 1. De statenleden brengen hun stem uit na hoofdelijke oproeping door de voorzitter in volgorde van de presentielijst, te beginnen met het lid van wie de naam door de voorzitter bij loting wordt aangewezen. Lid 3. De statenleden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken, zonder enige toevoeging. Lid 4. Heeft een statenlid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende statenlid gestemd heeft. Bemerkt het statenlid zijn vergissing pas later, dan kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist. In de uitslag van de stemming brengt dit echter geen verandering.

Noot 3: Rectificatie Besluit van Provinciale Staten van de provincie Gelderland houdende regels omtrent het reglement van orde Reglement van Orde provinciale Staten van Gelderland 2017, artikel 26:

Artikel 26. Besluitvorming. Lid 4. Tenzij de voorzitter of een lid om hoofdelijke stemming vraagt, stemmen Provinciale Staten bij zitten en opstaan. Lid 7. Bij hoofdelijke stemming roept de voorzitter de leden van de Provinciale Staten bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming vindt plaats naar volgorde van de presentielijst, te beginnen met een door de voorzitter te trekken nummer, dat blijft gelden voor de gehele vergadering. Lid 8. De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken, zonder enige toevoeging. Lid 9. Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt verzoeken om in de besluitenlijst op te nemen dat hij zich heeft vergist. In de uitslag van de stemming brengt dit laatste geen verandering.

Noot 4: Artikel 23 lid 1 Provinciewet: De vergadering van provinciale staten wordt in het openbaar gehouden.

Noot 5: Artikel 9 Provinciewet: De commissaris van de Koning is voorzitter van provinciale staten.

Noot 6: Artikel 16 Provinciewet: Provinciale staten stellen een reglement van orde voor hun vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

Noot 7: Artikel 32 Provinciewet luidt gedeeltelijk: Lid 3. Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen.

Noot 8: Artikel 29 Provinciewet luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.

Noot 9: Artikel 30 Provinciewet luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.

Noot 10: Artikel 32 provinciewet luidt (gedeeltelijk): Lid 1. De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij mondeling. Lid 2. Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen. Lid 3. Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen.

Wie schrijft die blijft!

VRIJDAG 17 AUGUSTUS 2018. In deze bijdrage staan de notulen en besluitenlijst in de (voltallige) vergadering van Provinciale Staten centraal. Daarover is een regeling opgenomen in de reglementen van orde van Provinciale Staten. Ik vergelijk de regelingen van Zuid-Holland (1), Limburg (2) en Gelderland (3). Een volledige vergelijking was niet het doel.

Provinciale Staten Gelderland heeft 55 Statenleden, verdeeld over 11 fracties. Ook Zuid-Holland heeft 55 Statenleden, verdeeld over 12 fracties. Limburg heeft 47 Statenleden, ook verdeeld over 12 fracties. In Limburg wordt Provinciale Staten het Limburgs Parlement genoemd.

Voltallige vergadering Aan de voltallige of plenaire vergadering van Provinciale Staten nemen in beginsel alle Statenleden deel. De vergadering wordt op grond van de Provinciewet in het openbaar gehouden (4). Meestal wordt er elke maand een dag vergaderd. De commissaris van de Koning is voorzitter van Provinciale Staten (5).

Reglement van orde Provinciale Staten stellen op grond van de Provinciewet een reglement van orde vast voor hun voltallige vergaderingen (6).

Notulen verplichting? In Zuid-Holland en Limburg moeten notulen worden gemaakt van de vergaderingen. In Gelderland bestaat die verplichting niet.

Weergave Die notulen bevatten de woordelijke weergave van het gesprokene (Limburg) of van al hetgeen tijdens de vergadering is uitgesproken (Zuid-Holland). Daartussen lijkt mij weinig verschil. In Limburg moeten ook de namen van allen die tijdens de vergadering het woord voerden worden vermeld.

Stemmingen In Limburg moet de namen van de voor- en tegenstemmers alleen bij hoofdelijke stemming in de notulen worden vermeld. Ook in Zuid-Holland moet hun naam dan worden vermeld in de notulen. Bovendien bestaat in deze provincie bij een stemming met handopsteking de verplichting om de naam van de tegenstemmers te vermelden: dan moeten alle voor- of tegenstemmers worden vermeld die in de minderheid waren bij die stemming. In de regel wordt hier met handopsteking gestemd! Ook bestaat in deze provincie de verplichting om altijd een tegenstemmer te vermelden die daar expliciet om vraagt, ongeacht of hij bij de stemming tot de minderheid hoorde. Ook eventuele stemverklaringen moeten in Zuid-Holland in de notulen worden vermeld.

Besluiten Zowel in Zuid-Holland als in Limburg moeten de besluiten die zijn genomen in de notulen worden vermeld. In Gelderland – waar geen verplichting bestaat om notulen te maken – moet een besluitenlijst worden gemaakt. Besluitenlijsten moeten ook in Zuid-Holland en Limburg worden gemaakt.

Vaststellen notulen De notulen worden in Limburg en Zuid-Holland vastgesteld in een volgende vergadering van Provinciale Staten.

Vaststellen besluiten Vaststelling van de genomen besluiten gebeurt door de vaststelling van de notulen. De besluitenlijsten die in Limburg en Zuid-Holland worden gemaakt, worden niet vastgesteld in Provinciale Staten. In het reglement van orde wordt expliciet bepaald dat aan besluitenlijsten geen rechten kunnen worden ontleend. De Gelderse besluitenlijst wordt in de eerstvolgende vergadering van Provinciale Staten vastgesteld.

NOTEN

Noot 1: Reglement van Orde voor de vergaderingen van Provinciale Staten, de Statencommissies, het Fractievoorzittersoverleg en de Agendacommissie van de provincie Zuid-Holland, artikelen 44, 46, 48, 42 en 40. Artikel 44 luidt (gedeeltelijk):

De notulen vermelden:

D. De door de vergadering genomen besluiten;

E. De uitslag van de stemmingen, onder vermelding van:

de namen van de fracties, groepen en/of leden die aantekening hebben verzocht dat zij geacht wensen te worden tegen het voorstel te hebben gestemd;

de door de fracties, groepen en/of leden uitgesproken stemverklaringen;

de namen van de leden die bij hoofdelijke stemming voor, dan wel tegen hebben gestemd;

de namen van fracties, groepen en/of leden die bij stemming met handopsteking de minderheid van de stemmen vormden;

F.

Een woordelijke weergave van al hetgeen tijdens de vergadering is uitgesproken.

Artikel 46 Vaststelling notulen

De notulen worden door de zorg van de Statengriffier opgemaakt en aan de leden van Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten gezonden. Provinciale Staten stellen in een volgende vergadering de notulen vast.

Artikel 48 luidt (gedeeltelijk):

Lid 2.

De besluitenlijst vermeldt een overzicht van de beslissingen die Provinciale Staten op grond van de vastgestelde agenda van de Statenvergadering hebben genomen (..). Lid 4. Aan de besluitenlijst van Provinciale Staten kunnen geen rechten worden ontleend.

Artikel 32 luidt (gedeeltelijk): Lid 2. De in de vergaderzaal aanwezige leden kunnen aantekening vragen, dat zij geacht wensen te worden tegen het voorstel dan wel onderdelen daarvan te hebben gestemd.

Artikel 40 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Stemmen geschiedt bij handopsteken. Lid 3. Bij hoofdelijke stemming brengt ieder lid zijn stem uit met het woord “voor” of het woord “tegen” zonder enige bijvoeging.

Noot 2: Reglement van orde voor Provinciale Staten van Limburg 2016 artikel 27. Artikel 27 luidt (gedeeltelijk):

Artikel 27 Lid 3. De notulen moeten tenminste inhouden: c. een woordelijke weergave van het gesprokene met vermelding van de namen van aanwezigen die het woord voerden; d. een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de Statenleden die voor of tegen stemden (..); g. de tekst van de genomen besluiten. Lid 4. De conceptnotulen van de voorgaande vergadering worden zo spoedig mogelijk digitaal gepubliceerd op de provinciale website. Lid 7. Vooruitlopend op de conceptnotulen wordt onder de zorg van de griffier een besluitenlijst opgesteld (..). Aan de besluitenlijst kunnen geen rechten ontleend worden. De door Provinciale Staten vastgestelde notulen bevatten de formele besluitvorming en de tijdens de vergadering gedane toezeggingen.

Noot 3: Rectificatie Besluit van Provinciale Staten van de provincie Gelderland houdende regels omtrent het reglement van orde Reglement van Orde provinciale Staten van Gelderland 2017, artikel 31. Artikel 31 luidt (gedeeltelijk):

Lid 1. Provinciale Staten stellen de besluitenlijst in de eerstvolgende vergadering vast.

Lid 2. De besluitenlijst bevat de besluiten die in de vergadering zijn genomen (..).

Noot 4: Artikel 23 lid 1 Provinciewet: De vergadering van provinciale staten wordt in het openbaar gehouden.

Noot 5: Artikel 9 Provinciewet: De commissaris van de Koning is voorzitter van provinciale staten.

Noot 6: Artikel 16 Provinciewet: Provinciale staten stellen een reglement van orde voor hun vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

Amendementsrecht provinciale staten vergeleken

VRIJDAG 3 AUGUSTUS 2018. In deze bijdrage staat het amendement in de voltallige vergadering van Provinciale Staten centraal. Daarover is een regeling opgenomen in de reglementen van orde van Provinciale Staten. Ik vergelijk de regelingen van Zuid-Holland (1), Friesland (2) en Gelderland (3).

Provinciale Staten Gelderland heeft 55 Statenleden, verdeeld over 11 fracties. Ook Zuid-Holland heeft 55 Statenleden, verdeeld over 12 fracties. Friesland heeft 43 Statenleden, verdeeld over 13 fracties.

Voltallige vergadering Aan de voltallige of plenaire vergadering van Provinciale Staten nemen in beginsel alle Statenleden deel. De vergadering wordt op grond van de Provinciewet in het openbaar gehouden (4). Meestal wordt er elke maand een dag vergaderd. De commissaris van de Koning is voorzitter van provinciale staten (5).

Reglement van orde Provinciale Staten stellen op grond van de Provinciewet een reglement van orde vast voor hun voltallige vergaderingen (6).

Definitie amendement In Gelderland is het niet gedefinieerd. De omschrijving van Zuid-Holland is: voorstel tot wijziging van een ontwerpbesluit naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen. Die van Friesland luidt: een op schrift gesteld voorstel tot wijziging van een aanhangig voorstel, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen. Ik ga ervan uit dat ontwerpbesluit en aanhangig voorstel op hetzelfde neerkomt; hieronder spreek ik steeds van ontwerpbesluit.

(Ontwerp)besluit Het ontwerpbesluit is meestal afkomstig van gedeputeerde staten. Echter: het zijn Provinciale Staten die het besluit al dan niet nemen.

Recht of gunst Indiening, behandeling en stemming over een amendement is in alle drie provincies een recht.

Recht van individueel Statenlid Het is in alle drie provincies een recht van het individueel Statenlid.

Toelichting? In Zuid-Holland moet het amendement zijn voorzien van een schriftelijke toelichting, al mag die toelichting beknopt zijn. Ook Friesland eist een toelichting, maar die hoeft niet schriftelijk te zijn. In Gelderland is een toelichting niet nodig.

Ondertekening? In Zuid-Holland moet het amendement zijn ondertekend door de indiener en door de andere Statenleden die het steunen. In Friesland kan worden volstaan met ondertekening door een Statenlid; praktisch gesproken zal dat de indiener zijn. In Gelderland is ondertekening niet nodig.

Mondeling amendement? Friesland en Zuid-Holland sluiten een mondeling amendement uit. Gelderland doet dat niet: de voorzitter mag een mondeling amendement toelaten als het om een eenvoudig amendement gaat.

Indiening vanaf wanneer? In Zuid-Holland is dat vanaf het moment dat het te amenderen ontwerpbesluit aan de Statenleden wordt kenbaar gemaakt. In Friesland is dat vanaf het moment waarop het agendapunt van het ontwerpbesluit behandeld wordt in de voltallige vergadering van provinciale staten. Gelderland heeft hierover geen regeling. Het moment waarop een ontwerpbesluit wordt kenbaar gemaakt gaat weliswaar vooraf aan het moment waarop het agendapunt behandeld wordt, maar het lijkt me niet erg praktisch om een amendement in te dienen voorafgaand aan de behandeling van het agendapunt.

Behandeling amendement Gelderland eist dat de indiener aanwezig is bij de behandeling van zijn amendement. Zuid-Holland en Friesland bevatten hierover geen regeling. De Gelderse eis zal ook samenhangen met wat hierboven bij ondertekening en toelichting is geschreven. Gelderland eist bovendien dat de indiener de presentielijst heeft getekend. Het praktisch nut van deze extra eis zie ik niet direct.

Indiening tot wanneer In Zuid-Holland is indiening mogelijk zolang het ontwerpbesluit aan de orde is. In Gelderland en Friesland kan het zolang over het ontwerpbesluit wordt beraadslaagd. Praktisch komt dat volgens mij op hetzelfde neer.

Intrekking of wijziging? De indiener in Zuid-Holland en Gelderland heeft de expliciete bevoegdheid om zijn amendement in te trekken zolang er nog over wordt beraadslaagd (Zuid-Holland) of er nog geen besluit over is genomen (Gelderland). In Friesland ontbreekt zo’n bevoegdheid, althans een expliciete. In Zuid-Holland heeft hij ook de expliciete bevoegdheid om zijn amendement te wijzigen. Er staat niet bij tot wanneer dat mag.

NOTEN

Noot 1:Reglement van Orde voor de vergaderingen van Provinciale Staten, de Statencommissies, het Fractievoorzittersoverleg en de Agendacommissie van de provincie Zuid-Holland, artikel 55 en 56. Artikel 55:

Lid 1. Ieder lid is bevoegd om amendementen in een aan de orde zijnde voorstel voor te stellen. Een amendement kan worden ingediend vanaf het moment dat een voorstel aan de leden kenbaar is gemaakt. Lid 2 Elk amendement wordt schriftelijk bij de voorzitter ingediend, is van een beknopte toelichting voorzien en is ondertekend door de indiener en de leden die het amendement ondersteunen. Als indiener wordt aangemerkt, het lid dat het amendement als eerste heeft ondertekend. Lid 3. De beraadslaging over amendementen heeft gelijktijdig plaats met die over het voorstel waarop zij betrekking hebben. Lid 4. Een ingediend amendement wordt zo spoedig mogelijk vermenigvuldigd en ter vergadering rondgedeeld. Ten aanzien van een tijdens de beraadslagingen ingediend amendement kan de vergadering besluiten dat met voorlezing wordt volstaan. Lid 5. De indiener van een amendement kan daarin wijzigingen aanbrengen. Lid 6. De indiener kan zijn amendement intrekken, doch indien de beraadslaging gesloten is alleen met toestemming van de Staten.

Artikel 56: Lid 1. De vergadering kan op voorstel van de voorzitter of op verzoek van een in de vergadering aanwezig lid een amendement ontoelaatbaar verklaren, indien het een strekking heeft, tegengesteld aan die van het in behandeling zijnde voorstel, of indien er tussen de inhoud van het amendement en die van het voorstel geen rechtstreeks verband bestaat. Lid 2. Een amendement is toelaatbaar zolang de vergadering het niet ontoelaatbaar heeft verklaard.

Noot 2: Besluit van Provinciale Staten van de provincie Fryslân houdende regeles omtrent vergaderingen Reglement van orde voor de vergaderingen van provinciale staten Fryslân 2017. Artikel 28:

Lid 1. Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd tijdens de beraadslagingen een amendement voor te stellen op het aanhangig voorstel. Lid 2. Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd tijdens de beraadslagingen een sub-amendement voor te stellen op een ingevolge het eerste lid ingediend amendement. Lid 3. Een (sub) amendement wordt in tweevoud ingediend bij de voorzitter. Het kan niet eerder worden ingediend dan op het moment waarop het agendapunt waarop het betrekking heeft aan de orde wordt gesteld. De indiening kan plaatsvinden zolang de beraadslaging over het onderwerp niet is gesloten. Lid 4. Een (sub)amendement dient te worden ondertekend door een lid van provinciale staten. Lid 5. Een amendement is ontoelaatbaar indien het een strekking heeft, tegengesteld aan die van het voorstel of indien er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het voorstel en het amendement. Een amendement wordt toelaatbaar geacht zolang provinciale staten het niet ontoelaatbaar hebben verklaard. Een daartoe strekkend voorstel kan worden gedaan hetzij door de voorzitter, hetzij door de leden. Lid 6. De ingediende amendementen en subamendementen maken deel uit van de beraadslaging. Zij worden door de indiener toegelicht. Lid 7. De indiener van een amendement is te allen tijde bevoegd het amendement te wijzigen of in te trekken, tenzij daarover besluitvorming heeft plaatsgevonden.

Noot 3:Rectificatie Besluit van Provinciale Staten van de provincie Gelderland houdende regels omtrent het reglement van orde Reglement van Orde provinciale Staten van Gelderland 2017.Artikel 32:

Lid 1. Ieder lid van Provinciale Staten kan tot het sluiten van de beraadslaging amendementen en subamendementen indienen. Een amendement kan het voorstel inhouden om een ontwerpbesluit in een of meer onderdelen te splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Lid 2. Provinciale Staten beraadslagen alleen over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door leden van Provinciale Staten die de presentielijst getekend hebben en in de vergadering aanwezig zijn. Lid 3. Elk amendement en subamendement moet schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter – met het oog op het eenvoudige karakter van het voorstel – oordeelt dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan. Lid 4. De indiener kan een amendement of subamendement intrekken tot het moment dat de besluitvorming door Provinciale Staten plaatsvindt.

Noot 4: Artikel 23 lid 1 Provinciewet: De vergadering van provinciale staten wordt in het openbaar gehouden.

Noot 5: Artikel 9 Provinciewet: De commissaris van de Koning is voorzitter van provinciale staten.

Noot 6: Artikel 16 Provinciewet: Provinciale staten stellen een reglement van orde voor hun vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

Interrumperen vergeleken

DONDERDAG 6 JULI 2018. In deze bijdrage staat de interruptie in de (voltallige) vergadering van Provinciale Staten centraal, kort gezegd: het storen van een Statenlid in zijn rede/betoog door een ander Statenlid. Daarover is een regeling opgenomen in de reglementen van orde van Provinciale Staten. Ik vergelijk de regelingen van Zuid-Holland (1), Noord-Brabant (2) en Gelderland (3).

Politieke verhoudingen Noord-Brabant heeft 55 Statenleden: VVD (10), CDA (9), SP (9), PVV (7), D66 (6), PvdA (4), GroenLinks (4), Partij voor de Dieren (2), 50PLUS (2), ChristenUnie- SGP (1) en Lokaal Brabant (1). Ook Gelderland heeft 55 Statenleden: VVD (9), CDA (9), D66 (7), SP (6), PvdA (6), PVV (4), ChristenUnie (3), GroenLinks (3), Partij voor de Dieren (2), 50PLUS (1) en Groep Poortinga (1). Net als Zuid-Holland: VVD (10), PVV (7), D66 (7), CDA (6), SGP-ChristenUnie (6), PvdA (5), SP (5), GroenLinks (3), 50PLUS (2) en Partij voor de Dieren (2), Groep Ellen Verkoelen (1) en Groep Leefbaar Zuid-Holland (1).

Voltallige vergadering Aan de voltallige of plenaire vergadering van Provinciale Staten nemen in beginsel alle Statenleden deel. De vergadering wordt op grond van de Provinciewet in het openbaar gehouden (4). Meestal wordt er elke maand een dag vergaderd. De commissaris van de Koning is voorzitter van provinciale staten (5).

Reglement van orde Provinciale Staten stellen op grond van de Provinciewet een reglement van orde vast voor hun voltallige vergaderingen (6).

Recht of gunst? Zuid-Holland en Noord-Brabant omschrijven de interruptie expliciet als een gunst van de voorzitter; in Gelderland gebeurt dit niet, en zou men er ook een recht in kunnen lezen.

Inhoud? Zuid-Holland en Gelderland geven geen verdere omschrijving van een interruptie. Noord-Brabant doet dat wel: een interruptie bestaat uit (korte) opmerkingen of vragen zonder inleiding.

Aparte plek? Zuid-Holland en Gelderland schrijven voor dat interrupties (in beginsel) vanaf een aparte plek in de vergaderzaal gebeuren (de interruptiebalie). Noord-Brabant doet dat niet.

Lengte? Zuid-Holland schrijft voor dat de interruptie kort is. Noord-Brabant schrijft voor dat de interruptie bestaat uit korte opmerkingen of vragen zonder inleiding en dat op een vraag hooguit één korte vervolgvraag wordt gesteld. Het reglement van Gelderland bevat daarover geen regeling.

Maximum aantal? In Gelderland en Noord-Brabant roept de voorzitter bij herhaalde interrupties van een spreker degene die interrumpeert tot de orde. Wie geen gevolg geeft aan die oproep, kan over het aanhangige onderwerp het woord in die vergadering worden ontnomen. Het reglement van Zuid-Holland bevat daarover geen regeling.

Verbod? Noord-Brabant en Gelderland schrijven dat de voorzitter na de eerste interruptie verdere interrupties bij de (geïnterrumpeerde) spreker mag verbieden. Het reglement van Zuid-Holland bevat daarover geen regeling.

NOTEN

Noot 1:Reglement van Orde voor de vergaderingen van Provinciale Staten, de Statencommissies, het Fractievoorzittersoverleg en de Agendacommissie van de provincie Zuid-Holland.

Artikel 21 Interrupties

1. De spreker mag in zijn rede niet worden gestoord, tenzij de voorzitter hem aan het opvolgen van dit reglement moet herinneren, of hem wil verzoeken met spreken op te houden in verband met het verstrijken van de gestelde maximumduur van de spreektijd.

2. De voorzitter kan de leden de gelegenheid geven tot het plaatsen van korte interrupties.

3. In afwijking van het bepaalde in artikel 18, worden interrupties geplaatst via de daarvoor bestemde microfoons op de interruptiebalie, tenzij de voorzitter interrupties vanaf een andere plaats toestaat.

Artikel 18 Spreekplaats

De leden voeren het woord vanaf het spreekgestoelte, behoudens toestemming van de voorzitter om dit vanaf een andere plaats te doen.

Artikel 23 Aantal malen van spreken

1. De beraadslaging geschiedt in twee termijnen.

2. Een spreker mag in een spreektermijn niet meer dan eenmaal het woord voeren over hetzelfde voorstel, interrupties, voorstellen van orde, woordvoeringen over persoonlijke feiten en verzoeken als bedoeld in artikel 29 daaronder niet begrepen.

3. De voorzitter kan afwijking toestaan van het bepaalde in het eerste en tweede lid.

4. In bijzondere omstandigheden kan de voorzitter toestaan dat de inbreng in eerste termijn van Provinciale Staten of Gedeputeerde Staten niet mondeling, doch schriftelijk plaatsvindt.

5. Het tweede lid van dit artikel is niet van toepassing op de indiener van een voorstel, een amendement of een motie, of op het lid van Gedeputeerde Staten dat met de verdediging van een voorstel van het college belast is.

Noot 2:Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels voor Provinciale Staten (Reglement van orde Provinciale Staten Noord-Brabant 2017)

Artikel 23 Volgorde sprekers

1. De voorzitter verleent het woord aan Statenleden op volgorde van fractiegrootte, te beginnen met de grootste fractie.

2. Een spreker richt het woord tot de voorzitter.

3. De spreekvolgorde kan worden doorbroken wanneer een Statenlid het woord vraagt over:

a. een persoonlijk feit, nadat een aanduiding van dat feit is gegeven;

b. de orde van de vergadering.

4.De beoordeling of sprake is van een persoonlijk feit, is voorbehouden aan de voorzitter.

5. De voorzitter kan interrupties toelaten.

6. Interrupties dienen te bestaan uit korte opmerkingen of vragen zonder inleiding.

7. Op een vraag als bedoeld in het vorige lid, kan maximaal één korte vervolgvraag worden gesteld.

8. De voorzitter of Provinciale Staten kunnen de griffier uitnodigen in de vergadering het woord te voeren.

Artikel 25 Handhaving vergaderorde, schorsing

1. Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij:

a. de voorzitter het nodig acht hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren;

b. een Statenlid hem interrumpeert.

2. De voorzitter kan in een geval als bedoeld in het eerste lid, onder b, bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden.

3. Indien een spreker zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, zijn plicht tot geheimhouding schendt, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen.

4. Indien de spreker geen gevolg geeft aan de oproep, bedoeld in het vorige lid, kan de voorzitter hem gedurende de desbetreffende vergadering over het aanhangige onderwerp het woord ontnemen.

5. De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen tijd.

Noot 3:Rectificatie Besluit van Provinciale Staten van de provincie Gelderland houdende regels omtrent het reglement van orde Reglement van Orde provinciale Staten van Gelderland 2017.

Artikel 24. Handhaving van de orde

1. Een spreker wordt in zijn betoog niet gestoord, tenzij:

a. de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren;

b. een lid hem interrumpeert via de daartoe bestemde microfoons. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden.

2. Indien een spreker zich op een beledigende of onbetamelijke wijze uitdrukt, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, roept de voorzitter hem tot de orde. Indien de spreker hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering, over het betreffende onderwerp het woord ontzeggen.

3. De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen. Wanneer na de heropening van de vergadering de orde opnieuw wordt verstoord, kan hij de vergadering sluiten.

Noot 4: Artikel 23 lid 1 Provinciewet: De vergadering van provinciale staten wordt in het openbaar gehouden.

Noot 5: Artikel 9 Provinciewet: De commissaris van de Koning is voorzitter van provinciale staten.

Noot 6: Artikel 16 Provinciewet: Provinciale staten stellen een reglement van orde voor hun vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

Inspreekrecht in Zuid-Holland en Gelderland vergeleken

VRIJDAG 22 JUNI 2018. In deze bijdrage staat het inspreken bij een Statencommissie centraal: de mogelijkheid van burgers en andere toehoorders om het woord te voeren op een vergadering van een Statencommissie. Daarover is een regeling opgenomen in het reglement van orde van provinciale staten. Ik vergelijk de regelingen van Zuid-Holland en Gelderland.

Politieke verhoudingen Gelderland heeft 55 Statenleden: VVD (9), CDA (9), D66 (7), SP (6), PvdA (6), PVV (4), ChristenUnie (3), GroenLinks (3), Partij voor de Dieren (2), 50PLUS (1) en Groep Poortinga (1). Ook Zuid-Holland heeft er 55: VVD (10), PVV (7), D66 (7), CDA (6), SGP-ChristenUnie (6), PvdA (5), SP (5), GroenLinks (3), , 50PLUS (2) en Partij voor de Dieren (2), Groep Ellen Verkoelen (1) en Groep Leefbaar Zuid-Holland (1).

Statencommissies. Statencommissies worden op grond van de Provinciewet ingesteld door provinciale staten. Zij bereiden de besluitvorming van provinciale staten voor. Voorzitter is altijd een Statenlid; ook de meeste commissieleden zijn Statenleden; gedeputeerden en commissaris mogen geen lid zijn (1). Meestal wordt er eens per maand vergaderd. Voorbeeld van een Zuid-Hollandse Statencommissie is Verkeer en Milieu. Voorbeeld van een Gelderse Statencommissie is Ruimtelijke Ordening, Landelijk Gebied en Wonen.

Reglement van orde Provinciale Staten stellen op grond van de Provinciewet een reglement van orde vast voor de vergaderingen van onder andere de Statencommissies (2).

De overeenkomsten In zowel de Zuid-Hollandse als de Gelderse regeling is het inspreken een recht. In beide regelingen is er geen recht om in te spreken over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen. Elke inspreker krijgt 5 minuten, tenzij er meer dan zes sprekers zijn; in dat geval is de totale spreektijd nooit langer dan een half uur en daartoe wordt de individuele spreektijd evenredig ingekort (3).

De grote verschillen In Zuid-Holland is er alleen inspreekrecht over agendapunten; in Gelderland is er ook inspreekrecht over andere onderwerpen, mits ze tot het werkterrein van de Statencommissie behoren. In Zuid-Holland is er ook geen inspreekrecht over regeling van werkzaamheden, vaststelling van besluiten en verslagen en onderwerpen die achter gesloten deuren worden behandeld; in Gelderland is dat er wel. In Zuid-Holland beslist de voorzitter van de Statencommissie over het moment van inspreken; in Gelderland beslist de inspreker daar zelf over, tenminste als hij wil inspreken over een agendapunt (3).

De kleine verschillen In zowel Zuid-Holland als Gelderland is er geen inspreekrecht over besluiten waartegen een gerechtelijke procedure loopt. In Zuid-Holland ook niet over besluiten waartegen een gerechtelijke procedure heeft gelopen en waartegen bezwaar loopt of heeft gelopen. In zowel Zuid-Holland als Gelderland is er geen inspreekrecht over een gedraging waarover nog een officiële klacht kan worden ingediend; in Gelderland evenmin als zo’n klacht ooit kon worden ingediend (3).

Conclusie Gelderland heeft volgens het reglement van orde per saldo een ruimer inspreekrecht in vergaderingen van Statencommissies dan Zuid-Holland.

NOTEN

1: Artikel 80 Provinciewet luidt (gedeeltelijk): Provinciale staten kunnen statencommissies instellen die besluitvorming van provinciale staten kunnen voorbereiden en met gedeputeerde staten of de commissaris kunnen overleggen. Zij regelen daarbij de taken, de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze, daaronder begrepen de wijze waarop de leden van provinciale staten inzage hebben in stukken waaromtrent door de commissie geheimhouding is opgelegd. Deze inzage kan slechts worden geweigerd voor zover zij in strijd is met het openbaar belang. De commissaris en de gedeputeerden zijn geen lid van een statencommissie. Bij de samenstelling van een statencommissie zorgen provinciale staten, voor zover het de benoeming betreft van leden van provinciale staten, voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in provinciale staten vertegenwoordigde groeperingen. Een lid van provinciale staten is voorzitter van een statencommissie. Zie ook De commissies van de provincie Zuid-Holland

2:Artikel 16 Provinciewet luidt: Provinciale staten stellen een reglement van orde voor hun vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

3: Gelderland Reglement van Orde Provinciale Staten van Gelderland 2017. Hoofdstuk 8 De statencommissies. Artikel 52. Spreekrecht burgers. Lid 1. In iedere vergadering hebben burgers het recht de commissie toe te spreken. Lid 2. Een burger die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit uiterlijk om 12.00 uur op de maandag onmiddellijk voorafgaand aan de vergadering bij de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, contactgegevens en het onderwerp, waarover hij het woord wil voeren. Lid 3. Een burger kan niet het woord voeren over: a. een besluit van het provinciebestuur waartegen een gerechtelijke procedure loopt; b. benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; c. een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend; d. onderwerpen die niet tot het werkterrein van de commissie behoren. Lid 4. De spreektijd bedraagt voor alle sprekers tezamen maximaal dertig minuten. Lid 5. Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De commissievoorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als er meer dan zes sprekers zijn. De commissievoorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd. Lid 6. Indien een burger het woord wil voeren over een geagendeerd onderwerp, kan hij dit naar eigen keuze doen bij de aanvang van de vergadering of op het moment van behandeling van het onderwerp. Lid 7. De spreker voert het woord nadat de commissievoorzitter hem dit heeft verleend. De commissievoorzitter of een lid kan een voorstel doen voor de behandeling van de door een burger geleverde inbreng.

Reglement van Orde voor de vergaderingen van Provinciale Staten van Zuid-Holland, e.a. (2017) Titel III Commissies uit Provinciale Staten. Artikel 79 Spreekrecht voor derden. Lid 1. De commissievoorzitter stelt toehoorders bij een vergadering van een Statencommissie op hun verzoek in de gelegenheid A tijdens de vergadering het woord te voeren over een onderwerp dat op de agenda staat. Lid 2. Spreekrecht als bedoeld in het eerste lid wordt niet verleend ten behoeve van: a. een besluit van het Provinciebestuur waartegen bezwaar en beroep openstaat of heeft opengestaan; b. benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; c. een gedraging waarover een klacht als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden ingediend; d. de volgende (eventueel) op de agenda geplaatste agendapunten: regeling van werkzaamheden; de vaststelling van besluitenlijsten en verslagen en dergelijke, voor zover niet betrekking hebbend op een weergave van wat door of namens de inspreker zelf is gezegd. e. onderwerpen die door de commissie achter gesloten deuren worden behandeld. Lid 3. Toehoorders die tijdens een commissievergadering het woord willen voeren, dienen daartoe uiterlijk achtenveertig uur voor aanvang van de desbetreffende vergadering een verzoek in te dienen bij de commissiegriffier van de Statencommissie, zulks onder vermelding van het agendapunt waarover men het woord wenst te voeren. Lid 4. Indien men het woord wenst te voeren over een onderwerp dat minder dan achtenveertig uur voor aanvang van een vergadering op de agenda van die vergadering is geplaatst, dient het in het derde lid bedoelde verzoek te worden gedaan terstond nadat men van de agendering van het betreffende agendapunt kennis heeft gekregen, doch uiterlijk op het moment waarop de vergadering wordt geopend. Lid 4 (?). Degene die het woord wenst te voeren krijgt daartoe de gelegenheid in de vergadering op voorstel van de voorzitter: a. tijdens de procedurevergadering; b. bij aanvang van alle bespreekpunten; of c. bij aanvang van het bespreekpunt waarover men het woord wil voeren. Lid 5 (?). Voor elk van de toehoorders die in de gelegenheid worden gesteld het woord te voeren, geldt een spreektijd van ten hoogste 5 minuten per agendapunt, met dien verstande dat de totale spreektijd voor toehoorders per vergadering niet meer dan 30 minuten bedraagt. Indien er meer toehoorders het woord wensen te voeren dan de maximale spreektijden toestaan, wordt de maximale spreektijd evenredig over de sprekers verdeeld. Lid 5 (?). De commissievoorzitter kan in bijzondere gevallen afwijking van het bepaalde in dit artikel toestaan.

Machtiging, mandaat en Binnenland van Rhoon

DINSDAG 12 JUNI 2018. De provincie Zuid-Holland heeft met de gemeente Albrandswaard een overeenkomst gesloten over samenwerking bij de ontwikkeling en inrichting van het gebied Binnenland van Rhoon. Het gebied gaat de toegangspoort naar het Buijtenland van Rhoon worden. Het wordt een ”stadslandgoed” met een recreatief transferium en een doorgetrokken Groene Verbinding (dat is een fietsverbinding) (1). De overeenkomst is namens de provincie ondertekend door gedeputeerde Weber.

Bevoegdheden Het besluit om deze overeenkomst aan te gaan is bij de provincie genomen door (het college van) Gedeputeerde Staten (2). Dat is het besluit om de overeenkomst aan te gaan. Dat is iets anders dan het daadwerkelijk aangaan of sluiten van de overeenkomst. Dat gebeurt daarna door plaatsing van de handtekeningen. Gedeputeerde Staten is niet bevoegd om de overeenkomst aan te gaan. In de toelichting op zijn besluit schrijft het college van Gedeputeerde Staten dat daartoe uitsluitend de commissaris van de Koning bevoegd is. De toelichting verwijst hierbij naar artikel 176 van de Provinciewet (3).

Ondertekeningsbevoegdheid Artikel 176 lid 1 van de Provinciewet luidt: ”De commissaris vertegenwoordigt de provincie in en buiten rechte.” Het daadwerkelijk aangaan van een overeenkomst is een handeling waarbij de commissaris de provincie buiten rechte vertegenwoordigt. De vertegenwoordigingshandeling die de commissaris hier verricht, is het plaatsen van zijn handtekening. Die handtekening van de commissaris is de handeling waardoor de provincie de overeenkomst aangaat. Hij gaat de overeenkomst aan namens de provincie.

Machtiging Bij de overeenkomst die de provincie met de gemeente Albrandswaard is aangegaan, is het echter niet de handtekening van de commissaris die eronder staat. In plaats daarvan staat hier de handtekening van gedeputeerde Weber. Dat is hier geoorloofd, omdat de commissaris hem daartoe heeft gemachtigd (4).

Machtiging: eerste kanttekening Namens wie handelt de gedeputeerde bij de ondertekening van de overeenkomst? In de machtiging staat dat de commissaris de gedeputeerde machtigt om namens de provincie de overeenkomst te ondertekenen. Maar is dat wel helemaal juist? Enerzijds is juist dat het rechtsgevolg van de ondertekening door de gedeputeerde is dat de overeenkomst namens de provincie is aangegaan. De provincie is daardoor gebonden aan de overeenkomst. Anderzijds is niet juist dat de commissaris de gedeputeerde machtigt om namens de provincie te tekenen. De commissaris kan de gedeputeerde alleen maar machtigen om namens hem te ondertekenen. Mijn conclusie is dan ook dat de machtiging in zoverre onjuist is geformuleerd.

Machtiging: tweede kanttekening Desondanks is de provincie gebonden aan de overeenkomst. Heeft de eerste kanttekening van mij dan nog enig nut? Ja, ik denk het wel. De commissaris is hier namelijk een bestuursorgaan. De provincie is dat niet. De machtiging van de commissaris is daarom (ook) verlening van een mandaat. In de Algemene wet bestuursrecht is voor mandaat een wettelijke regeling neergelegd. Een mandaat is daarin de bevoegdheid om namens een bestuursorgaan een besluit te nemen (5). Prof.mr.S.E. Zijlstra zal het niet met mij eens zijn: volgens hem gaat het hier – bij vertegenwoordiging buiten rechte – niet om het nemen van besluiten maar om het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, en daarom juist niet (ook) om verlening van mandaat (6).

Gedeputeerde Weber is hier de gemandateerde; de commissaris is hier de mandaatgever. Een gedeputeerde (en trouwens ook de commissaris) werkt onder verantwoordelijkheid van het college van gedeputeerde staten, waarvan de commissaris weliswaar voorzitter maar niet de baas is. Een gemandateerde kan op grond van de Algemene wet bestuursrecht instemming nodig hebben van degene onder wiens verantwoordelijkheid hij werkt, als diegene niet de mandaatgever zelf is. Artikel 10:4 eerste lid van die wet luidt namelijk: ”Indien de gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever, behoeft de mandaatverlening de instemming van de gemandateerde en in het voorkomende geval van degene onder wiens verantwoordelijkheid hij werkt.”

Het college van Gedeputeerde Staten lijkt die instemming hier te hebben gegeven aan gedeputeerde Weber. In de Toelichting op zijn besluit schrijft het college namelijk: ”GS machtigt gedeputeerde Weber om de bestuursovereenkomst te ondertekenen.” (7).

Machtiging: derde kanttekening Echter, in dit geval is de instemming van het college van Gedeputeerde Staten niet nodig. Hetzelfde artikel 10:4 maar dan het tweede lid van de wet luidt namelijk: ”Het eerste lid is niet van toepassing indien bij wettelijk voorschrift in de bevoegdheid tot de mandaatverlening is voorzien.” In zo’n wettelijk voorschrift is hier inderdaad voorzien. Dat is artikel 176 lid 2 van de Provinciewet. Dit artikel luidt namelijk: ”Lid 1. De commissaris vertegenwoordigt de provincie in en buiten rechte. Lid 2. De commissaris kan de in het eerste lid bedoelde vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.”

NOTEN

1.Zie artikelen 1 en 3 en Bijlage 2 van Bestuursovereenkomst PZH Albrandswaard, vindplaats: https://www.zuid-holland.nl/@20773/bestuursovereenkomst/).

2.Zie onder nummer 1 van GS-voorstel – Bestuursovereenkomst Binnenland van Rhoon, vindplaats: https://www.zuid-holland.nl/@20773/bestuursovereenkomst/).

3.Zie onder Juridisch Kader van de Toelichting door het college, bij het GS-voorstel – Bestuursovereenkomst Binnenland van Rhoon, vindplaats: https://www.zuid-holland.nl/@20773/bestuursovereenkomst/).

4.Zie de machtiging, vindplaats: https://www.zuid-holland.nl/@20773/bestuursovereenkomst/).

5.Zie artikel 10:1 Algemene wet bestuursrecht: Onder mandaat wordt verstaan: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen.

6.Zie S.E. Zijlstra, Bestuurlijk organisatierecht, Deventer: Kluwer, 2009, bladzijde 252

7.Zie onder Juridisch Kader van de Toelichting door het college, bij het GS-voorstel – Bestuursovereenkomst Binnenland van Rhoon, vindplaats: https://www.zuid-holland.nl/@20773/bestuursovereenkomst/).

Ambtelijke fusies in Zuid-Holland

DONDERDAG 17 MEI 2018. De Statencommissie Bestuur en Middelen heeft in februari vergaderd over ambtelijke fusies tussen gemeenten (1). Aanleiding was het rapport dat organisatieadviesbureau Berenschot in opdracht van de provincie in januari had uitgebracht: ”Een vlucht naar voren of een duurzaam perspectief? De effecten, kansen en risico’s van ambtelijke fusies in kaart gebracht.”

Ambtelijke fusie De (klassieke) ambtelijke fusie is een fusie tussen ambtenarenapparaten. De ambtelijke fusie tussen twee (of meer) gemeenten is dan de fusie tussen hun ambtenarenapparaten. Het rapport definieert het als volgt (2): ”de samenwerking waarbij twee of meer gemeenten hun ambtelijke organisatie onderbrengen in één gemeenschappelijke entiteit met een eigen directie, die vervolgens de beleidsvoorbereiding, -uitvoering en ondersteuning verzorgt voor de deelnemende gemeenten.” .

Twee voorbeelden Voorbeelden van Zuid-Hollandse gemeenten die hun ambtenarenapparaten hebben gefuseerd zijn Barendrecht/Albrandswaard/Ridderkerk en Voorschoten/Wassenaar (3).

Andere samenwerkingsvormen De ambtelijke fusie is dus een vergaande vorm van gemeentelijke samenwerking. Samenwerking kan ook minder ver gaan. Het rapport (4) geeft als voorbeelden informele samenwerking (tussen ambtenaren) en afstemming (tussen ambtenaren). Samenwerking die verder gaat dan de ambtelijke fusie is de gemeentelijke fusie: de gemeentelijke herindeling.

Zelfstandige organisatie De gemeenten hebben na hun ambtelijke fusie geen eigen ambtenarenapparaat meer. Er is nu een gezamenlijk ambtenarenapparaat. Bovendien is dat ondergebracht in een zelfstandige organisatie (5). Deze zelfstandige en gemeenschappelijke ambtenarenorganisatie kan twee juridische vormen aannemen: een openbaar lichaam of een bedrijfsvoeringsorganisatie. De gemeenten maken gezamenlijk de keuze voor een juridische vorm. Beide vormen zijn geregeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen. In beide gevallen is de organisatie een rechtspersoon (6). Bovengenoemde Zuid-Hollandse gemeenten hebben trouwens gekozen voor het openbaar lichaam (7).

Openbaar lichaam Het zijn de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die het openbaar lichaam hebben ingesteld (8), na instemming van de gemeenteraden (9). Een openbaar lichaam heeft een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter (10). Bestuursleden zijn wethouders en/of burgemeesters. Elk college kiest uit zijn midden een of meer bestuursleden voor het algemeen bestuur, tenzij anders is afgesproken (11). Het algemeen bestuur kiest in beginsel uit zijn midden het dagelijks bestuur en de voorzitter (12). De bedrijfsvoeringsorganisatie heeft alleen een algemeen bestuur (13). Een wethouder of burgemeester kan geen bestuurslid blijven zodra hij wethouder of burgemeester af is (14).

Invloed van het gemeentebestuur Op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen moet de wethouder en/of burgemeester die bestuurslid is, zich verantwoorden aan zijn gemeenteraad. Hij moet ook de inlichtingen verstrekken die een individueel raadslid uit zijn gemeente vraagt. Het college kan hem eventueel ontslaan.(15). Ook in de gemeente die geen eigen wethouder of burgemeester in het bestuur heeft, heeft de raad volgens deze wet er recht op dat aan haar verantwoording wordt afgelegd en de gevraagde inlichtingen worden verschaft (16). Bij de instelling van de zelfstandige en gemeenschappelijke ambtenarenorganisatie moeten de colleges afspraken maken over wijze waarop een bestuurslid verantwoording en inlichtingen moet verschaffen aan de gemeenteraad (17).

Provinciale rol bij kwaliteit gemeentebesturen Het rapport van Berenschot schrijft over deze rol: ”De provincie heeft een systeemverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het lokaal bestuur. Deze verantwoordelijkheid houdt verband met zowel publieke waarde (maken gemeenten hun taken waar), de legitimiteit (is de democratische rechtstaat geborgd) als besturing en organisatie (kunnen gemeenten het aan, onder financiële randvoorwaarden).” (18) Ik beperk me hier tot de provinciale verantwoordelijkheid voor de legitimiteit: de borging van de democratische rechtsstaat. Daarvoor is in elk geval nodig (19) dat de zelfstandige en gemeenschappelijke ambtenarenorganisatie ”bereid en in staat is om meerdere heren te dienen”. Alleen dan wordt ”adequate uitvoering van lokale beslissingen” mogelijk. Er moeten daarom ”voldoende mechanismen zijn voor sturing, controle en verantwoording” door elk college en elke raad afzonderlijk. Met andere woorden: er moet voldoende invloed van de afzonderlijke gemeentebesturen op het ambtenarenapparaat blijven. Daaraan kan volgens mij een bijdrage worden geleverd door het maken van goede afspraken over de wijze waarop een bestuurslid van de ambtenarenorganisatie verantwoording en inlichtingen moet geven aan een gemeenteraad.

Bespreking in Statencommissie De Statencommissie Bestuur en Middelen heeft in februari over dit rapport gesproken (20). Weliswaar werd daarin ook de rol van de gemeentebesturen genoemd, maar zonder een (mogelijke) invulling van hun rol te geven. Een mogelijke invulling is het volgende. De provincie zou ”regels” kunnen opstellen voor het maken van goede afspraken over de wijze waarop een bestuurslid van de ambtenarenorganisatie verantwoording en inlichtingen moet geven aan een gemeenteraad. Fracties zouden daarover ideeën kunnen opperen. Dat is bij mijn weten in februari niet gebeurd.

NOTEN

1: officieel verslag Statencommissie Bestuur en Middelen van 14 februari 2018

2: p 12 rapport (Berenschot)

3: p 31 rapport

4: p 13 rapport

5: p 15 rapport

6: Artikel 8 Wet gemeenschappelijke regelingen luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Bij de regeling kan een openbaar lichaam worden ingesteld. Het openbaar lichaam is rechtspersoon. Lid 3. Bij de regeling waaraan uitsluitend colleges van burgemeesters en wethouders deelnemen, kan een bedrijfsvoeringsorganisatie worden ingesteld in het geval de regeling uitsluitend wordt getroffen ter behartiging van de sturing en beheersing van ondersteunende processen en van uitvoeringstaken van de deelnemers. De bedrijfsvoeringsorganisatie is rechtspersoon.

7: p 39 rapport

8: p 15/16 rapport

9: Artikel 1 Wet gemeenschappelijke regelingen luidt (gedeeltelijk): Lid 1. De colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten kunnen afzonderlijk of te zamen, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van die gemeenten. Lid 2. De colleges van burgemeester en wethouders gaan niet over tot het treffen van een regeling dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden. De toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

10: Artikel 12 luidt: Lid 1. Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter. Lid 2. Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van het openbaar lichaam. Lid 3. De voorzitter is tevens voorzitter van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

11: Artikel 13 luidt (gedeeltelijk): Lid 4. De regeling kan inhouden, dat: a. de aantallen leden, die door de raden van de deelnemende gemeenten worden aangewezen, onderling verschillen; b. leden, aangewezen door de raden van bepaalde deelnemende gemeenten, meervoudig stemrecht hebben. Lid 5. De regeling kan tevens inhouden, dat: a. de raden van niet alle, doch ten minste twee deelnemende gemeenten leden van het algemeen bestuur aanwijzen; b. de raden van twee of meer deelnemende gemeenten gezamenlijk leden van het algemeen bestuur aanwijzen. Lid 6. Het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, ingesteld bij een regeling die uitsluitend is getroffen door colleges van burgemeester en wethouders, bestaat uit leden die per deelnemende gemeente door het college uit zijn midden worden aangewezen. Het tweede tot en met het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing. Lid 9. De voorzitter van het openbaar lichaam wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen, met inachtneming van het daaromtrent in de regeling bepaalde.

12: Artikel 14 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit de voorzitter en twee of meer andere leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen, met inachtneming van het daaromtrent in de regeling bepaalde. De aldus aangewezen leden van het dagelijks bestuur mogen niet allen afkomstig zijn uit dezelfde gemeente. Lid 2. Wanneer de aard van de regeling daartoe aanleiding geeft, kunnen één of meer leden van het dagelijks bestuur, niet zijnde de voorzitter, worden aangewezen van buiten de kring van het algemeen bestuur, met dien verstande dat op deze wijze aangewezen leden nimmer de meerderheid van het dagelijks bestuur mogen uitmaken.

13: Artikel 14a luidt: Het bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie bestaat uit leden die per deelnemende gemeente door het college uit zijn midden worden aangewezen. Artikel 13, tweede tot en met het vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

14: Artikel 13 luidt (gedeeltelijk): Lid 2. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt voorzitter te zijn van de raad uit wiens midden men is aangewezen dan wel ophoudt wethouder van de desbetreffende deelnemende gemeente te zijn.

15: Artikel 18 luidt (gedeeltelijk): Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing op regelingen die uitsluitend getroffen zijn door colleges van burgemeester en wethouders, met dien verstande dat voor «het algemeen bestuur van het openbaar lichaam» telkens wordt gelezen «het algemeen bestuur van het openbaar lichaam of het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie».

Artikel 19 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Ingeval de regeling uitsluitend is getroffen door colleges van burgemeester en wethouders is artikel 16, eerste, tweede en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de gemeenteraden respectievelijk een of meer leden van die raden, met dien verstande dat voor «het algemeen bestuur van het openbaar lichaam» telkens wordt gelezen «het algemeen bestuur van het openbaar lichaam of het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie».

Artikel 16 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. De regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam door de raad die dit lid heeft aangewezen, ter verantwoording kan worden geroepen voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid. Lid 2. De regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam aan de raad die dit lid heeft aangewezen, de door een of meer leden van die raad gevraagde inlichtingen dient te verstrekken.

16: Artikel 18 luidt (gedeeltelijk): Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing op regelingen die uitsluitend getroffen zijn door colleges van burgemeester en wethouders, met dien verstande dat voor «het algemeen bestuur van het openbaar lichaam» telkens wordt gelezen «het algemeen bestuur van het openbaar lichaam of het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie».

Artikel 19 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Ingeval de regeling uitsluitend is getroffen door colleges van burgemeester en wethouders is artikel 16, derde lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de gemeenteraden respectievelijk een of meer leden van die raden, met dien verstande dat voor «het algemeen bestuur van het openbaar lichaam» telkens wordt gelezen «het algemeen bestuur van het openbaar lichaam of het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie».

Artikel 16 luidt (gedeeltelijk): Lid 3. Ingeval toepassing is gegeven aan artikel 13, vijfde lid, onder a, houdt de regeling bepalingen in omtrent de wijze waarop aan de raad die geen lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam aanwijst, de door een of meer leden van die raad gevraagde inlichtingen worden verstrekt en de door die raad gevraagde verantwoording wordt afgelegd voor het door dat bestuur gevoerde beleid.

Artikel 13 luidt (gedeeltelijk): Lid 5. De regeling kan tevens inhouden, dat: a. de raden van niet alle, doch ten minste twee deelnemende gemeenten leden van het algemeen bestuur aanwijzen.

17: zie de vorige twee noten

18: p 80 rapport

19: p 85 rapport

20: officiële verslag Statencommissie Bestuur en Middelen van 14 februari 2018

Rechtszaak tegen provincie Zuid-Holland ivm ”bemoeienis” met bestemmingsplan

VRIJDAG 27 APRIL EN 4 MEI 2018. In de Statencommissie Bestuur en Middelen werd in januari kort gesproken over de rechtszaken tegen de provincie. Dat gebeurde naar aanleiding van een van de agendastukken voor punt 5a: de brief van de gedeputeerde inzake het Overzicht beroepsprocedures 2016.

Overzicht beroepsprocedures In die commissievergadering vraagt de VVD-fractie waarom de provincie in 34% van alle rechtszaken die tegen haar worden gevoerd in het ongelijk wordt gesteld. De gedeputeerde (mevrouw Baljeu) antwoordt dat het percentage bij de andere provincies vrijwel hetzelfde is maar dat ze bij de volgende rapportage uitgebreider zal ingaan op de oorzaken (1). Een van die rechtszaken uit 2016 gaat over de reactieve aanwijzing die de provincie gaf op een bestemmingsplan van de gemeente Sliedrecht, ”Nijverwaard” geheten. De rechter heeft de provincie hier in het ongelijk gesteld (2). Deze bijdrage gaat over die rechtszaak en over wat eraan voorafging.

Bestemmingsplannen en gebruiksregels Laat ik beginnen bij het begin: bestemmingsplannen. In de Wet ruimtelijke ordening is geregeld (3) dat elke gemeente voor het hele grondgebied bestemmingsplannen moet maken. Een bestemmingsplan voor het hele grondgebied. Of meerdere bestemmingsplannen, elk voor een ander deel van het grondgebied. In zo’n bestemmingsplan is voor elk stukje grond (kavel) binnen het gebied de bestemming aangewezen. De bestemming voor zo’n kavel kan bijvoorbeeld zijn wonen, verkeer, natuur, cultuur, ontspanning, horeca, bedrijf of detailhandel. Bestemmingsplannen worden vastgesteld door de gemeenteraad. Het vastgestelde bestemmingsplan bestaat uit verschillende onderdelen, zoals bestemmingen maar ook regels die met het oog op een bestemming zijn gegeven. Bij die regels kan bijvoorbeeld worden gedacht aan regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken.

Bestemmingsplan Nijverwaard en gebruiksregels Het Bestemmingsplan Nijverwaard van de gemeente Sliedrecht is een bestemmingsplan voor een deel van het gemeentelijk grondgebied, namelijk het gedeelte ten noorden van de kern Sliedrecht. Het gebied heet nu Bedrijventerrein Nijverwaard. De gemeenteraad heeft dat bestemmingsplan vastgesteld op 23 juni 2015. De meeste kavels in dit gebied hebben of de bestemming bedrijf of de bestemming detailhandel gekregen. Op percelen met bestemming detailhandel mogen volgens de regels omtrent het gebruik (4) uitsluitend grootschalige tuincentra, bouwmarkten, meubelbedrijven en woninginrichtingsbedrijven komen of zijn. Grootschalige tuincentra, bouwmarkten enzovoorts hebben per vestiging een brutovloeroppervlak van minstens 1.000 vierkante meter. Bestaande detailhandel in elektronica mag blijven.

Reactieve aanwijzingen Een provincie mag op grond van de Wet ruimtelijke ordening (5) een gemeente een aanwijzing geven over een of meer onderdelen van het bestemmingsplan, zoals een of meer regels omtrent het gebruik. Zo’n aanwijzing leidt ertoe dat die onderdelen geen deel meer uitmaken van het bestemmingsplan, en dus komen te vervallen. Een provincie mag zo’n aanwijzing geven als provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Bevoegd tot het geven van aanwijzingen zijn gedeputeerde staten.

Reactieve aanwijzing Zuid-Holland Gedeputeerde staten van Zuid-Holland hebben op 7 juli 2015 een reactieve aanwijzing gegeven op Bestemmingsplan Nijverwaard. Die aanwijzing betreft onder andere de gebruiksregel dat uitsluitend grootschalige tuincentra, bouwmarkten, meubelbedrijven en woninginrichtingsbedrijven zijn toegestaan. De aanwijzing leidt ertoe dat deze gebruiksregel niet langer deel uitmaakt van het bestemmingsplan. De provinciale belangen die deze aanwijzing noodzakelijk maakt met het oog op een goede ruimtelijke ordening, bestaan eruit dat met deze gebruiksregel de Verordening ruimte wordt geschonden.

Verordening ruimte De Verordening ruimte is een provinciale verordening die provinciale staten op 9 juli 2014 hebben vastgesteld. In deze verordening staat (6) dat buiten het centrum van een stad of wijk alleen dan grootschalige tuincentra, bouwmarkten, meubelbedrijven en woninginrichtingsbedrijven mogen komen nadat is aangetoond dat hun komst noch het woon- en leefklimaat onevenredig zal aantasten noch tot onaanvaardbare leegstand zal leiden. De gemeente Sliedrecht heeft dat volgens gedeputeerde staten niet aangetoond. Voor zover ik kan nagaan, is in provinciale staten of in de Statencommissie Ruimte en Leefomgeving niet over deze reactieve aanwijzing gesproken.

Beroep bij Raad van State De gemeenteraad van Sliedrecht wilde zich niet neerleggen bij de aanwijzing, en stapte daarom naar de rechter: de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De gemeenteraad voerde in deze rechtszaak aan dat wel degelijk is aangetoond dat de komst van grootschalige tuincentra, bouwmarkten, meubelbedrijven en woninginrichtingsbedrijven noch het woon- en leefklimaat onevenredig zal aantasten noch zal leiden tot onaanvaardbare leegstand (7).

Uitspraak Raad van State De rechter deed op 22 juni 2016 uitspraak (8). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat gedeputeerde staten niet deugdelijk hebben gemotiveerd dat de gemeenteraad niet heeft aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en dat geen onaanvaardbare leegstand ontstaat. Het beroep van de gemeenteraad is dus gegrond. De reactieve aanwijzing van gedeputeerde staten wordt vernietigd omdat gedeputeerde staten hun reactieve aanwijzing onvoldoende hebben gemotiveerd. De gebruiksregel die door de reactieve aanwijzing was komen te vervallen, maakt weer deel uit van het bestemmingsplan.

Vaker onvoldoende motivering Mijn vorige bijdrage over het provinciebestuur ging over de bezwarencommissie van de provincie Zuid-Holland (hyperlink). Ook de bezwarencommissie concludeert in haar laatste jaarverslag dat gedeputeerde staten hun besluiten onvoldoende motiveren (9).

NOTEN

1: Officieel verslag van de Statencommissie Bestuur en Middelen van 24 januari 2018, p 3

2: De brief van de gedeputeerde van 13 oktober 2017 inzake het Overzicht beroepsprocedures 2016, bijlage 1

3: Artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening luidt (gedeeltelijk): De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied.

4: Bestemmingsplan Nijverwaard. Regels. Bestemmingsregels. Detailhandel. Bestemmingsomschrijving. Artikel 4.1 lid a en b bestemmingsomschrijving luidt (gedeeltelijk):

De voor ‘Detailhandel’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. grootschalige detailhandel in de branches:
    • 1. tuincentra met een bruto vloeroppervlak van minimaal 1.000 m²;
    • 2. bouwmarkten met een bruto vloeroppervlak van minimaal 1.000 m²;
    • 3. grootschalige meubelbedrijven (inclusief in ondergeschikte mate woninginrichting en stoffering) met een bruto vloeroppervlak van minimaal 1.000 m² en detailhandel in: keukens, badkamers, vloerbedekking, parket, zonwering en jacuzzi’s;

b. ter plaatse van de aanduiding ‘detailhandel’, tevens bestaande detailhandel in elektronica;

5: Artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening luidt (gedeeltelijk): Gedeputeerde staten (kunnen) met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan aan de gemeenteraad een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, geven, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld.

Artikel 4.2 Wet ruimtelijke ordening luidt (gedeeltelijk): Indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen gedeputeerde staten aan de gemeenteraad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan.

6: Verordening ruimte 2014. Artikel 2.1.4 Detailhandel luidt (gedeeltelijk):

Lid 1 Detailhandel binnen de centra

Een bestemmingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden:

a. binnen of direct aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden,

dorpen en wijken;

b. binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk;

c. binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van

herallocatie.

Lid 2 Omvang van ontwikkelingen binnen de centra

De nieuwe detailhandel, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende eisen:

d. grootschalige meubelbedrijven met een omvang van minimaal 1.000 m2 bruto vloeroppervlak,

inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en stoffering, en

detailhandel in keukens, badkamers, vloerbedekking, parket, zonwering en jacuzzi’s, voor

zover de ontwikkeling plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met PDV-locaties waarvan de

plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op ‘Kaart 2 Detailhandel’;

e. tuincentra met een omvang van minimaal 1.000 m2 bruto vloeroppervlak, en

f. bouwmarkten met een omvang van minimaal 1.000 m2 bruto vloeroppervlak.

Lid 4 Ontwikkelingen groter dan 1.000 m2 buiten de centra

Voor zover de nieuwe detailhandel, bedoeld in het derde lid onder d, e en f, een omvang heeft van

meer dan 1.000 m2 bruto vloeroppervlak, voorziet het bestemmingsplan hier uitsluitend in als is

aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat. Mede met het oog hierop is advies gevraagd aan het Regionaal Economisch Overleg en is zo nodig een distributieplanologisch onderzoek uitgevoerd.

7: Rechtsoverweging 14 van de uitspraak luidt: De raad kan zich met name niet verenigen met de reactieve aanwijzing, omdat volgens de raad wel degelijk is aangetoond dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare leegstand of onaanvaardbare effecten op het woon- en leefklimaat.

8: Vindplaats uitspraak op rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2016:1741

Rechtsoverweging 16.5 luidt (gedeeltelijk): Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen door de raad is aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de raad in strijd met artikel 2.1.4, vierde lid, van de verordening niet heeft aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en dat geen onaanvaardbare leegstand ontstaat.

Rechtsoverweging 18 luidt (gedeeltelijk): De beroepen van de raad zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Rechtsoverweging 20 luidt: Deze uitspraak heeft tot gevolg dat de onderdelen van het plan die zijn geraakt door de reactieve aanwijzing alsnog bekend kunnen worden gemaakt, waarna daartegen zo nodig rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

Beslissing luidt (gedeeltelijk): Vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 7 juli 2015, waarbij aanwijzingen zijn gegeven met betrekking tot het

bestemmingsplan “Nijverwaard” dat door de raad van de gemeente Sliedrecht bij besluit van 23 juni 2015 is vastgesteld.

9: Jaarverslag bezwarencommissie 2016, provincie Zuid-Holland, p 25

Bezwarencommissie Zuid-Holland

VRIJDAG 13 APRIL EN 20 APRIL 2018. In 2016 is 225 keer bezwaar gemaakt tegen besluiten van gedeputeerde staten van Zuid-Holland; de meeste bezwaren gaan over vergunningen (1).

Bezwaar maken Iedereen die daarbij belang heeft kan tegen elk besluit van gedeputeerde staten bezwaar maken (2), uitzonderingen daargelaten (3). Men maakt bezwaar door tijdige indiening van een bezwaarschrift (4).

Bezwaar gemaakt Gevolg van het gemaakte bezwaar is dat gedeputeerde staten het besluit moeten heroverwegen (5). Die heroverweging kan ertoe leiden dat zij beslissen om het besluit te herroepen en zo nodig een nieuw besluit nemen (6). Heroverweging kan er echter ook toe leiden dat gedeputeerde staten beslissen om het besluit in stand te laten.

Bezwaar maken hoe? Bezwaar maken gebeurt door indiening van een bezwaarschrift bij de provincie (7).

Hoorrecht De bezwaarmaker heeft er meestal recht op dat hij wordt gehoord, voordat gedeputeerde staten een beslissing nemen op het bezwaar (8). Hij wordt óf gehoord door een of meer ambtenaren óf door een adviescommissie. Als hij wordt gehoord door een of meer ambtenaren, mogen de (meeste) hoorambtenaren niet bij de voorbereiding van het besluit zijn betrokken geweest (9).

Horen door adviescommissie Als er een adviescommissie is in de zin van de wet, dan mag hij niet door ambtenaren worden gehoord. Hij moet dan worden gehoord door de adviescommissie (10). Bovendien geeft de adviescommissie na het horen schriftelijk advies aan gedeputeerde staten (10). De adviescommissie kan adviseren om het besluit in stand te laten, maar ook om het besluit te herroepen en een nieuw besluit te nemen. Bijvoorbeeld het besluit dat de bezwaarmaker graag ziet. De adviescommissie geeft slechts advies; gedeputeerde staten nemen de beslissing. Maar bij een beslissing die afwijkt van het advies, moet de reden van de afwijking worden vermeld (10).

Bezwarencommissie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft een commissie van advies voor de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten van gedeputeerde staten ingesteld (11a). In Zuid-Holland gebeurt het horen van bezwaarmakers door deze bezwarencommissie, die vervolgens schriftelijk advies geeft aan gedeputeerde staten.

Bezwarencommissie Zuid-Holland een adviescommissie? De provincie ziet deze commissie als een adviescommissie in de zin van de wet (11b). Maar is dat terecht? De wet stelt voorwaarden aan een adviescommissie: ze moet bestaan uit een voorzitter en minstens twee leden en de voorzitter mag niet werkzaam zijn voor gedeputeerde staten of zelf een gedeputeerde (12). Gedeputeerde staten hebben een reglement vastgesteld voor de bezwarencommissie. Artikel 3 van dit reglement luidt (voor zover hier relevant): De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste 15 leden. De leden van de commissie worden benoemd door gedeputeerde staten. Gedeputeerde staten benoemen de voorzitter. Leden van provinciale staten, leden van gedeputeerde staten en personen werkzaam onder hun verantwoordelijkheid zijn geen lid van de commissie.” Volgens dit artikel mogen dus de leden niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van gedeputeerde staten. De wet stelt echter als voorwaarde dat de voorzitter niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van gedeputeerde staten. In het reglement staat nergens dat (ook) de voorzitter niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van gedeputeerde staten, tenzij de voorzitter in dit artikel tot de leden wordt gerekend. Maar zou dat een juiste uitleg zijn? Zo nee, dan is het reglement niet conform de wet.

Bezwarencommissie Zuid-Holland een adviescommissie? De wet stelt ook als voorwaarde dat de adviescommissie naast de voorzitter uit minstens twee leden bestaat. Volgens het Zuid-Hollandse reglement moet de bezwarencommissie bij het uitbrengen van het advies bestaan uit een voorzitter en minstens twee leden (13). Dat is in orde dus. Echter: tijdens de hoorzitting moet het bestaan uit een voorzitter en minstens een lid (14). Is dat conform de wet? Wat verder opvalt aan deze artikelen, is dat hierin de voorzitter uitdrukkelijk tot de leden wordt gerekend (15).

Analyse adviezen bezwarencommissie Niet elk ingediend bezwaar leidde in 2016 tot een advies van de bezwarencommissie; zo werden 91 bezwaren weer ingetrokken door de indiener ervan (16). De bezwarencommissie heeft 121 keer advies uitgebracht; het advies was in de helft van de gevallen positief voor de indiener, dat wil zeggen door de bezwarencommissie gegrond verklaard! (17). Gedeputeerde staten namen het advies in veruit de meeste gevallen over (18). Het jaarverslag is besproken in de statencommissie Bestuur en Middelen van 24 januari 2018 (19).

NOTEN

1: Jaarverslag bezwarencommissie provincie Zuid-Holland, verslagjaar 2016, p 10 en 13

2: artikelen 7:1 en 8:1 Algemene wet bestuursrecht

3: artikelen 7:1 en 8:3-8:5 Algemene wet bestuursrecht

4: artikelen 6:4 en 6:7 Algemene wet bestuursrecht

5: artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht

6: artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht

7: artikel 6:4 Algemene wet bestuursrecht

8: artikelen 7:2 en 7:3 Algemene wet bestuursrecht

9: artikel 7:5 Algemene wet bestuursrecht

10: artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht

11a: artikel 2 Reglement behandeling bezwaarschriften Zuid-Holland, 2014

11b: considerans (aanhef) Reglement behandeling bezwaarschriften Zuid-Holland, 2014

12: artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht

13: artikel 16 Reglement behandeling bezwaarschriften Zuid-Holland, 2014: ”Het advies wordt uitgebracht door ten minste drie leden van de commissie, waaronder de voorzitter.”

14: artikel 12 Reglement behandeling bezwaarschriften Zuid-Holland, 2014: Voor een zitting van de commissie is vereist dat minimaal twee leden, waaronder de voorzitter, aanwezig zijn.”

15: zie de voorgaande twee noten

16: jaarverslag bezwarencommissie provincie Zuid-Holland, verslagjaar 2016, p 14

17: jaarverslag bezwarencommissie provincie Zuid-Holland, verslagjaar 2016, p 14

18: jaarverslag bezwarencommissie provincie Zuid-Holland, verslagjaar 2016, p16

19: officieel verslag statencommissie Bestuur en Middelen.

Regionale woonvisie Haaglanden

Vrijdagen 16 en 23 maart 2018. In de Zuid-Hollandse statencommissie Ruimte en Leefomgeving van 7 maart j.l. zijn onder andere de regionale woonvisies van Goeree-Overflakkee en Drechtsteden besproken. Een half jaar eerder (oktober 2017) is de regionale woonvisie van Haaglanden besproken: ”Woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017 -2021” (1). De negen gemeenten die daaraan een bijdrage leverden, zien hun regio als ongedeelde woningmarkt. Het zijn Den Haag, Westland, Rijswijk, Wassenaar, Midden-Delfland, Zoetermeer, Delft, Pijnacker-Nootdorp en Leidschendam-Voorburg. In de komende zeven jaar groeit het aantal huishoudens in die regio met ongeveer 50.000. Om in de regionale behoefte te voorzien, moeten er ongeveer 45.000 woningen bij komen. Meer flats dan eengezinswoningen. Het merendeel zou al in 2021 moeten zijn gebouwd. Den Haag neemt de meeste woningbouw voor zijn rekening (19.000) terwijl Westland (8000), Zoetermeer (6000), Rijswijk (5000) en Delft (5000) een middenpositie innemen.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling In termen van ruimtelijk bestuursrecht gaat het hier om (voornemens voor) een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dat is een stedelijke ontwikkeling die nieuw is. Wat stedelijke ontwikkeling is, is in de wet gedefinieerd: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (2). Wat nieuwe stedelijke ontwikkeling is, is in uitspraken van de Raad van State gedefinieerd. Kort geformuleerd staat in deze rechterlijke uitspraken dat bij een stedelijke ontwikkeling die nieuw is sprake moet zijn van functiewijziging en/of ander ruimtelijk beslag (3).

(Regionale) woonvisie geen wettelijke plicht Gemeenten zijn niet wettelijk verplicht om een woonvisie te maken. Maar zonder woonvisie heeft een gemeente minder invloed op de woningcorporaties (4).

Ladder(s) voor duurzame verstedelijking De negen Haaglandse gemeenten zullen hun regionale woonvisie moeten gaan vertalen in bestemmingsplannen. Een wettelijke regeling – het Besluit ruimtelijke ordening – stelt allerhande eisen aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Zo moet een bestemmingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling voldoen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking; de gemeente moet in de toelichting op het bestemmingsplan duidelijk maken dat aan de ladder is voldaan (5). De provincie mag in een provinciale verordening regels stellen omtrent de inhoud van bestemmingsplannen (6). Zuid-Holland heeft dat gedaan. Dat is gebeurd in de Verordening ruimte 2014. Daarin is onder andere geregeld dat bestemmingsplannen moeten voldoen aan de provinciale ladder voor duurzame verstedelijking en dat dit duidelijk moet worden uit de plantoelichting. De provinciale ladder lijkt op die uit de wettelijke regeling, maar er zijn verschillen (7).

Woningbouwbehoefte Zoals elke ladder hebben ook deze twee ladders meer treden. De eerste trede van de wettelijke regeling houdt in dat nieuwe stedelijke ontwikkeling moet voorzien in een actuele regionale behoefte (8). De eerste trede van de provinciale verordening houdt in dat nieuwe stedelijke ontwikkeling moet voorzien in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd (9). Gemeenten moeten dat dus in de toelichting op hun bestemmingsplan duidelijk maken. In de (regionale) woonvisie staat dat er behoefte is aan 45.000 nieuwe woningen in de regio en dat dit is vanwege de groei van het aantal huishoudens. Uit de brief van gedeputeerde staten van 26 september 2017 blijkt dat deze uitleg voldoet en dat hiermee is voldaan aan de eerste trede van de ladder, zie bladzijde 2. Dat is een belangrijke mededeling van gedeputeerde staten, want daardoor hoeven de (negen) gemeenten in hun toelichting op de bestemmingsplannen niet meer duidelijk te maken dat aan de eerste trede is voldaan; volstaan kan daarin worden volstaan met een verwijzing naar de regionale woonvisie (10). Gedeputeerde staten hadden in hun brief bovendien kunnen mededelen dat ook aan andere treden van de ladder is voldaan; in dat geval hadden de gemeenten in hun toelichting op de bestemmingsplannen ook voor die andere treden kunnen volstaan met een verwijzing naar de regionale woonvisie. Gedeputeerde staten hebben dat echter uitdrukkelijk niet gedaan, zie bladzijde 2.

Aanvaarding Gedeputeerde staten hebben blijkens hun brief van 26 september 2017 de regionale woonvisie en het bijbehorend woningbouwprogramma ”aanvaard”. Het al dan niet ”aanvaarden” of ”aannemen” van de regionale woonvisie door de provincie is een bevoegdheid die is opgenomen in de (provinciale) Verordening ruimte 2014 (11). Hoe het woord ”aanvaarding” hier moet worden uitgelegd, is niet helemaal duidelijk; ook de toelichting op de verordening maakt dat niet duidelijk (12).

Goedkeuring? Kan met ”aanvaarding” zijn bedoeld dat de provincie een goedkeuringsbevoegdheid heeft voor (regionale) woonvisies, zodat een woonvisie zonder die goedkeuring niet in werking kan treden? Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kunnen besluiten (13) slechts aan goedkeuring worden onderworpen in bij of krachtens de wet bepaalde gevallen (14), met andere woorden: er is een wettelijke basis nodig voor een goedkeuringsvereiste. De wettelijke basis van deze provinciale verordening is artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (15). Ik denk dat deze bepaling geen wettelijke basis vormt voor zo’n goedkeuringsvereiste (16) en dat daarom met ”aanvaarding” in de Verordening ruimte 2014 (17) geen goedkeuringsvereiste kan zijn bedoeld. Ik denk ook niet dat in deze bepaling een goedkeuringsvereiste is bedoeld. Bedoeld is slechts dat een ”aanvaarding” een of meer voorwaarden die wet en provinciale verordening aan de toelichting op de bestemmingsplannen stellen versoepelt. Uit de brief van 26 september 2017 van gedeputeerde staten blijkt dat slechts de eerste trede van de ladder is versoepeld.

Bevoegdheid gedeputeerde staten De al dan niet ”aanvaarding” van een regionale woonvisie is een bevoegdheid van gedeputeerde staten en niet van provinciale staten, omdat het hier gaat om een bevoegdheid uit de Wet ruimtelijke ordening (een medebewindswet) en de bevoegdheid evenmin in het Besluit ruimtelijke ordening (een regeling gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening) aan provinciale staten is toegekend (18).

Toch worden provinciale staten vooraf betrokken Provinciale staten hebben enkele jaren geleden uitgesproken dat ze vooraf betrokken willen worden bij het al dan niet ”aanvaarden” door gedeputeerde staten (19). Aan die wens wordt gehoor gegeven door bespreking van de brief van gedeputeerde staten in de statencommissie Ruimte en Leefomgeving, voordat hij wordt verzonden. Gedeputeerde staten wegen de opmerkingen van de commissie mee in hun verdere besluitvorming, bijvoorbeeld door aanpassing van de brief (20). De brief van gedeputeerde staten van 26 september 2017, die over de regionale woonvisie van Haaglanden gaat, is in de statencommissie van 25 oktober 2017 besproken. Vanuit de commissie zijn geen kritische opmerkingen gemaakt (21). Gedeputeerde staten hadden dus geen reden om de brief aan te passen en hebben hem daarom (ongewijzigd) aan de contactpersoon voor de regio gestuurd, de Zoetermeerse wethouder Taco Kuiper.

NOTEN

(1)Haaglanden heeft de brief op 30.06.2017 aan de provincie gestuurd

(2)Artikel 1.1.1. lid 1 sub i Besluit ruimtelijke ordening (hieronder afgekort tot: Bro)

(3)Raad van State 31.08.2016 rechtsoverweging 32 (ECLI:NL:RVS:2016:2364)

(4)Artikel 42 en 44 Woningwet; artikel 39 Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting

(5)Artikel 3.1.6 lid 2 Bro

(6)Artikel 4.1 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (hieronder afgekort tot: Wro)

(7)Artikel 2.1.1 Verordening ruimte 2014

(8)Artikel 3.1.6 lid 2 Bro

(9)Artikel 2.1.1 lid 1 sub a Verordening ruimte 2014

(10)Artikel 2.1.1 lid 2 Verordening ruimte 2014

(11)Zie artikel 2.2.1: GS kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen.

(12)Artikelsgewijze toelichting, bladzijde 40 e.v..

(13)Ik ga ervan uit dat een regionale woonvisie een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht

(14)Artikel 10:26 Algemene wet bestuursrecht

(15)Algemene toelichting, blz 37

(16)In artikel 4.1 lid 1 Wro staat (onder andere): Indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen (en) omtrent de daarbij behorende toelichting of onderbouwing

(17)Artikel 2.2.1

(18)Artikel 147 juncto 105 Provinciewet; zie ook artikel 2.1.1 Verordening ruimte

(19)Aldus de officiële toelichting op agendapunt 5b van de vergadering van 25 oktober 2017 van de Statencommissie Ruimte en Leefomgeving

(20)Zie de brief van gedeputeerde staten aan Provinciale Staten van Zuid-Holland, 13 februari 2018

(21)Officieel commissieverslag.