Nederland en het VN-verdrag Handicap

VRIJDAG 10 JULI 2026 Sinds 2008 is het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in werking getreden. De Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme heeft onlangs een advies gepubliceerd waaruit blijkt dat Nederland het verdrag niet naleeft. Uit het advies blijkt echter ook dat in rechtszaken van mensen met een handicap bepalingen uit het verdrag niet direct worden toegepast; waarom gebeurt dat dan niet?

GELDING Het verdrag wordt meestal afgekort tot VN-verdrag Handicap. Is de reden dat het verdrag niet geldend is in Nederland? Jawel, het geldt hier wel. Nederland heeft namelijk met het verdrag ingestemd. Voor instemming is ondertekening en ratificatie nodig, zie artikel 91 Grondwet. Nederland heeft het verdrag in 2007 ondertekend en in 2016 geratificeerd. Door veel eerdere ratificatie van een aantal andere landen, is het verdrag in 2008 in werking getreden. Ratificatie betekent in ons land parlementaire goedkeuring.

GOEDKEURINGSWET Parlementaire goedkeuring voor een verdrag kan stilzwijgend of uitdrukkelijk worden gegeven. Uitdrukkelijke parlementaire goedkeuring gebeurt door het aannemen van een goedkeuringswet, zie artikel 4 Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen. Voor het VN-verdrag Handicap is uitdrukkelijke parlementaire goedkeuring gegeven in de goedkeuringswet, dat is de Rijkswet houdende goedkeuring van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Die wet kwam in 2016 tot stand.

DIRECTE TOEPASSING Het VN-verdrag Handicap geldt dus in Nederland. En toch worden bepalingen daaruit niet direct toegepast in Nederlandse rechtszaken. Synoniem voor directe toepassing is hier rechtstreekse werking. Wat is eigenlijk de betekenis van directe toepassing/rechtstreekse werking van een verdragsbepaling? Bij directe toepassing van een verdragsbepaling past de rechter die verdragsbepaling toe op de feiten in de rechtszaak. Een partij heeft een recht of een verplichting, omdat dit zo in die verdragsbepaling staat, zie artikel 93 Grondwet. Nationale rechtsregels die met die verdragsbepaling in strijd zijn blijven buiten toepassing, zie artikel 94 Grondwet. Een bekend verdrag waarvan de bepalingen altijd direct worden toegepast in Nederland, is het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.    

WETSBEPALINGEN Bepalingen uit nationale wetten – wetsbepalingen – worden in rechtszaken altijd direct toegepast. Een voorbeeld: als u naar de rechter stapt omdat een boze buurman met een honkbalknuppel op uw (niet tegen cascoschade verzekerde) tweedehandsauto heeft ingebeukt doordat hij meent dat de openbare parkeerplek voor zijn huis (alleen) voor hem is, dan zal de rechter op deze feiten artikel 162 van het zesde Burgerlijk Wetboek direct toepassen. Artikel 162 lid 1 luidt: ‘Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.’ 

VERDRAGSBEPALINGEN Gaat de rechter dus verschillend om met wetsbepalingen en verdragsbepalingen? Ja, dat is inderdaad het geval. Wetsbepalingen worden (altijd) direct toegepast, terwijl directe toepassing van verdragsbepalingen eerder uitzonderlijk is. In de bovengenoemde artikelen 93 en 94 van de Grondwet staat namelijk dat directe toepassing van verdragsbepalingen alleen gebeurt bij verdragsbepalingen die ‘een ieder verbindend’ zijn.

EEN IEDER VERBINDEND Wanneer is een verdragsbepaling ‘een ieder verbindend’? Veel verdragsbepalingen – zo niet de meeste – zijn dat niet. Die bepalingen kunnen dan trouwens nog wél een andere en zwakkere juridische werking hebben, maar daarop wordt hier verder niet ingegaan. In een en hetzelfde verdrag kunnen bepalingen staan die ‘een ieder verbindend’ zijn en bepalingen die dat niet zijn. Het is zelfs mogelijk dat een en dezelfde verdragsbepaling in de ene rechtszaak wél en in de andere rechtszaak geen rechtstreekse werking heeft (dat komt dan door de verschillende feitelijke context in die zaken); ook daarop wordt hier verder niet ingegaan.

OVERHEIDSMAATREGELEN (1) De rechter in de rechtszaak beslist of een verdragsbepaling rechtstreekse werking heeft of niet, al houdt de rechter wel rekening met wat daarover in de officiële toelichting op een goedkeuringswet wordt opgemerkt. De rechter doet dat aan de hand van criteria van de hoogste nationale rechter (dat is de Hoge Raad). De Hoge Raad heeft die criteria in oktober 2014 gedeeltelijk veranderd waardoor meer verdragsbepalingen ‘een ieder verbindend’ kunnen zijn. De criteria zijn dus verruimd. Die verruiming geldt in het bijzonder voor verdragsbepalingen waarin de overheid wordt opgedragen om maatregelen te nemen terwijl de overheid bij het nemen van die maatregelen keuze- en beleidsvrijheid heeft. Het VN-verdrag Handicap bevat heel veel van dit soort bepalingen. Een voorbeeld is artikel 19: ‘De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag erkennen het gelijke recht van alle personen met een handicap om in de maatschappij te wonen met dezelfde keuzemogelijkheden als anderen en nemen doeltreffende en passende maatregelen om het personen met een handicap gemakkelijker te maken dit recht ten volle te genieten en volledig deel uit te maken van, en te participeren in de maatschappij (..)’. Tot oktober 2014 was het zo dat zulke verdragsbepalingen nimmer ‘een ieder verbindend’ konden zijn. In oktober 2014 heeft de Hoge Raad echter uitgesproken dat ook bij dit soort verdragsbepalingen rechtstreekse werking/directe toepassing niet is uitgesloten. 

OVERHEIDSMAATREGELEN (2) Dit ruimere criterium van de Hoge Raad gaat inmiddels alweer meer dan tien jaar terug. Toch heeft de rechter tot nu toe geen rechtstreekse werking/directe toepassing van dat soort bepalingen in het VN-verdrag Handicap aangenomen, zo lees ik in het advies van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme. De verklaring die daarvoor in het advies wordt gegeven is dat het om dat soort verdragsbepalingen gaat. Ik vind dat merkwaardig, want waarom hebben rechters in het afgelopen decennium geen enkel gebruik gemaakt van de extra ruimte die het criterium biedt?

OVERHEIDSMAATREGELEN (3) Ik heb de uitspraken niet gelezen, maar zou dit te maken kunnen hebben wat er staat in de officiële toelichting op de goedkeuringswet van het VN-verdrag Handicap? Ik bedoel hier de memorie van toelichting; daarin staat namelijk dat dit soort verdragsbepalingen nimmer rechtstreekse werking kunnen hebben. Een memorie van toelichting is voor de rechter vaak een belangrijke bron bij de uitleg van verdrags- en wetsbepalingen. Voor wat in de memorie van toelichting van de goedkeuringswet staat over de rechtstreekse werking/directe toepassing van bepalingen uit het VN-verdrag Handicap zou dat echter geen bron van uitleg mogen zijn, omdat deze memorie van toelichting dateert van vóór oktober 2014; wat daarover daarin staat, klopt daarom nu niet meer.   

BRONNEN Naast bovenstaande bepalingen uit verdrag, Grondwet en wetten zijn geraadpleegd Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme, Een samenleving zonder drempels; wikipedia (verdrag inzake de rechten van mensen met een handicap); C.B. Modderman, Verdragenrecht, Wolters Kluwer: 2019; G.W.J. Pulles, Een verdrag met potentieel verstrekkende gevolgen, (Tijdschrift) Handicap en Recht, juni 2017; Hoge Raad 10 oktober 2014 (Rookverbod), ECLI:NL:HR:2014:2928; Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 992 (R2034), nr. 3(memorie van toelichting bij goedkeuringswet).

Mr. Leon

Volgend blog op vrijdag 24 juli 2026!