Terrasje pakken

DONDERDAG 29 APRIL 2021 Gisteren zijn de buitenterrassen van cafés en restaurants eindelijk weer opengesteld, al is het dan alleen in de middag en onder allerlei strikte coronavoorwaarden. Voor velen iets waarnaar lang is uitgezien. Vrijwel iedereen pakt wel eens een terrasje: om af te spreken met vrienden of voor werk, om een boek of krant te lezen of om gewoon zomaar te zitten onder het genot van een kopje koffie, colaatje, biertje of iets sterkers. Maar is er ook iets staatsrechtelijk te zeggen over buitenterrassen?

OPENSTELLING van de buitenterrassen volgt uit een wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19. Deze ministeriële regeling is sinds eind vorig jaar de landelijke opvolger van de regionale noodverordeningen van de voorzitters van de veiligheidsregio’s (die golden vanaf maart vorig jaar). Tot gisteren stond in artikel 4.4 van de ministeriële regeling dat een café of restaurant, inclusief bijbehorend terras, niet voor publiek mag worden opengesteld, de afhaalfunctie uitgezonderd. Sinds gisteren staat in dit artikel dat buitenterrassen in de middag mogen worden opengesteld.

PLAATSEN Cafés, restaurants en hun terrassen zijn publieke plaatsen. Los van corona staan (stonden) publieke plaatsen open voor het publiek, al is het verblijf aan een doel gebonden en kan het zijn dat men zich voor binnenkomst moet melden of een toegangsprijs moet betalen. In deze tijd van corona zijn sommige publieke plaatsen voor publiek opengesteld gebleven, zoals dat het geval is met supermarkten, (week)markten en apotheken. Maar andere publieke plaatsen moesten of moeten dicht blijven, zoals dat het geval is met musea, theaters, cafés en restaurants. Al mogen dan die laatste twee sinds gisteren hun buitenterrassen weer openen. Publieke plaatsen moeten worden onderscheiden van besloten plaatsen en openbare plaatsen.

OPENBARE PLAATSEN zijn plaatsen die voor het publiek openstaan. Verblijf aldaar is niet aan een bepaald doel gebonden, en men hoeft zich voor binnenkomst niet te melden of een toegangsprijs te betalen. Openbare plaatsen zijn bijvoorbeeld (openbare) stoepen, pleinen en parken. In het algemeen waren (en zijn) openbare plaatsen ook in tijden van corona voor publiek opengesteld, te drukke winkelstraten en stadsparken (soms) uitgezonderd.

BESLOTEN PLAATSEN staan niet open voor het publiek. Ze staan alleen open voor bepaalde doelgroepen. Voorbeelden zijn kantoren (werknemers), scholen (leerlingen), woningen en kerken (en andere gebedshuizen). Kantoren, woningen en gebedshuizen zijn niet gesloten, al gelden er wel allerlei coronabeperkingen.

TERRASVERGUNNING Veel (horeca)terrassen bevinden zich op een (openbare) stoep of plein of in een (openbaar) park. Zo’n stoep, plein of park is dus eigenlijk een openbare plaats, maar als terras is het een publieke plaats geworden. De cafébaas mag niet zomaar een terras maken van een deel van stoep, plein of park dat in de buurt ligt. Hij kan daarvoor een gemeentelijke vergunning nodig hebben: de terrasvergunning. De burgemeester gaat (vaak) over het al dan niet verlenen van deze vergunning.

APV Die terrasvergunningsplicht kan zijn opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente. Daarin staan dan ook weigeringsgronden. Een APV kan niet zonder medewerking van de gemeenteraad worden vastgesteld.

TERRASBELASTING Gemeenten mogen ook belasting heffen voor een terras. Zo mag er een (precario)belasting worden ingevoerd voor voorwerpen die particulieren op of in (openbare) stoep, plein of park hebben aangebracht. Voorwerpen zoals stoelen, tafeltjes, windschermen en bloembakken. Hoe hoog die belasting is, kan o.a. afhankelijk zijn van (terras)oppervlak en locatie. Een terrasbelasting mag net als een terrasvergunningsplicht alleen met medewerking van de gemeenteraad worden ingevoerd.

(Mr. Leon)

Volgend blog: 13 mei

De GGD

DINSDAG 16 FEBRUARI 2021 De GGD is sinds de coronatijd veel in het nieuws, bijvoorbeeld in verband met testen en vaccineren. Wat is eigenlijk de GGD?

GGD is niet pas opgericht in de coronatijd maar bestaat al jarenlang. De letters staan voor Gemeentelijke gezondheidsdienst.

GEZONDHEIDSDIENST De GGD is dus een gezondheidsdienst die publieke gezondheidszorg verleent, dat wil zeggen maatregelen die de gezondheid voor de bevolking of specifieke groepen daaruit beschermen en bevorderen, inclusief het voorkomen en vroegtijdig opsporen van ziekten. Ze heeft bijvoorbeeld zorgtaken op het gebied van jeugdgezondheid en ouderengezondheid en houdt zich bezig met de bestrijding van tuberculose en seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s). Dit zijn slechts enkele voorbeelden: het takenpakket is veel ruimer.

GEEN CURATIEVE ZORG De gezondheidsdiensten van de GGD bestaan vooral uit preventie, voorlichting en onderzoek. Curatieve zorg valt daar niet onder. Dat is de zorg die bijvoorbeeld ziekenhuizen en verpleeghuizen, huisartsen, tandartsen en apotheken aan hun patiënten verlenen.

GEMEENTELIJK Elke gemeente in ons land heeft een gemeentelijke gezondheidsdienst. Er is dus niet één GGD, maar er zijn veel GGD’s. Daarmee is trouwens niet gezegd dat elke gemeente een eigen gezondheidsdienst heeft. Integendeel: geen enkele gemeente heeft een eigen gezondheidsdienst. Elke GGD is namelijk een samenwerking van verschillende gemeenten. Zo werken in GGD Haaglanden 9 gemeenten met elkaar samen, 15 in GGD Rotterdam-Rijnmond en in die van Gelderland-Midden en zelfs 21 in die van Brabant-Zuidoost. In sommige GGD’s werken alle gemeenten van een provincie met elkaar samen; dat is bijvoorbeeld het geval in Groningen, Zeeland en Utrecht. Ons land telt vijfentwintig GGD’s.

SAMENWERKENDE GEMEENTEN Gemeenten werken niet alleen voor gezondheidsdiensten met elkaar samen. Dat gebeurt ook op veel andere beleidsterreinen, zoals bijvoorbeeld milieu, inkoop, ICT, energie en jeugd- en gezinshulp. Gemeenten mogen in het algemeen zelf bepalen in welke vorm ze met elkaar samenwerken. Zo kunnen ze net als particulieren kiezen voor een vereniging of vennootschap. Ze kunnen er ook voor kiezen om een openbaar lichaam op te richten; particulieren kunnen dit laatste niet. Soms moeten gemeenten kiezen voor een openbaar lichaam als samenwerkingsvorm. Dat is het geval met de GGD: de GGD mag geen vereniging of vennootschap zijn, het moet een openbaar lichaam zijn.

OPENBAAR LICHAAM Er zijn in ons land heel veel openbare lichamen. Zo is elk van de 350 Nederlandse gemeenten een openbaar lichaam, net als de provincies. De meeste openbare lichamen zijn typisch overheid. Er zijn echter uitzonderingen: zo is ook de Nederlandse Orde van Advocaten een openbaar lichaam.

BESTUUR Een openbaar lichaam kan net als een vereniging en een particulier zelfstandig deelnemen aan de maatschappij. Om dat te doen heeft ze een bestuur nodig. Een gemeentebestuur bestaat uit gemeenteraad, burgemeester en college (van burgemeester en wethouders). Dat is zo geregeld in de Gemeentewet. De inwoners kiezen de gemeenteraad; de gemeenteraad kiest de wethouders en – tot op zekere hoogte – de burgemeester.

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING Een GGD bestaat uit algemeen bestuur, dagelijks bestuur en voorzitter. In het algemeen bestuur van een GGD zitten wethouders en burgemeesters. Ze zijn gekozen door en uit de colleges van de deelnemende gemeenten. Dit algemeen bestuur kiest uit zijn midden de voorzitter en de andere leden van het dagelijks bestuur. Dat is zo geregeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen. Een GGD is een openbaar lichaam én een gemeenschappelijke regeling; een gemeente is alleen een openbaar lichaam.

GGD REGIO UTRECHT Ter illustratie een voorbeeld. In de GGD (regio) Utrecht werken alle (26) gemeenten van de provincie Utrecht met elkaar samen. Dat gebeurt op basis van een overeenkomst. Het algemeen bestuur bestaat in deze GGD helemaal uit wethouders. Elk van de 26 colleges (van burgemeester en wethouders) heeft er uit zijn midden één aangewezen, meestal de wethouder voor Volksgezondheid.

VERANTWOORDING Kan die wethouder gewoon zijn gang gaan? De wethouder moet in elk geval aan zijn college en aan de gemeenteraad verantwoording afleggen voor wat hij in het algemeen bestuur doet of nalaat. Vragen van individuele raadsleden moet hij beantwoorden. Het college kan hem zo nodig ontslaan uit het algemeen bestuur; de gemeenteraad kan dat niet.

ONGELIJKE KAPPEN Elke Utrechtse gemeente heeft dus een wethouder in het algemeen bestuur, maar dit betekent niet dat bij het nemen van besluiten elke wethouder een gelijke stem heeft. Toch hebben de wethouders van de (negen) kleinste gemeenten nog altijd ieder één stem, terwijl de Utrechtse wethouder in zijn eentje ‘slechts’ goed is voor negen stemmen. Er zijn in totaal 68 stemmen uit te brengen; er is dan dus een gewone meerderheid vóór bij 35 stemmen.

DAGELIJKS BESTUUR Nu is het ook weer niet zo dat stemgewicht in het algemeen bestuur de machtsverhouding in het bestuur van de GGD bepaalt. Het algemeen bestuur van de GGD Regio Utrecht vergadert namelijk niet wekelijks, het hoeft dat maar twee keer per jaar te doen. Daarom is er ook nog een voorzitter en een dagelijks bestuur. Zes dagelijkse bestuurders worden uit en door het algemeen bestuur gekozen; dat zijn dus ook wethouder. Dat gebeurt met een gewone meerderheid van stemmen. Het resultaat moet wel zijn dat er een geografische spreiding is van die dagelijkse bestuurders. Elke dagelijkse bestuurder heeft één stem.

VOORZITTER En de zevende dagelijkse bestuurder, de voorzitter, is altijd de Utrechtse wethouder!

DIRECTEUR Die voorzitter moet worden onderscheiden van de directeur publieke gezondheid. De directeur heeft de leiding over de gezondheidsdienst en is secretaris in de besturen. Hij is geen wethouder. Hij wordt weliswaar door het algemeen bestuur benoemd, maar – en dat is tevens een wettelijke eis – wel altijd in overeenstemming met het bestuur van de Utrechtse veiligheidsregio. Dat bestuur bestaat alleen uit de burgemeesters.

(Mr. Leon)

Utrecht en de JA/JA-sticker

VRIJDAG 6 MAART 2020 Om papier en inkt te besparen wil de gemeente Utrecht dat huis-aan-huisbladen voortaan alleen bezorgd worden op adressen die een JA/JA-sticker op de brievenbus hebben. Dat heeft Utrecht zo geregeld in gemeentelijke verordeningen die daar sinds 1 januari gelden. Stadskrant Utrecht is zo’n huis-aan-huisblad. Sinds tientallen jaren valt het wekelijks in elke brievenbus, behalve in die met een NEE/NEE-sticker erop. De uitgeverij is vanwege deze nieuwe regelgeving naar de rechter gestapt. De rechter heeft vorige week uitspraak gedaan. Wat is er in de domstad aan vooraf gegaan en hoe oordeelt de rechter over het gebeurde?

STICKERS De eerste JA op de JA/JA-sticker betekent dat de bewoner ongeadresseerd reclamedrukwerk wil ontvangen. De tweede JA betekent dat hij huis-aan-huisbladen wil ontvangen. Er zijn ook NEE/JA-stickers en NEE/NEE-stickers in omloop. JA/NEE-stickers bestaan daarentegen weer niet. Normaliter betekent een brievenbus zonder sticker hetzelfde als een met JA/JA-sticker. Normaliter, want in Utrecht is sinds 1 januari geregeld dat een brievenbus zonder sticker de betekenis heeft van een met NEE/NEE-sticker.

DELICT Wie ondanks een NEE/NEE-sticker toch ongeadresseerd reclamedrukwerk en huis-aan-huisbladen ontvangt, kan – waar hij ook woont in ons land, want ze zijn er in elke gemeente – een klacht indienen bij het bedrijf dat ze verspreidt en naar de Reclame Code Commissie stappen als die klacht niet naar tevredenheid wordt afgehandeld. Voor wie een NEE/JA- sticker heeft, geldt dit alleen voor reclamedrukwerk. In Utrecht is sinds 1 januari geregeld dat het bezorgen van reclamedrukwerk of huis-aan-huisbladen op adressen die dit niet willen zelfs verboden is. Wie het verbod schendt, pleegt zelfs een strafbaar feit, een zogenaamde economisch delict. Niet alleen de uitgeverij die het blad verspreidt is strafbaar, maar ook de jongeman die het bezorgt. Een brievenbus zonder sticker geldt als hier een brievenbus met NEE/NEE-sticker.

MOTIE Hoe is het allemaal begonnen in Utrecht? Met de motie Opt-in systeem ongeadresseerd drukwerk, ingediend in de vorige raadsperiode (juni 2016). Indieners waren fractieleden van Partij voor de Dieren, GroenLinks en ChristenUnie. De motie is aangenomen met steun van PvdA, D66 en Student & Starter. Tegenstemmers waren CDA, Stadsbelang Utrecht, SP en VVD.

AMENDEMENT Ter uitvoering van de motie heeft het college van B&W vorig jaar een voorstel gedaan om de gemeentelijke Afvalstoffenverordening en de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) te wijzigen.  De VVD diende een amendement in om deze wijziging alleen te laten gelden voor ongeadresseerd reclamedrukwerk, en dus niet te laten gelden voor huis-aan-huisbladen zoals de Stadskrant Utrecht. De wethouder ging daar niet in mee, en ontraadde zelfs het amendement. Uiteindelijk werd het amendement alleen door VVD, PVV en Stadsbelang Utrecht gesteund. Weliswaar waren CDA en PvdA bezorgd dat de JA/JA-sticker te moeilijk verkrijgbaar is voor bewoners die het huis-aan-huisblad willen ontvangen. Daarom drongen zij er bij de wethouder op aan dat de gemeente zorgt voor een actieve verspreiding van de JA/JA-stickers, bijvoorbeeld huis aan huis. De wethouder ging daar niet in mee. Toch stemden beide fracties tegen het amendement: net als de wethouder vreesden zij dat het amendement zou leiden tot de komst van grote reclamemagazines die dan doorgaan voor huis-aan-huisbladen. Ten slotte heeft de gemeenteraad het collegevoorstel tot wijziging van de gemeentelijke verordeningen aangenomen. Tegen stemden alleen VVD, PVV en Stadsbelang Utrecht.

NIEUWS Niemand in de gemeentepolitiek heeft trouwens beweerd dat Stadskrant Utrecht een groot reclamemagazine is. De rechter overweegt dat dit huis-aan-huisblad naast een hoeveelheid advertenties “zo’n 36% aan redactionele inhoud” bevat, met andere woorden nieuws en informatie bevat. Als ik het 20 pagina’s tellende nummer van vorige week (26 februari) doorblader, dan wordt er over maatschappelijke en politieke onderwerpen gesproken in artikelen die koppen hebben als Meer criminaliteit op Smaragdplein, Rookvrije speelplek, Ja-Ja-sticker in Utrecht, Oplossing afhandeling Utrechts Centrum voor de Kunsten, Lichte daling ongevallen, Gevarieerder aanbod zou winkelcentrum goed doen,  Nul-op-de-meter: 97% dreven Overvecht stemt voor, Derde van zorginstellingen verduurzaamd, De kerk wordt een stadsklooster, Stem op beste idee voor fietspad, Guerrilla Gardeners, Gesprek over financiën, Wonen en energie hand in hand, Digitale voordeur staat open, Sporten kost niet veel, Nieuwe locatie festival en Record aantal inschrijvingen Canal Pride. Blijkbaar voorziet het blad ook in kritische analyse van wat er speelt in de Utrechtse politiek en samenleving.

VRIJHEID VAN MENINGSUITING De rechter – het gerechtshof in Arnhem – heeft uitspraak gedaan. Het oordeelde in kort geding dat de wijzigingen van de Utrechtse Afvalstoffenverordening en APV in strijd zijn met het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden. Ze strijden met name met de daarin geregelde vrijheid van meningsuiting. Mening betekent in dit verdrag inlichtingen of denkbeelden. Dat is meer dan wat er in het dagelijks taalgebruik onder wordt verstaan. Bovendien betekent meningsuiting in dit verdrag niet alleen het verstrekken van een mening, maar ook het ontvangen van een mening en het niet (willen) uiten van een mening. Hier is Stadskrant Utrecht de verstrekker en zijn haar lezers de ontvangers. De overheid mag zich niet mengen in deze meningsuiting, tenzij dat gerechtvaardigd is. Het gemeentelijk verbod om huis-aan-huisbladen zoals Stadskrant Utrecht te bezorgen op adressen zonder JA/JA-sticker is zo’n inmenging. Maar is het misschien een gerechtvaardigde inmenging? Dat blijkt niet het geval. De rechter geeft hiervoor verschillende redenen. Ik noem hier dat Stadskrant Utrecht zonder papieren versie en zonder advertenties niet levensvatbaar is, en dat lezers er moeite voor moeten doen om een JA/JA-sticker te krijgen. Voor de lezer komt daar nog bij dat die sticker op zijn brievenbus een meningsuiting is die hij misschien niet zou willen uiten, bijvoorbeeld omdat het tot (onprettige) reacties van derden kan leiden. Stadskrant Utrecht heeft dit geding dus gewonnen.

(Mr. Leon)

Complexe jeugdzorg en de jeugdregio

VRIJDAG 24 JANUARI 2020 Uitgebreid was deze week in het nieuws dat instellingen voor complexe jeugdzorg het al een tijdje financieel moeilijk hebben. Sommige locaties hebben hun deuren al moeten sluiten, zoals de locatie Hoenderloo van instelling Pluryn. Met alle gevolgen van dien voor de jonge mensen die er verbleven en behandeld werden. Afgelopen woensdag heeft de vaste Tweede Kamercommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport er enkele uren over vergaderd. Hoe denkt de regering dit op te gaan lossen?

GEMEENTEN zijn verantwoordelijk voor jeugdzorg. Jeugdzorg omvat alle maatschappelijke voorzieningen voor jeugdigen. Complexe jeugdzorg is er een van. Gemeentelijke verantwoordelijkheid is er voor alle jeugdzorg. De jongeren die in Hoenderloo verbleven, kregen complexe jeugdzorg door een gespecialiseerde instelling. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat een jongere de jeugdzorg kan krijgen die hij nodig heeft. De gemeente waarin de jongere woont moet daarvoor zorgen.

DECENTRALISATIE Gemeenten zijn nog niet zolang verantwoordelijk voor jeugdzorg zoals complexe jeugdzorg. Dat is pas sinds 2015 het geval, toen de Jeugdwet tot stand kwam. Tot die tijd was vooral het Rijk verantwoordelijk voor jeugdzorg. De ommekeer in 2015 maakte deel uit van de decentralisatie in het sociaal domein. Wat de complexe jeugdzorg betreft, maken gemeenten sindsdien afspraken met gespecialiseerde jeugdzorginstellingen. Dat zijn bijvoorbeeld afspraken over tarieven voor een behandeling en verblijf. Volgens de instellingen zijn die vaak te laag; gemeenten zeggen niet nog meer te kunnen bieden.

COLLEGE VAN B&W Zowel de gemeenteraad als het college van burgemeester en wethouders hebben wettelijke taken en verantwoordelijkheden gekregen op het gebied van jeugdzorg. Zo is het college er bijvoorbeeld verantwoordelijk voor geworden dat een jongere de zorg kan krijgen die hij of zij nodig heeft. Het is de taak van de raad om daarvoor een richtinggevend plan te maken. Raden en colleges hoeven deze taken niet in hun eentje uit te voeren. Ze mogen samenwerken met andere gemeenten, en dat is de afgelopen jaren ook gebeurd in zogenaamde jeugdregio’s. Colleges moesten zelfs samenwerken als dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van hun taken aangewezen was.

MINISTER van Volksgezondheid – Hugo de Jonge (CDA) – komt gemeenten inmiddels financieel tegemoet met enkele extra honderden miljoenen; ook de specialistische instellingen voor complexe jeugdzorg kunnen hiervan profiteren. Maar meer geld lost volgens de minister niet alle problemen op, ook niet in de complexe jeugdzorg. Daarvoor is tevens nodig dat gemeenten meer en beter met elkaar gaan samenwerken dan tot nu toe het geval is geweest. Tot nu toe mochten gemeenten namelijk zelf beslissen met welke andere gemeenten wordt samengewerkt en over welke taken uit de jeugdzorg met elkaar wordt samengewerkt. Veel gemeenten werken volgens de minister op te weinig taken samen en bovendien met te weinig andere gemeenten. Daar komt nog bij dat gemeenten uit zo’n jeugdregio kunnen stappen. Voor de complexe jeugdzorg zijn eigenlijk extra grote jeugdregio’s nodig. Ministerieel ingrijpen en dwingen tot andere samenwerking stuit echter op juridische bezwaren, die te maken hebben met het belang van lokale autonomie.

VASTE JEUGDREGIO’S De eerste stap om die bezwaren weg te nemen is in maart vorig jaar gezet met een wijziging van de Jeugdwet. Sindsdien mag de regering colleges van burgemeester en wethouders die niet goed samenwerken dwingen om dat beter te doen. Daarover – en dat is de tweede stap – moet dan wel eerst met die gemeenten inhoudelijk worden overlegd. Dat overleg is al enige tijd gaande, zo begrijp ik. De minister wil inmiddels ook nog verdergaande stappen gaan zetten. Hij wil de jeugdregio’s in de Jeugdwet gaan vastleggen. En ook wettelijk vastleggen welke taken een gemeente zelf moet uitvoeren, welke taken door samenwerking in een jeugdregio moeten worden uitgevoerd en welke taken door samenwerking op bovenregionale schaal moeten worden uitgevoerd (zoals complexe zorg?).  

(Mr. Leon)

Parttime wethouders en gedeputeerden

DONDERDAG 28 NOVEMBER 2019 In de Volkskrant van afgelopen maandag stond een groot artikel over een gedeputeerde in de provincie Flevoland en twee wethouders in de gemeenten Veldhoven en Krimpenerwaard die gedeeltelijk wachtgeld kunnen ontvangen omdat ze voor hun werkzaamheden parttime beloond worden. Het krantenbericht gaat er vooral over of ze al dan niet recht op wachtgeld hebben. Mij gaat het hier om iets anders. In het artikel komen twee redenen ter sprake voor de aanwezigheid van parttimers in de dagelijkse besturen van gemeenten en provincies. Ten eerste: de wethouder of gedeputeerde wil om persoonlijke redenen niet fulltime werken. Ten tweede: de volksvertegenwoordigers van gemeente of provincie, dat zijn gemeenteraad respectievelijk provinciale staten, stellen te weinig geld beschikbaar om al hun dagelijkse bestuurders fulltime te belonen. Er had ook nog een derde reden kunnen zijn, en daarover gaat deze bijdrage.

DE WET Die derde reden hangt net als de tweede reden samen met de versplintering in de politiek, de veelheid aan partijen met volksvertegenwoordigers. Daardoor zijn voor het smeden van een meerderheidscoalitie veel partijen nodig, en elke coalitiepartij wil een eigen wethouder hebben (of gedeputeerde). De derde reden staat echter in de wet. Zowel in de Provinciewet als in de Gemeentewet staan namelijk maxima voor het aantal wethouders of gedeputeerden. Het aantal wethouders in het college van burgemeester en wethouders en het aantal gedeputeerden in gedeputeerde staten mag dit wettelijk maximum niet overschrijden. In beide wetten worden twee maxima genoemd: een maximum als er alleen maar fulltimers zijn en een maximum als er ook parttimers zijn. Het laatste maximum is hoger.

GEDEPUTEERDEN IN DE PROVINCIE Een provinciebestuur mag maximaal zeven gedeputeerden hebben, als er alleen fulltimers zijn. Maximaal negen, als er ook parttimers zijn. Daarbij maakt het niet uit hoe groot de provincie is en hoeveel Statenleden er zijn. Zowel kleine als grote provincies moeten zich aan deze maxima houden. Flevoland is een kleine provincie, want heeft maar zo’n 400.000 inwoners. De coalitie bestaat hier uit zes partijen: VVD, CDA, D66, PvdA, GroenLinks en ChristenUnie. Elke coalitiepartij heeft een eigen gedeputeerde. Met deze zes gedeputeerden blijft Flevoland dus onder het wettelijk maximum. Wettelijk gezien hadden ze alle zes fulltimers kunnen zijn.

WETHOUDERS IN DE GEMEENTE Het maximumaantal wethouders is wél afhankelijk van de grootte van de gemeente. Het is namelijk afhankelijk van het aantal gemeenteraadsleden, en dat hangt op zijn beurt weer af van het inwonertal. Het maximumaantal is 1/5 van het aantal raadsleden in de gemeente. Tenminste als er alleen fulltime wethouders zijn. Als er ook parttimers zijn, is het maximumaantal ¼. Gemeenten met vijf duizend inwoners hebben slechts elf raadsleden. Zij mogen maximaal twee wethouders hebben, want dat is afgerond 1/5 van elf. Er moet altijd worden ”afgerond tot het dichtstbijgelegen gehele getal”. Mét parttimers is het maximum voor deze gemeenten drie wethouders, want ¼ van elf is ”afgerond tot het dichtstbijgelegen gehele getal” drie. Eén wethouder meer dus. Een voorbeeld is het Utrechtse Renswoude, met drie wethouders. De grootste gemeenten zijn gemeenten met meer dan 200.000 inwoners en zij hebben daardoor 45 raadsleden. In hun college van burgemeester en wethouders mogen hooguit negen wethouders zitting hebben. Als er ook parttimers zijn, mogen dat er hooguit elf zijn, want ¼ van 45 is afgerond elf. Twee wethouders meer dus. Rotterdam heeft zo’n 640.000 inwoners en tien wethouders. Minstens één ervan moet dus parttimer zijn.

KRIMPENERWAARD is een Zuid-Hollandse gemeente met ongeveer 56.000 inwoners en de gemeenteraad bestaat daarom uit 31 leden. Er zijn elf fracties in de raad en vijf daarvan vormen de coalitie. Krimpenerwaard mag zes fulltime wethouders hebben. Het college van B&W bestaat uit zes wethouders. Vanuit de Gemeentewet gezien hadden ze allen fulltimer mogen zijn.

VELDHOVEN is een gemeente in Noord-Brabant met (nu) iets meer dan 45.000 inwoners. In het jaar voorafgaand aan de laatste gemeenteraadsverkiezingen waren dat er iets minder dan 45.000. Daarom heeft Veldhoven 27 gemeenteraadsleden. De gemeenteraad bestaat uit negen fracties en drie daarvan vormen de coalitie. Veldhoven mag dus hooguit vijf fulltime wethouders hebben. Het college van B&W bestaat uit vijf wethouders. Vanuit de Gemeentewet gezien hadden ze allen fulltimer mogen zijn.

SCHIERMONNIKOOG De kleinste gemeente van ons land is Schiermonnikoog, met nog geen duizend inwoners. Gemeenten met minder dan drieduizend inwoners hebben negen raadsleden. Het waddeneiland heeft dus negen raadsleden. Er mogen dan maximaal twee fulltime wethouders zijn. Ook mét parttimers mogen het er niet meer zijn, want afgerond is ¼ van negen nog steeds twee. Had het eiland ook voor één wethouder mogen opteren? Nee. De wet eist namelijk minimaal twee wethouders, hoe klein of groot een gemeente ook is.

MINISTERS Anders dan het aantal wethouders en gedeputeerden is het aantal ministers in de regering niet wettelijk gemaximeerd.

(Mr. Leon)

APV

DONDERDAG 5 SEPTEMBER 2019 Elke gemeente heeft een Algemene Plaatselijke Verordening (APV), vroeger Algemene Politie Verordening geheten. Deze verordening is een wet die gemaakt is door de gemeenteraad. Zoals elke wet van enige omvang bestaat de APV uit bepalingen die over hoofdstukken zijn verdeeld. De APV-bepalingen houden verboden en geboden in voor burgers en bedrijven. De rechter kan bij overtreding veroordelen tot een geldboete of hechtenis (soort van gevangenisstraf). Een gemeente is tot op zekere hoogte vrij in wat ze verbiedt of gebiedt. Toch zijn veel verboden en geboden in bijna alle APV’s hetzelfde. Bijna alle APV’s hebben het hoofdstuk maatregelen tegen overlast en baldadigheid. Ook voor dit hoofdstuk geldt dat de meeste ge- en verboden in zo’n beetje elke APV voorkomen. Maar er zijn ge- en verboden die slechts in een of enkele APV’s voorkomen. Van die laatste hieronder een selectie.

BLAFFEN Het Overijsselse Hengelo eist van hondenbezitters dat geblaf niet leidt tot hinder voor omwonenden of omgeving. Het Gelderse Nijkerk lijkt de lat iets minder hoog te leggen, want hier hoeft de hondenbezitter slechts aanhoudend geblaf en gejank te voorkomen als dat tot hinder voor de omgeving leidt. Het Limburgse Brunssum legt de lat juist iets hoger en wil dat geen enkel huisdier geluidhinder veroorzaakt.

PLASSEN Groningen, Breda en Middelburg verbieden mensen het doen van een buiten plas. Middelburg verbiedt dit ook buiten de bebouwde kom. Groningen en Middelburg verbieden het alleen op plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Het Bredase verbod is er ook op plaatsen die niet voor het publiek toegankelijk zijn (maar die wel zichtbaar zijn vanaf plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn).

VLOEKEN Het Gelderse Elburg verbiedt het vloeken in het openbaar, althans voor de vloek waarbij Gods naam wordt gebruikt.

VECHTEN Het Zeeuwse Sluis verbiedt vechten op of aan de weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats. Ook het Brabantse Bergeijk, Bladel en Eersel verbieden vechten in het openbaar. Deurne verbiedt bovendien om iemand in het openbaar lastig te vallen.

CAVIA’S Het Gelderse Oude IJsselstreek bindt het begraven in eigen tuin van katten, kanaries, konijnen, cavia’s, schildpadjes, honden en dergelijke aan regels. Er zijn bijvoorbeeld regels voor diepte (minstens 75 cm), gewicht (hooguit 10 kg) en aantal (hooguit twee). Andere dieren mogen helemaal niet in eigen tuin worden begraven.

PLANTEN Het Friese Ferwerderadeel gebiedt mensen om de berenklauw uit hun tuin te verwijderen, als de gemeente dat verlangt.

GLASWERK Het Zuid-Hollandse Capelle aan den IJssel verbiedt om op een speelweide of speelplaats glas bij je hebben, bijvoorbeeld een glas om uit te drinken. Het Limburgse Heerlen verbiedt glazen drinkgerei op elke openbare plaats.

LACHGAS Boxmeer en Oosterhout in Noord-Brabant verbieden de consumptie van lachgas in het openbaar, althans als daardoor hinder ontstaat.

SPELEN Het Overijsselse Kampen en het Zeeuwse Middelburg verbieden kaartspelen (en andere spelletjes) op of aan de openbare weg, althans als er om geld wordt gespeeld.

MASKERS Het Brabantse Dongen verbiedt mensen om in het openbaar een masker te dragen. Zou dit verbod ook tijdens carnaval worden gehandhaafd?

ZOEKEN Het Groningse Westerwolde schrijft de amateurarcheoloog voor gebruik van een metaaldetector een gemeentelijke vergunning voor.

LANTAARNPALEN Het Noord-Hollandse Diemen verbiedt het vastmaken van fietsen aan bomen of lantaarnpalen die op of aan de weg staan.

VISSEN OP ZONDAG? De vrijheid van de gemeenteraad om in de APV ge- en verboden te stellen is niet onbeperkt. Er zijn grenzen aan de strafbare feiten die de raad in het leven kan roepen. Als een ge- of verbod daaroverheen gaat, is het niet verbindend en heeft de overtredende burger niets strafbaar gedaan. Zo stond in de jaren twintig van de vorige eeuw in de APV van de gemeente Wilnis (tegenwoordig deel van het Utrechtse De Ronde Venen) het verbod om op zondagen te vissen met hengel. Het was zelfs verboden als anderen dat niet konden zien vanaf een openbare plaats. Dit verbod ging de rechter te ver. De meneer die wegens het vissen op zondag voor de rechter was gedaagd, werd daarom ontslagen van alle rechtsvervolging. Wat hij had gedaan, was namelijk geen strafbaar feit.

Amsterdam en straatnamen: hebben de watergeuzen toch nog verloren!

DINSDAG 5 MAART 2019 In het Amsterdamse IJburg is een nieuwe woonwijk bijna opgeleverd, maar over de namen die de nieuwe straten gaan krijgen, is nog geen besluit genomen. De officiële straatnamencommissie heeft al enige tijd geleden geadviseerd om de straten te vernoemen naar hoofdrolspelers van de Slag op de Zuiderzee, het tegenwoordige IJsselmeer. Bij deze slag in het najaar van 1573 stonden de watergeuzen en de Spaanse Vloot tegenover elkaar. Alva’s Spanjaarden verloren, mede dankzij de heldendaden van Cornelis Dirkszoon en Jan Haring. De burgemeester wil het advies niet overnemen – geen Jan Haringstraat dus – omdat witte mannen minder moeten gaan domineren in de wereld van straatnamen. Hoe is de bevoegdheid geregeld voor het geven van officiële straatnamen?

Raad Het geven van namen aan straten en wegen in de gemeente is een bevoegdheid van de gemeenteraad.

College De gemeenteraad mag die bevoegdheid overdragen aan het college van burgemeester en wethouders. Dan is de bevoegdheid gedelegeerd aan het college. Wat de gevolgen van delegatie zijn, is in de wet geregeld. Het gaat hier om de Algemene wet bestuursrecht. Daarin staat bijvoorbeeld dat de verkrijger – de delegataris: hier het college – de bevoegdheid onder eigen verantwoordelijkheid gaat uitoefenen. Degene die overdraagt – de delegans: hier de gemeenteraad – mag die bevoegdheid niet meer zelf uitoefenen. De delegans mag wel beleidsregels geven over hoe de delegataris de verkregen bevoegdheid moet uitoefenen. Delegatie mag alleen als een wet dit expliciet toelaat. De Gemeentewet laat delegatie van de straatnaamgeving expliciet toe.

Amsterdams college In Amsterdam heeft de gemeenteraad de bevoegdheid om straten van een naam te voorzien daadwerkelijk overgedragen aan het college van burgemeester en wethouders. Dat is al jaren geleden gebeurd.

Mannen De Amsterdamse gemeenteraad mag dus beleidsregels geven over hoe het college zijn verkregen bevoegdheid moet uitoefenen. Afgelopen donderdag heeft het college in de raad gezegd dat het heeft beslist om het advies van de straatnamencommissie niet over te nemen, omdat de politiek al in 2016 heeft besloten dat straatnamen minder het domein moeten zijn van witte mannen. Ik heb het besluit uit 2016 niet gevonden, maar wellicht dat het hier gaat om een beleidsregel van de gemeenteraad. Het college is gebonden aan zo’n beleidsregel en hoeft zijn beslissing niet verder te motiveren als die conform de beleidsregel is.

Burgemeester In de krant staat dat het de burgemeester was die in de raadsvergadering het woord voerde over de straatnaamgeving. Daaruit kan worden afgeleid dat zij portefeuillehouder is voor straatnaamgeving. Dat betekent dat zij het is die binnen het college over de straatnaamgeving gaat. Maar het betekent niet dat het college die bevoegdheid aan haar heeft overgedragen/gedelegeerd: de bevoegdheid kan haar slechts zijn gemandateerd. Collegebevoegdheden mogen namelijk niet worden gedelegeerd aan een wethouder of burgemeester. Mandatering of machtiging van de burgemeester door het college is uitdrukkelijk wél toegestaan, namelijk in de Gemeentewet. Anders dan de delegataris bij delegatie oefent een mandataris (gemachtigde) de bevoegdheid uit namens en onder verantwoordelijkheid van de mandans/volmachtgever. Hier doet de gemachtigde burgemeester dat dus namens en onder verantwoordelijkheid van het college.

Raadsleden Over de namen die zij aan de straten geeft moet de burgemeester zich bij de gemeenteraad verantwoorden en vragen beantwoorden van een raadslid.

Amsterdam De wet maakt de gemeenteraad trouwens niet alleen bevoegd om namen te geven aan nieuwe straten of om bestaande straatnamen te wijzigen, maar ook om de naam van de gemeente te wijzigen. Er zijn geen aanwijzingen dat de Amsterdamse raad dat in gedachten heeft.

BRONNEN:

”Raad”

Artikel 1 van de Wet Besluit basisregistraties adressen en gebouwen (Wet BAG) luidt (gedeeltelijk): In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: j. openbare ruimte: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig aangewezen en van een naam voorziene buitenruimte die binnen één woonplaats is gelegen; n. woonplaats: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig aangewezen en van een naam voorzien gedeelte van het grondgebied van de gemeente.

Artikel 6 luidt (gedeeltelijk): De gemeenteraad deelt het grondgebied van de gemeente in een of meer woonplaatsen in, stelt de openbare ruimten vast en kent nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen.

”College”

Artikel 156 van de Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De raad kan aan het college en aan een door hem ingestelde bestuurscommissie bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

Artikel 10:13 van de Algemene wet bestuursrecht luidt: Onder delegatie wordt verstaan: het overdragen door een bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten aan een ander die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent.

Artikel 10:15 luidt: Delegatie geschiedt slechts indien in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien.

Artikel 10:16 luidt: Het bestuursorgaan kan ter zake van de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid uitsluitend beleidsregels geven. Degene aan wie de bevoegdheid is gedelegeerd, verschaft het bestuursorgaan op diens verzoek inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheid.

Artikel 10:17 luidt: Het bestuursorgaan kan de gedelegeerde bevoegdheid niet meer zelf uitoefenen.

De delegatieartikelen uit de Algemene wet bestuursrecht zijn niet rechtstreeks van toepassing maar zijn van overeenkomstige toepassing: Artikel 10:21 luidt (gedeeltelijk): (Bovenstaande artikelen zijn) van overeenkomstige toepassing indien een bestuursorgaan zijn bevoegdheid tot het verrichten van andere handelingen dan besluiten overdraagt aan een ander die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent.

Uit de Algemene Toelichting op de Verordening basisinformatie 2018 van de gemeente Amsterdam: (..) het vaststellen van een openbare ruimte of het toekennen van een naam daaraan, zijn geen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (..) De openbare ruimte omvat (..) straten, dijken en wegen.

”Amsterdams college”

Verordening de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent basisinformatie 2018 (in voorafgaande verordening was praktisch hetzelfde geregeld). Artikel 1 luidt (gedeeltelijk): In deze verordening en de hierop gebaseerde regels wordt verstaan onder: g. naambord: bord met een of meer door de gemeenteraad of het college toegekende namen aan een woonplaats, stadsdeel, wijk, buurt of openbare ruimte; j. openbare ruimte: buitenruimte als bedoeld in artikel 1, onder j, van de Wet BAG. Artikel 7 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Het college: b. stelt de openbare ruimten vast, kent namen daaraan toe en kent nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen. Lid 2. Voordat het college een naam toekent aan een een openbare ruimte als bedoeld in het eerste lid, onder b, vraagt het advies aan de Commissie naamgeving openbare ruimten. Lid 3. Onder vaststellen, indelen en toekennen, als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan.

”Mannen”

Artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht luidt (gedeeltelijk): Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een door hem gedelegeerde bevoegdheid.

Artikel 4:82 luidt: Ter motivering van een besluit kan slechts worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel.

Artikel 4:84 luidt: Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

”Burgemeester”

Artikel 168 Gemeentewet luidt: Het college kan een of meer leden van het college machtigen tot uitoefening van een of meer van zijn bevoegdheden, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt zich daartegen verzet. Een krachtens machtiging uitgeoefende bevoegdheid wordt uit naam en onder verantwoordelijkheid van het college uitgeoefend. Het college kan te dien aanzien alle aanwijzingen geven die het nodig acht.

”Raadsleden”

Artikel 155 van de Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): Een lid van de raad kan het college of de burgemeester mondeling of schriftelijk vragen stellen.

Artikel 169 luidt: Het college en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan de raad verantwoording schuldig over het door het college gevoerde bestuur. Zij geven de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Zij geven de raad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.

”Amsterdam”

Artikel 158 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De raad kan de naam van de gemeente wijzigen.

Eerste Rotterdamse veroordeling voor straatintimidatie (2): het uitjouwverbod en het lastigvallenverbod

DINSDAG 8 JANUARI 2019 Half december heeft de rechtbank Rotterdam iemand veroordeeld wegens straatintimidatie. Dat was de eerste keer. Straatintimidatie is een nieuw strafbaar feit. Het staat echter niet in het Wetboek van Strafrecht. Het staat in de APV van de gemeente Rotterdam. Mág een gemeente het wel strafbaar stellen? De bijdrage van vandaag is het vervolg op die van gisteren. De bijdrage van gisteren is hierin helemaal opgenomen en een beetje uitgebreid.

APV Elke gemeente heeft een algemene plaatselijke verordening (APV) waarin ze haar huishouding naar eigen inzicht regelt. In de Rotterdamse APV zijn bijvoorbeeld regelingen opgenomen over betogingen, veiligheid op de weg, evenementen, overlast, vuurwerk en de openbare orde. Onder Openbare orde is de straatintimidatie geregeld. De APV wordt vastgesteld door de gemeenteraad.

Straatintimidatie Sinds vorig jaar kent de Rotterdamse APV een artikel over straatintimidatie. Het luidt als volgt: Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.

Uitleg Hoe dit artikel uit te leggen? De rechtbank zegt dat zowel uitjouwen als lastigvallen hierin worden strafbaar gesteld en dat aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen slechts een invulling zijn van het laatste begrip.

Feiten Wat is er feitelijk gebeurd? De rechtbank zegt hierover het volgende. Het gebeurde afgelopen zomer, in de openbare ruimte in het centrum van Rotterdam. Feit 1. De dader roept tegen enkele vrouwen die hem passeren: ‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ Hij brengt zijn linkerhand in de richting van zijn mond en tuit zijn lippen en maakt kusgebaren in de richting van de vrouwen. Een van de vrouwen zegt: ‘Kom we gaan weg hier’. Hierop lopen de vrouwen terug in de richting van het Binnenwegplein. De verdachte roept hen na: ‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’ De vrouwen reageren niet en lopen door. Een andere vrouw komt uit de richting van het Binnenwegplein. De verdachte zegt tegen haar: ‘Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’. De vrouw reageert niet en loopt door. Feit 2. De dader kijkt in de richting van een vrouw die ergens zit. Hij gaat naast de vrouw zitten en blijft in de richting van de vrouw kijken. De vrouw schuift een meter op. De dader spreekt de vrouw aan en roept: ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit.’ De vrouw reageert en zegt: ‘Dankjewel’ en negeert hem. Hij tuit zijn lippen en maakt kus- en handgebaren in de richting van de vrouw. Hij loopt weg en spreekt drie andere vrouwen aan. De vrouwen reageren niet. Hij tuit zijn lippen en maakt kus- en handgebaren in de richting van de vrouwen en zegt: ‘Doei schatjes, fijne avond’. De rechtbank zegt dat de dader zich door deze feiten heeft schuldig gemaakt aan straatintimidatie, en – preciezer gezegd – aan lastigvallen.

Bovengrens 1Terug naar de APV. Een artikel in de APV of een gedeelte daarvan mag niet in strijd zijn met een hogere regeling, zoals een parlementaire wet of de Grondwet. Maar wanneer is dat het geval? Wanneer wordt met andere woorden de bovengrens geschonden? De rechtbank zegt hierover dat een APV-bepaling in strijd is met een parlementaire wet als – onder andere – die wet hetzelfde onderwerp regelt, dat vanuit hetzelfde motief doet en bovendien geen ruimte laat voor aanvulling met een regeling zoals die van dit gemeentelijk APV-artikel.

Uitjouwen De rechtbank zegt dat het gemeentelijk verbod van uitjouwen in strijd is met de wet. Het is namelijk met enkele artikelen uit het Wetboek van Strafrecht in strijd. Te weten de wetboekartikelen over opzettelijke belediging (zoals artikel 266) en bedreiging (zoals artikel 285). Deze artikelen regelen namelijk hetzelfde onderwerp en vanuit hetzelfde motief als het gemeentelijke APV-artikel over straatintimidatie en bovendien laten ze geen ruimte voor aanvulling. Het uitjouwverbod in de Rotterdamse APV is daarom in strijd met een parlementaire wet, en daarmee onverbindend (ongeldig).

Lastigvallen De rechtbank zegt dat dit niet het geval is met het Rotterdams verbod van lastigvallen. Dit gedeelte van het APV-artikel over straatintimidatie is dus niet in strijd met een parlementaire wet. Echter, dat betekent niet automatisch dat het geldig is en dat mensen die het hebben overtreden strafbaar zijn.

Bovengrens 2 Parlementaire wetten – zoals het Wetboek van Strafrecht – zijn niet de enige bovengrens van een APV. Alle hogere regelingen zijn bovengrens voor een APV. Een APV mag bijvoorbeeld evenmin in strijd zijn met de provinciale verordening, de Grondwet en een verdrag.

Grondwet De rechtbank gaat na of het onderdeel lastigvallen uit het APV-artikel strijdt met een verdrag (het Europees mensenrechtenverdrag) of de Grondwet. En concludeert dat er geen strijd is met het verdrag, maar wél met de Grondwet. Het onderdeel lastigvallen is namelijk in strijd met de vrijheid van meningsuiting. Dat is een grondrecht of te wel mensenrecht dat is geregeld in artikel 7 (lid 3) van de Grondwet. Daarin staat onder andere: Voor het openbaren van gedachten of gevoelens (..) heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De rechtbank zegt dat met mondelinge uitlatingen (zoals die van de dader) gedachten of gevoelens worden geuit. Die uitlatingen vallen daardoor onder de vrijheid van meningsuiting. Het Rotterdamse straatintimidatieverbod beperkt dus de vrijheid van meningsuiting. Een beperking van deze vrijheid levert niet per se strijd op met het grondrecht. Het grondrecht geldt namelijk niet onbeperkt. Het mag beperkt worden: dat volgt uit de woorden behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Met wet wordt hier bedoeld een parlementaire wet: de vrijheid van meningsuiting mag dus alleen beperkt worden in een parlementaire wet. Een APV is géén parlementaire wet. De Rotterdamse APV waarin het straatintimidatieverbod staat, is géén geldige beperking van de vrijheid van meningsuiting. De rechtbank concludeert dat het in strijd is met de Grondwet. Voor zover een APV-artikel in strijd is met de Grondwet, is het onverbindend, anders gezegd: geldt het niet.

Toch veroordeeld En toch komt de rechtbank in deze rechtszaak tot een veroordeling en een strafoplegging wegens overtreding van het straatintimidatieverbod uit de APV. Is hier sprake van een foutje van de rechtbank? Een bureaucratische verschrijving? Neen. Hij wordt namelijk niet veroordeeld voor zijn mondelinge uitlatingen, want die vallen onder het openbaren van gedachten en gevoelens. Hij wordt wél veroordeeld voor zijn kus- en handgebaren, want die vallen in deze situatie niet onder het openbaren van gedachten of gevoelens. De kus- en handgebaren zijn hier dus geen beperking van het grondrecht vrijheid van meningsuiting. Het Rotterdamse straatintimidatieverbod verbiedt niet alleen mondelinge uitlatingen maar ook dergelijke kus- en handgebaren.

Dus het mag slechts beetje wel Is het Rotterdams straatintimidatieverbod geldig? Het uitjouwverbod is ongeldig. Het lastigvallenverbod is ongeldig voor wat betreft mondelinge uitlatingen; het is echter geldig voor wat betreft andere uitlatingen. Kusgebaren zijn (hier) geen mondelinge uitlatingen!

BRONNEN:

”APV”

Artikel 108 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente wordt aan het gemeentebestuur overgelaten.

Artikel 149 luidt: De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.

”Uitleg”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: De eerste twee begrippen, ‘uitjouwen’ en ‘lastigvallen’, vormen de kern van het verwijt en zijn daarmee de kwalificerende begrippen in de tenlastelegging. Het derde begrip ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ vormt een invulling van het begrip ‘lastigvallen’.

”Bovengrens”

Artikel 121 Gemeentewet luidt: De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Bij de uitleg van alle drie de begrippen moet steeds in het oog worden gehouden dat het in artikel 2:1a APV strafbaar gestelde gedrag een begrenzing vindt in strafbare feiten die al op andere wijze (bij wet in formele zin) zijn strafbaar gesteld.De gemeentelijke wetgever heeft namelijk een relatief ruime, maar wel slechts aanvullende verordenende bevoegdheid. Uit de toelichting wordt afgeleid dat het motief van de strafbaarstelling van straatintimidatie primair is gelegen in de bescherming van het openbare leven in de openbare ruimte en daarmee de openbare orde. In het verlengde daarvan moet de strafbaarstelling de personen die de straatintimidatie rechtstreeks ondergaan en de personen die het waarnemen beschermen. Bij de duiding van de begrippen moet van deze motieven van de gemeentelijke regelgever worden uitgegaan.

”Uitjouwen”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Toch laat het begrip uitjouwen zich lastig duiden wanneer daarbij wordt bedacht dat die uitlatingen dan bijvoorbeeld niet beledigend of bedreigend van aard mogen zijn. Dan zou immers dat gedrag al in het Wetboek van Strafrecht zijn strafbaar gesteld en is er geen ruimte voor strafbaarstelling door de gemeentelijke regelgever.

Het kwalificerende begrip uitjouwen is een smal begrip. Dit vindt zijn oorzaak in de betekenis die aan het begrip moet worden toegekend waardoor het begrip zijn begrenzing vaak zal vinden in andere strafbaarstellingen.

Artikel 266 Wetboek van Strafrecht luidt: Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 285 luidt (gedeeltelijk): Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met enig misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

”Lastigvallen”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Lastigvallen als kwalificerend begrip is juist breed en ziet vooral op het (be)naderen met oneerzame bedoelingen. Die oneerzame bedoelingen zullen dan moeten volgen en/of worden ingekleurd door de ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ waarmee iemand of meerdere personen worden benaderd. Het moet dan gaan om uitlatingen of handelingen die ergernis veroorzaken. Van deze betekenissen van de begrippen zal bij de verdere beoordeling worden uitgegaan.

”Grondwet”

Artikel 7 Grondwet. Lid 1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Lid 2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending. Lid 3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Het tweede zinsdeel van artikel 7 lid 3 Gw luidt: ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Dit zinsdeel duidt erop dat dit grondrecht mag worden beperkt maar alleen bij wet in formele zin. De vraag die zich hier opdringt is daarom of de strafbaarstelling zoals deze in artikel 2:1a van de APV is geformuleerd niet op gespannen voet staat met dit uitgangspunt. Dat is het geval als in een concrete zaak de ten laste gelegde handelingen als het openbaren van gedachten of gevoelens moeten worden aangemerkt. Het gevolg daarvan is dat artikel 2:1a APV – voor dat deel – onverbindend is en bewezenverklaarde feiten (deels) niet strafbaar zullen zijn.

Conclusie artikel 7 Grondwet

Voor zover onder de strafbaarstelling van artikel 2:1a APV het openbaren van gedachten of gevoelens wordt gebracht is dat artikel onverbindend omdat de APV geen wet in formele zin is. Dit betekent overigens helemaal niet dat het uiten van bepaalde gedachten of gevoelens niet moreel verwerpelijk kan zijn of dat strafbaarstelling van dergelijke uitspraken onmogelijk zou zijn. Het betekent niet meer en niet minder dan dat de manier waarop het nu is geregeld een zekere beperking met zich meebrengt.

De bewezenverklaarde mondelinge uitlatingen van de verdachte vallen onder de vrijheid van meningsuiting. Die uitlatingen zijn te beschouwen als het uiten van een gedachte of gevoelen zoals omschreven in artikel 7 lid 3 Gw.

Uitingen die vallen onder de vrijheid van meningsuiting mogen alleen worden beperkt bij wet in formele zin. De APV is geen wet in formele zin en daarom is artikel 2:1a APV niet-verbindend. Gevolg daarvan is dat de bewezenverklaarde uitspraken van de verdachte als zodanig niet strafbaar zijn en de verdachte in zoverre zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

”Toch veroordeeld”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: De bewezenverklaarde kus- en/of handgebaren vallen daarentegen niet onder vrijheid van meningsuiting (..) Ook zijn de kus- en handgebaren binnen de vastgestelde context niet onmiskenbaar te beschouwen als het uiten van een gedachte of gevoelen (..)

Eerste Rotterdamse veroordeling voor straatintimidatie (1): het uitjouwverbod

MAANDAG 7 JANUARI 2019 Half december heeft de rechtbank Rotterdam iemand veroordeeld wegens straatintimidatie. Dat was de eerste keer. Straatintimidatie is een nieuw strafbaar feit. Het staat echter niet in het Wetboek van Strafrecht. Het staat in de APV van de gemeente Rotterdam. Mág een gemeente het wel strafbaar stellen?

APV Elke gemeente heeft een algemene plaatselijke verordening (APV) waarin ze haar huishouding naar eigen inzicht regelt. In de Rotterdamse APV zijn bijvoorbeeld regelingen opgenomen over betogingen, veiligheid op de weg, evenementen, overlast, vuurwerk en de openbare orde. Onder Openbare orde is de straatintimidatie geregeld. De APV wordt vastgesteld door de gemeenteraad.

Straatintimidatie Sinds vorig jaar kent de Rotterdamse APV een artikel over straatintimidatie. Het luidt als volgt: Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.

Uitleg Hoe dit artikel uit te leggen? De rechtbank zegt dat zowel uitjouwen als lastigvallen hierin worden strafbaar gesteld en dat aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen slechts een invulling zijn van het laatste begrip.

Bovengrens Een artikel in de APV of een gedeelte daarvan mag niet in strijd zijn met een hogere regeling, zoals een parlementaire wet of de Grondwet. Maar wanneer is dat het geval? Wanneer wordt met andere woorden de bovengrens geschonden? De rechtbank zegt hierover dat een APV-bepaling in strijd is met een parlementaire wet als – onder andere – die wet hetzelfde onderwerp regelt, dat vanuit hetzelfde motief doet en bovendien geen ruimte laat voor aanvulling met een regeling zoals die van dit gemeentelijk APV-artikel.

Uitjouwen De rechtbank zegt dat het gemeentelijk verbod van uitjouwen in strijd is met de wet. Het is namelijk met enkele artikelen uit het Wetboek van Strafrecht in strijd. Te weten de wetboekartikelen over opzettelijke belediging (artikel 266) en bedreiging (artikel 285). Deze artikelen regelen namelijk hetzelfde onderwerp en vanuit hetzelfde motief als het gemeentelijke APV-artikel over straatintimidatie en bovendien laten ze geen ruimte voor aanvulling. Het uitjouwverbod in de Rotterdamse APV is daarom in strijd met een parlementaire wet, en daarmee onverbindend (ongeldig).

Lastigvallen De rechtbank zegt dat dit niet het geval is met het Rotterdams verbod van lastigvallen. Dit gedeelte van het APV-artikel over straatintimidatie is dus niet in strijd met een parlementaire wet. Echter, dat betekent niet automatisch dat het geldig is en dat mensen die het hebben overtreden strafbaar zijn.

Morgen volgt hier een tweede en laatste bijdrage over het Rotterdamse vonnis. Daarin krijgt de laatste zin van de vorige alinea uitwerking.

BRONNEN:

”APV:”

Artikel 108 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente wordt aan het gemeentebestuur overgelaten.

Artikel 149 luidt: De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.

”Uitleg:”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: De eerste twee begrippen, ‘uitjouwen’ en ‘lastigvallen’, vormen de kern van het verwijt en zijn daarmee de kwalificerende begrippen in de tenlastelegging. Het derde begrip ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ vormt een invulling van het begrip ‘lastigvallen’.

”Bovengrens:”

Artikel 121 Gemeentewet luidt: De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Bij de uitleg van alle drie de begrippen moet steeds in het oog worden gehouden dat het in artikel 2:1a APV strafbaar gestelde gedrag een begrenzing vindt in strafbare feiten die al op andere wijze (bij wet in formele zin) zijn strafbaar gesteld. De gemeentelijke wetgever heeft namelijk een relatief ruime, maar wel slechts aanvullende verordenende bevoegdheid. Uit de toelichting wordt afgeleid dat het motief van de strafbaarstelling van straatintimidatie primair is gelegen in de bescherming van het openbare leven in de openbare ruimte en daarmee de openbare orde. In het verlengde daarvan moet de strafbaarstelling de personen die de straatintimidatie rechtstreeks ondergaan en de personen die het waarnemen beschermen. Bij de duiding van de begrippen moet van deze motieven van de gemeentelijke regelgever worden uitgegaan.

Uitjouwen:

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Toch laat het begrip uitjouwen zich lastig duiden wanneer daarbij wordt bedacht dat die uitlatingen dan bijvoorbeeld niet beledigend of bedreigend van aard mogen zijn. Dan zou immers dat gedrag al in het Wetboek van Strafrecht zijn strafbaar gesteld en is er geen ruimte voor strafbaarstelling door de gemeentelijke regelgever.

Het kwalificerende begrip uitjouwen is een smal begrip. Dit vindt zijn oorzaak in de betekenis die aan het begrip moet worden toegekend waardoor het begrip zijn begrenzing vaak zal vinden in andere strafbaarstellingen.

Artikel 266 Wetboek van Strafrecht luidt: Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 285 luidt (gedeeltelijk): Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met enig misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

”Lastigvallen:”

De rechtbank Rotterdam overweegt op 19 december 2018: Lastigvallen als kwalificerend begrip is juist breed en ziet vooral op het (be)naderen met oneerzame bedoelingen. Die oneerzame bedoelingen zullen dan moeten volgen en/of worden ingekleurd door de ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ waarmee iemand of meerdere personen worden benaderd. Het moet dan gaan om uitlatingen of handelingen die ergernis veroorzaken. Van deze betekenissen van de begrippen zal bij de verdere beoordeling worden uitgegaan.

Ondermijnen prefab woningen de rechtsbescherming?

DONDERDAG 22 NOVEMBER 2018 In de krant van vorige week staat een groot artikel over prefab woningen. Dat zijn woningen – eengezinswoningen maar ook appartementen – die in de fabriek worden gemaakt en vervolgens van daaruit naar de woningbouwlocatie worden vervoerd. In vergelijking met een gewone woning die op locatie wordt gebouwd, zijn ze snel klaar en een stuk goedkoper. De kwaliteit is ook niet ondermaats. De prefab woningen lijken daardoor een belangrijke bijdrage te kunnen leveren aan de woningnood die veel gemeenten in het land ervaren. In onder andere Den Bosch, Nijkerk, Amsterdam, Texel, Rotterdam, Weert en Purmerend staan sinds kort prefab woningen of bestaan daarvoor vergevorderde plannen. Bijkomend voordeel voor gemeentebesturen is dat omwonenden en anderen die tegen de komst van (zekere) woningen op een bepaalde locatie zijn veel minder rechtsbescherming hebben. Hoe is het gesteld met die rechtsbescherming bij de bouw van gewone huizen? En wat is het verschil met prefab woningen? Deze bijdrage wil hierop uiteraard geen uitputtend antwoord geven.

Bouwen Voor het bouwen van een bouwwerk zoals een woning is altijd een omgevingsvergunning nodig. Zonder omgevingsvergunning is bouwen van een woning wettelijk verboden. Een woning die is gebouwd zonder omgevingsvergunning moet weer worden afgebroken.

Bestemmingsplan Een omgevingsvergunning wordt geweigerd als het bouwen van de woning (op een zekere locatie) in strijd is met het bestemmingsplan.

Gemeenteraad Het bestemmingsplan is gemaakt door de gemeenteraad. Daarin staat per locatie (perceel) wat de bestemming is en wat de regels zijn voor het gebruik van de grond en de daarop staande bouwwerken. Een bestemming kan bijvoorbeeld zijn kantoren, groen (park of plantsoen), detailhandel, bedrijventerrein, natuur en ten slotte wonen. De gemeenteraad moet om de tien jaar besluiten over verlenging of wijziging van het bestemmingsplan.

Woningbouw Het bouwen van woningen op een locatie mag dus niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Als dat wel het geval is en de gemeenteraad wil toch woningbouw op die locatie mogelijk maken dan moet de raad zijn bestemmingsplan wijzigen, en wel zo dat het nieuwe plan woningbouw op die locatie wel mogelijk is.

Nieuw bestemmingsplan Voor een nieuw bestemmingsplan is natuurlijk een raadsmeerderheid nodig. Maar dat is niet het enige. Ten eerste moet een nieuw plan worden voorbereid. Dat houdt onder andere in dat een ontwerp daarvan gedurende zekere tijd ter inzage moet worden gelegd. Gedurende die tijd kan iedereen – bijvoorbeeld omwonenden – daartegen bij de gemeente bezwaren indienen, zienswijzen geheten. Enige tijd daarna neemt de gemeenteraad zijn definitieve besluit. Bezwaarmakers kunnen dan naar de rechter stappen. Die rechter is de (afdeling bestuursrechtspraak van de) Raad van State. De voorbereiding en vooral de rechtszaken kunnen enige tijd vergen, bijvoorbeeld meer dan een jaar. Weliswaar mag er ondanks de rechtszaak al worden begonnen met de bouw, tenzij om een zogenaamde voorlopige voorziening (bij de Raad van State) wordt gevraagd: dat verzoek zorgt ervoor dat er voorlopig toch niet mag worden gebouwd.

Prefab woning Dat kan kan volgens een gemeente allemaal te lang gaan duren. Dan biedt een prefab woning blijkbaar uitkomst, want blijkbaar wordt een prefab woning juridisch niet gezien als het bouwen van een bouwwerk, maar als het gebruiken van de grond. En dat maakt juridisch veel verschil. Weliswaar gelden de bestemmingen in het bestemmingsplan ook voor het gebruiken van de grond en mag ook voor het gebruiken van de grond dat in strijd is met het bestemmingsplan geen omgevingsvergunning worden afgegeven. Maar: de gemeente mag wél een omgevingsvergunning afgeven voor grondgebruik dat niet langer dan tien jaar in strijd is met het bestemmingsplan. En dat is het verhaal bij prefab woningen: de prefab woning zal hier niet langer staan dan tien jaar; hij wordt na die tien jaar weer verwijderd.

Praktijk Dat is het verhaal bij de prefab woning, maar ik begrijp uit de krant dat het nog maar de vraag is of dat daadwerkelijk gaat gebeuren. De kwaliteit van de prefab woning zal er zeker niet aan in de weg staan om er (veel) langer in te wonen. En er zijn in het verleden vaker perioden geweest waarin veel tijdelijke woningen werden gebouwd die achteraf gezien gewoon permanente woningen zijn geworden.

BRONNEN:

Artikel 2.1 eerste lid onder a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (afgekort tot WABO) luidt: Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 2.3a WABO luidt (gedeeltelijk): Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.

Artikel 2.10 WABO luidt (gedeeltelijk): Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien (onder andere) de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan (..)

Artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening luidt (gedeeltelijk): De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied. De bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, wordt binnen een periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, telkens opnieuw vastgesteld.

Artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening luidt (gedeeltelijk): Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp bij de gemeenteraad naar voren kunnen worden gebracht;

Artikel 2 van de Bijlage bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak van de Algemene wet bestuursrecht luidt (gedeeltelijk): Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. (Zoals een besluit genomen op grond van) artikel 3.1 derde lid Wet ruimtelijke ordening: een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan

Artikel 6.16 Algemene wet bestuursrecht luidt (gedeeltelijk): Het beroep schorst niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Artikel 8.4 Wet ruimtelijke ordening luidt (gedeeltelijk): Indien gedurende de beroepstermijn met betrekking tot een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de werking van het besluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist. Bij de toewijzing van het verzoek geeft de voorzitter aan op welke onderdelen van het bestemmingsplan of inpassingsplan of van de wijziging of uitwerking hiervan de voorlopige voorziening betrekking heeft.

Artikel 2.1, eerste lid, onder c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (afgekort tot WABO) luidt (gedeeltelijk): Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

  • a. het bouwen van een bouwwerk,

  • b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

  • c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (..).

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 WABO luidt (gedeeltelijk): Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

  • a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

    • 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen,

Die gevallen staan in:

Artikel 4 Besluit Omgevingsrecht (=algemene maatregel van bestuur) luidt (gedeeltelijk): Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de WABO waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van die wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, komen in aanmerking (de volgende onderdelen):

(11) (..) gebruik van gronden of bouwwerken (..) voor een termijn van ten hoogste tien jaar.