Incompatibiliteiten

DINSDAG 31 AUGUSTUS 2021 Begin deze maand en eerder in mei zijn drie Tweede Kamerleden benoemd tot staatssecretaris. Ze zijn daarna Kamerlid gebleven. Zowel in de Kamer als in de wetenschap wordt betwijfeld of deze combinatie van Kamerlidmaatschap en staatssecretariaat wel in overeenstemming is met de Grondwet. De Kamervoorzitter heeft de Raad van State daarom gevraagd om advies. Dat advies heet officieel voorlichting. De Raad van State heeft nog geen voorlichting gegeven. Wat staat er – zonder volledig te willen zijn – in de wet over het tegelijkertijd uitoefenen van het Kamerlidmaatschap met een ander overheidsambt?

SENATOR Een Tweede Kamerlid kan volgens de Grondwet niet tegelijkertijd Eerste Kamerlid zijn. Eerste Kamerlid wordt ook wel senator genoemd. Tweede Kamerlidmaatschap gaat trouwens wél samen met het zijn van volksvertegenwoordiger in een gemeente (gemeenteraadslid) of in een provincie (Statenlid). Van de huidige Kamerleden zijn diversen actief als gemeenteraadslid of als Statenlid.

RECHTER Een Tweede Kamerlid kan niet tegelijkertijd rechter zijn bij de Hoge Raad (‘raadsheer’) of bij de Raad van State. Kamerlidmaatschap is trouwens wél verenigbaar met het zijn van rechter in een rechtbank of gerechtshof. In de huidige Kamer hebben twee rechters zitting: een rechtbankrechter die op non-actief is gesteld, en een grensrechter (grapje).

AMBTENAAR Een Tweede Kamerlid kan niet tegelijkertijd werkzaam zijn als ambtenaar op een ministerie of als militair ambtenaar, politieambtenaar en officier van justitie. Hij wordt dan ingevolge de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement óf eervol ontslagen óf op non-actief gesteld als ambtenaar. De keuze is aan hem. In deze wet wordt het op non-actief stellen ‘tijdelijk ontheven van de waarneming van zijn ambt’ genoemd. In de huidige Kamer maken diverse leden gebruik van de terugkeerregeling bij een ministerie. Kamerlidmaatschap is trouwens niet incompatibel met het werkzaam zijn als gemeenteambtenaar of provincieambtenaar. De gemeenteambtenaar die Kamerlid wordt kan dus aan het werk blijven bij de gemeente. In de huidige Kamer heeft één gemeenteambtenaar zitting, maar hij is op non-actief gesteld.

BURGEMEESTER? Een Tweede Kamerlid kan ook tegelijkertijd werkzaam zijn als burgemeester of wethouder. Hij kan echter niet tegelijkertijd commissaris van de Koning in de provincie zijn.

STAATSSECRETARIS Een Tweede Kamerlid kan niet tegelijkertijd bewindspersoon zijn. Het Kamerlidmaatschap is dus onverenigbaar met het ambt van minister of staatssecretaris. Dat staat sinds 1938 in de Grondwet.

DEMISSIONAIR Dat staat in de Grondwet, maar daarin staat ook het volgende: Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Tweede Kamer, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist. Wat betekent dit? Hoe moet dit worden uitgelegd? Men is het er over eens dat dit in elk geval zo moet worden uitgelegd dat een demissionaire staatssecretaris of minister die Kamerlid wordt beide ambten kan verenigen. Dat is het geval voor negen bewindslieden in het huidige kabinet. Deze ministers en staatssecretarissen zijn namelijk bij de verkiezingen in maart (tevens) Kamerlid geworden. Sindsdien verenigen ze dus de ambten van bewindspersoon en Kamerlid. Als bewindslieden hebben ze al in januari ‘hun ambt ter beschikking gesteld’. Dat wil zeggen: hun ontslag aangeboden bij de Koning. Dat gebeurde vanwege de toeslagenaffaire. Ze hebben weliswaar hun ontslag aangeboden, maar bleven werkzaam als minister of staatssecretaris. Daar zullen ze mee doorgaan totdat er een ander in hun plaats wordt benoemd, bijvoorbeeld omdat er een nieuw kabinet geformeerd is. Pas dan is er ‘omtrent hun beschikbaarstelling beslist’. Voor de drie staatssecretarissen die in mei en augustus zijn benoemd gaat dit alles niet op: zij zijn namelijk eerst Kamerlid geworden en werden pas daarna staatssecretaris. De volgorde is dus omgekeerd. Of de Grondwet ook dit mogelijk maakt, is onduidelijk. Daarom is hierover voorlichting aan de Raad van State gevraagd.

DRIE MAANDEN Er is een tijd geweest dat een demissionair bewindspersoon die vervolgens ook Kamerlid werd hooguit drie maanden beide ambten kon verenigen. Dat is nog niet eens zo heel lang geleden: tot 1983. Het aflopen van die drie maanden kon grote (politieke) consequenties hebben. Dat was bijvoorbeeld tien jaar daarvoor het geval, in 1973. Na de verkiezingen van eind 1972 was er drie maanden zonder succes gewerkt aan de vorming van een nieuw kabinet. Toen moesten de demissionaire bewindspersonen die bij de verkiezingen (ook) Kamerlid waren geworden een keuze maken: tussen het blijven van bewindspersoon óf het Kamerlidmaatschap. Ook demissionair premier Barend Biesheuvel moest die keuze maken. Hij was na de verkiezingen (ook) Kamerlid én fractieleider van de ARP geworden, een partij die enkele jaren later zou opgaan in het CDA. Als fractieleider was hij nauw betrokken bij de kabinetsformatie. Een mogelijke uitkomst van die formatie was een kabinet met PvdA’er Joop Den Uyl als premier. Biesheuvel stond daar bij voorbaat afwijzend tegenover. Ofschoon de meerderheid van zijn fractie daar anders in stond.

VIER JAAR Biesheuvel moest dus een keuze maken. Hij koos voor het demissionair premierschap en verloor daardoor zijn Kamerlidmaatschap. En daarmee het leiderschap van een belangrijke fractie in de formatie. Hij werd opgevolgd door Kamerlid Willem Aantjes. Anders dan Biesheuvel stond Aantjes niet bij voorbaat afwijzend tegenover een coalitie met de linkse partijen, zoals de PvdA. Mede door die grondwettelijk afgedwongen machtswisseling kwam er enkele maanden later een coalitie van o.a. PvdA en ARP tot stand, met Den Uyl als premier. Biesheuvel’s positie is enigszins vergelijkbaar met die van Mark Rutte nu, die immers ook demissionair premier is én leider van een belangrijke fractie in de formatie. Tot zover de overeenkomsten; er zijn belangrijke verschillen. Ten eerste is de maximumtermijn waarin beide ambten verenigbaar zijn in 1983 afgeschaft en kunnen demissionaire bewindslieden – wat de Grondwet betreft – tot de volgende verkiezingen over vier jaar Kamerlid blijven, of beter nog: tot er na de volgende verkiezingen een nieuw kabinet is gevormd. Zolang de formatie duurt hoeft de premier geen keuze te maken uit beide ambten, hoe lang dat ook duurt. Ten tweede heeft de PvdA nu geen 43 zetels, maar 9. Ten derde zien CDA en VVD D66 (destijds: D’66) niet meer als linkse partij. Ten vierde heeft de formatie in 1973 net zolang geduurd als nu, met dit verschil dat er toen een kabinet op het bordes stond en nu niet (en dat voorlopig ook niet wordt verwacht). Zou een grondwetswijziging – terug naar de regeling die gold tot 1983 – in de toekomst wellicht kunnen bijdragen aan kortere kabinetsformaties?

(Mr. Leon)

Volgend blog: vrijdag 17 september

Reces

VRIJDAG 16 JULI 2021 Sinds deze week zijn de Tweede Kamer en de ministerraad in reces. Wat is het gevolg van zo’n reces en wie nam het besluit?

GEEN VERGADERINGEN Tijdens een recesperiode wordt er niet vergaderd. Het reces dat deze week is begonnen heet zomerreces. De Tweede Kamer heeft ook andere jaarlijks terugkerende recessen, zoals kerstreces. Een reces betekent niet dat Kamerleden vakantie vieren. Ze kunnen dan namelijk buiten Den Haag actief zijn, zoals met het afleggen van werkbezoeken, het deelnemen aan (parlementaire) delegaties, het bestuderen van dossiers en het spreken met hun achterban.

MAAR TOCH ZITTING Tijdens een reces wordt er niet vergaderd en zitten er geen Kamerleden in de grote Vergaderzaal, maar de parlementaire zitting is niet gestopt. Het Kamerreces duurt tot maandag 6 september. Dat is twee weken voor de derde dinsdag van september: Prinsjesdag, de dag waarop de Koning elk jaar de Troonrede uitspreekt in het parlement. Tot begin jaren tachtig was Prinsjesdag ook de dag waarop de Koning(in) de parlementaire zitting opende. In de Grondwet stond dat die zitting jaarlijks moest worden geopend (en gesloten). Dat is sindsdien niet meer nodig. Volgens de huidige Grondwet geldt dat ‘de zittingsduur van beide kamers is vier jaren’, dat wil zeggen: tot de installatie van de nieuwe Kamer na de eerstvolgende verkiezingen. Rechtsgeleerden gaan (echter) uit van een ‘ononderbroken zitting’ (o.a. P. Bovend’Eert in 2017). In de praktijk van de Tweede Kamer wordt hier ook van uitgegaan. Zo werd er na de Tweede Kamerverkiezingen van half maart dit jaar in de laatste vergadering van de oude Kamer op 30 maart en in de eerste vergadering van de nieuwe Kamer op 31 maart niet gesproken van de sluiting respectievelijk opening van de parlementaire zitting.

WEL COMMISSIEVERGADERINGEN Tijdens een reces zijn er geen vergaderingen, dat wil zeggen: er zijn dan geen plenaire vergaderingen van de Tweede Kamer. Een plenaire vergadering is een voltallige vergadering in de grote Vergaderzaal. Daarentegen kunnen vergaderingen van commissies van de Tweede Kamer doorgang blijven vinden, zoals daadwerkelijk gebeurde in het afgelopen kerstreces en in het zomerreces van vorig jaar. In het huidige zomerreces zijn er in elk geval deze week nog diverse commissievergaderingen geweest.

EN SOMS OOK PLENAIRE VERGADERING Tijdens het zomerreces zijn er geen plenaire vergaderingen van de Tweede Kamer, dat wil zeggen: die zijn er in de regel niet. In bijzondere omstandigheden kunnen er wel plenaire vergaderingen worden gehouden. Het reces wordt dan onderbroken. Dat gebeurt echter hoogst zelden. Maar als het gebeurt, gaat het om spoedeisende situaties waarover Kamerleden met de regering willen debatteren. In de afgelopen decennia gebeurde het in 2015, 2011, 2010, 2002 en 1995. In juli 1995 werd het zomerreces onderbroken in verband met de val van de Bosnische enclave Srebrenica. Dat is deze week precies 26 jaar geleden. Ook vorig jaar werd het zomerreces onderbroken, toen zelfs meermaals: o.a. vanwege de Europese Top van half juli, het bereikte pensioenakkoord en de ontwikkelingen rondom het coronavirus. En het zomerreces van 2021 is al in haar eerste week onderbroken: afgelopen woensdag is er met premier Rutte en minister De Jonge gedebatteerd over de ontwikkelingen rondom het coronavirus. Tot die vergadering was reglementair besloten door de Kamervoorzitter.

MAAR NIET ZONDER ZITPLAATSEN Er werd afgelopen woensdag niet vergaderd in de grote Vergaderzaal, want daar stonden toen geen stoelen meer. Het Binnenhof wordt gerenoveerd en het meubilair – waaronder de bekende 150 blauwe stoelen in de vorm van een tulp – is verhuisd. Zonder zitplaatsen geen vergadering. Daarom werd er in de Ridderzaal vergaderd. Hier stonden wel nog stoelen.

WIE BESLIST erover wanneer en hoe lang het reces duurt? Noch de voltallige Tweede Kamer zelf. Noch Kamervoorzitter Vera Bergkamp. Het is het Presidium dat hierover gaat. Het Presidium van de Tweede Kamer bestaat op grond van zijn Reglement van Orde uit de Kamervoorzitter en de acht ondervoorzitters of hun plaatsvervangers. Ze zijn allemaal Tweede Kamerlid en in hun (onder)voorzitterschap benoemd door de voltallige Tweede Kamer. Momenteel leveren alle grotere fracties een ondervoorzitter. In november vorig jaar werden alle recessen voor 2021 vastgesteld, waaronder het huidige zomerreces. Tot zover het reces van de Tweede Kamer.

MINISTERRAAD Zoals gezegd heeft nu ook de ministerraad zomerreces. Volgens zijn reglement vergadert de ministerraad normaliter elke vrijdag. Vanaf deze week tot (vrijdag) 13 augustus staan echter geen vergaderingen meer gepland. Volgens het Handboek voor bewindspersonen is het de minister-president die de recesperiode vaststelt. Tijdens het reces kunnen ministers en staatssecretarissen met vakantie.

VERVANGINGSREGELING Alleen niet allemaal tegelijk, want voor het ondertekenen van spoedeisende stukken is het nodig dat een bewindspersoon door een collega wordt vervangen. De vervanging is geregeld in het Besluit vervangingsregeling tijdelijke afwezigheid minister. In die regeling wordt minister-president Rutte vervangen door een van de vicepremiers, dat zijn de ministers Hugo de Jonge, Kajsa Ollongren en Carola Schouten. Vanzelfsprekend kan ook het reces van de ministerraad worden onderbroken. Daartoe kan de minister-president reglementair besluiten.

EERSTE KAMER Ook die andere Kamer aan het Binnenhof – de Eerste Kamer – heeft nu zomerreces. Dat is afgelopen woensdag ingegaan en duurt tot (maandag) 13 september, een week voor Prinsjesdag.

(Mr. Leon)

Volgend blog: vrijdag 8 augustus

De nieuwe dierenwet

VRIJDAG 11 JUNI 2021 Eind vorige week was er in krant en op televisie veel aandacht voor een nieuwe dierenwet die vorige week officieel is bekendgemaakt. Deze nieuwe wet zou het (mogen) houden van vogels, konijnen, cavia’s, honden, katten en vele andere dieren als gezelschapsdieren gaan beperken. Wat is er aan de hand?

WET DIEREN Wat een nieuwe dierenwet wordt genoemd, is officieel een wijziging van de Wet dieren. Deze wet bestaat al tien jaar.

MISDRIJF Al jaren bepaalt de Wet dieren dat het verboden is bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen, tenminste als dat gebeurt zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is. Zo staat het in de wet. Dat zijn nogal vage termen: het is niet zo dat van elke handeling die men t.o.v. een dier pleegt meteen duidelijk of daarmee dit verbod wordt geschonden. Al langere tijd is het daarom voor sommige handelingen verduidelijkt in wetgeving, bijvoorbeeld voor het schoppen van een dier, het vervoer van een koe met overvolle uiers en het gebruiken van een hond als trekkracht. Die handelingen zijn uitdrukkelijk verboden. Wie bij een dier zonder redelijk doel pijn of letsel veroorzaakt enzovoorts, maakt zich schuldig aan dierenmishandeling op grond van de Wet dieren. Dat is een misdrijf waarvoor de rechter een gevangenisstraf tot drie jaar kan opleggen.

HUISVESTING De nieuwe dierenwet wil o.a. meer duidelijkheid verschaffen over wat ‘geen redelijk doel’ is om bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel zijn gezondheid of welzijn te benadelen. Die duidelijkheid wordt verschaft doordat er een bepaling aan wordt toegevoegd. Deze bepaling houdt in dat een bepaalde wijze van huisvesting of een bepaald systeem van houderij nooit een redelijk doel kan zijn om bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel zijn gezondheid of welzijn te benadelen. De eisen die een bepaalde wijze van huisvesting of een bepaald systeem van houderij stellen kunnen nooit een redelijk doel zijn.

AMENDEMENT Dat deel van de nieuwe dierenwet is het gevolg van een amendement. Een amendement is een wijziging van een wetsvoorstel. Het is een grondwettelijke bevoegdheid van de Tweede Kamer om een wetsvoorstel van de regering te wijzigen. Elk van de 150 Kamerleden mag een amendement voorstellen. De meerderheid van de Kamer besluit of het wetsvoorstel geamendeerd wordt. Een Kamerlid van de Partij voor de Dieren heeft het amendement voor verduidelijking van wat een redelijk doel is voorgesteld. Dat was begin vorige maand. De Kamer heeft het amendement aangenomen en vrijwel de hele Kamer stemde vóór het geamendeerde wetsvoorstel. Tijdens het debat merkt de minister op dat het amendement zo is geformuleerd dat het niet alleen op veeteelt van toepassing zal zijn, maar ook op gezelschapsdieren.

ONTRADEN De regering kan een amendement niet tegenhouden. Wél heeft de minister het amendement voor verduidelijking van wat een redelijk doel is ‘ontraden’, omdat het heel algemeen geformuleerd is, tot heel veel discussie zal leiden en praktisch niet uitvoerbaar is. Volgens de minister verschaft het amendement dus niet meer duidelijkheid over wat een ‘redelijk doel’ is. De regering kan een wetsvoorstel intrekken, zolang het nog niet door beide Kamers is aangenomen, maar dat is hier niet gebeurd.

TOELICHTING Een voorstel tot een amendement gaat meestal gepaard met een schriftelijke toelichting waarin de indiener het voorgestelde amendement motiveert en uitlegt. In de toelichting van het amendement voor verduidelijking van wat een redelijk doel is staat dat gehouden dieren niet ernstig zouden mogen worden beperkt in hun natuurlijk gedrag. Voorbeelden van dieren die volgens de toelichting door het houden ernstig in hun natuurlijk gedrag worden beperkt zijn eenden in een eendenhouderij die geen toegang hebben tot zwemwater, konijnen in een konijnenhouderij die in kooien worden gehouden waar ze niet in kunnen graven, biggen in een stal waarvan de staartjes worden gecoupeerd (om staartbijten te voorkomen), kalfjes en geitjes in een stal die worden onthoornd (om verwonding van ander staldier te voorkomen) en hanen waarvan een teen wordt verwijderd (om verwonding van de hen te voorkomen).

EU-VERORDENING Het amendement is een wijziging van het wetsvoorstel dat de regering heeft ingediend. Het wetsvoorstel van de regering was slechts bedoeld om ‘technische’ wijzigingen aan te brengen in de Wet dieren. Die wijzigingen zijn nodig in verband met de uitvoering van een verordening van de Europese Unie, die sinds april geldt. Een EU-verordening is eigenlijk een wet, maar dan van de EU. Zo’n verordening kan niet zonder medewerking van het Europees Parlement tot stand komen. De technische wijzigingen die de regering in de Wet dieren heeft aangebracht zijn nodig voor een goede uitvoering van deze verordening, dat is de Europese diergezondheidsverordening.

DIERENZIEKTEN De Europese diergezondheidsverordening gaat over dierziekten, en wel over dierziekten die overdraagbaar zijn op andere dieren of op mensen. Er staan (uitsluitend) regels in die besmettelijke dierziekten willen voorkomen of bestrijden. De verordening gaat dus niet over dierenwelzijn, al staat er wel in dat bij het uitvoeren van de regels uit de verordening rekening moet worden gehouden met het dierenwelzijn.

ONTOELAATBAAR? Het wetsvoorstel van de regering gaat dan ook alleen over het voorkomen en bestrijden van dierziekten. Het amendement ter verduidelijking van wat een redelijk doel is gaat over dierenwelzijn. Is zo’n amendement dan wel toelaatbaar? Volgens het Reglement van Orde van de Tweede Kamer moet een rechtstreeks verband bestaan tussen de materie die het amendement regelt en de materie die het wetsvoorstel regelt. Is dat hier het geval? Heel belangrijk is die vraag echter niet, want in het reglement staat ook dat een amendement wordt geacht toelaatbaar te zijn zolang de (meerderheid van de) Tweede Kamer het niet ontoelaatbaar heeft verklaard. Zo’n verklaring is uitgebleven

STAATSBLAD De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel van de regering inclusief het amendement aangenomen op 11 mei. Vrijwel elke fractie heeft vóór gestemd. Twee weken later heeft de Eerste Kamer het (geamendeerde) wetsvoorstel aangenomen. Als hamerstuk. De Eerste Kamer mag een wetsvoorstel niet amenderen. De wijziging van de Wet dieren is een week later – op 2 juni – in het Staatsblad gepubliceerd.

INWERKINGTREDING Nu is het niet zo dat een wet geldt zodra het wetsvoorstel door beide Kamers is aangenomen. Eerst is nog bekrachtiging nodig. Dat gebeurt door een handtekening van de Koning en van een of meer bewindslieden. De wijziging van de Wet dieren is ondertekend door de ministers van Justitie en van Landbouw. Daarna moest de wet nog officieel worden bekendgemaakt; dat gebeurt altijd in het Staatsblad. De wijziging van de Wet dieren is op 2 juni in het Staatsblad gepubliceerd. Ten slotte moet nog officieel de dag worden bepaald waarop de wet in werking treedt. Pas dan geldt de wet. Voor de inwerkingtreding van de wijziging van de Wet dieren is nog geen officiële datum bepaald.

EVALUATIE WET Zoals gezegd vond de minister tijdens het Kamerdebat in mei dat het amendement geen duidelijkheid verschaft over wat een redelijk doel is. Maar gisteren bleek tijdens een Kamerdebat over de ‘evaluatie Wet dieren’ dat een deel van de Tweede Kamer het met de minister eens was. VVD, CDA, BBB en Groep Van Haga hebben daarom een motie ingediend om op basis van wetenschappelijk onderzoek vast te stellen wat wordt verstaan onder het natuurlijk gedrag van een gehouden en daarmee gedomesticeerd (landbouw)huisdier, en of het vertonen van natuurlijk gedrag altijd bijdraagt aan een beter welzijn van een gehouden en daarmee gedomesticeerd (landbouw)huisdier. Volgende week wordt erover gestemd. De minister heeft de motie ontraden, omdat een juridische analyse al in voorbereiding is.

GEZELSCHAPSDIEREN? Tijdens dat debat van gisteren werd over één ding wel meer duidelijkheid verschaft: de richtinggevende Kameruitspraak dat gezelschapsdieren niet onder het amendement vallen, dat heeft de minister tenminste gehoord. Dat wil zeggen: dat een bepaalde wijze van huisvesting of een bepaald systeem van houderij nooit een redelijk doel kan zijn om bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel zijn gezondheid of welzijn te benadelen niet van toepassing is op gezelschapsdieren, maar alleen op veeteelt. Minister Schouten zal er ‘voor zorgen dat we op dat punt (..) duidelijkheid kunnen gaan creëren’. Wat de minister hiermee precies bedoelt, is niet helemaal duidelijk, want uiteindelijk is het in Nederland zo dat het aan de rechter is om een wet uit te leggen.

(Mr. Leon)

Volgend blog: vrijdag 18 juni

Minister van Staat

VRIJDAG 21 MEI 2021 Mariëtte Hamer is sinds vorige week de nieuwe informateur in de lopende kabinetsformatie. Zij heeft als opdracht om verder te werken op basis van het eindverslag van haar voorganger. Haar voorganger was Herman Tjeenk Willink. Hij heeft vorige maand o.a. gesproken met alle fractieleiders. Vorige week heeft de Tweede Kamer over zijn eindverslag gedebatteerd. Tjeenk Willink is sinds 2012 minister van Staat. Wat is een minister van Staat?

BEWINDSPERSOON? Een minister van Staat is geen bewindspersoon. Hij is niet politiek verantwoordelijk; hij hoeft van zijn gedragingen als minister van Staat geen rekenschap te geven aan de Tweede Kamer of Eerste Kamer. Daarentegen moet een (gewone) minister of staatssecretaris wél aan het parlement rekenschap geven van de wijze waarop hij zijn bevoegdheden heeft uitgeoefend; en als de Kamer daarover niet tevreden is, kan zij die bewindspersoon ontslaan. Een minister van Staat neemt evenmin deel aan de wekelijkse vergaderingen van de ministerraad. Hij is geen kabinetslid. En hij is evenmin een ambtenaar. Wat is hij (of zij) dan wél?

ERETITEL Een minister van Staat is een eretitel en houdt een ceremoniële functie in, waarin iemand voor de rest van zijn leven wordt benoemd en waaraan geen beloning is verbonden. Weliswaar een eretitel en een ceremoniële functie, maar soms komt een minister van Staat ook inhoudelijk in beeld. Dat gebeurt altijd op uitdrukkelijk verzoek van de regering of van de Koning. Vaak wordt hem dan om advies gevraagd, maar het kan ook om iets heel anders gaan. Zo was minister van Staat Max van der Stoel behulpzaam bij het oplossen van de moeilijkheden rond het voorgenomen huwelijk van Willem-Alexander en Máxima.

WIE BENOEMT? De beslissing om iemand tot minister van Staat te benoemen wordt genomen door de ministerraad. Het benoemingsbesluit wordt ondertekend door de minister-president en de Koning. Het is dus een koninklijk besluit. Het wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

WIE WORDT BENOEMD? De benoeming van iemand tot minister van Staat komt maar weinig voor. Wat de reden is om iemand wél of niet te benoemen, wordt niet bekend gemaakt. Alle tot nu toe benoemde ministers van Staat hebben vóór hun benoeming belangrijke ambten uitgeoefend. Zo zijn sinds de jaren dertig van de vorige eeuw bijna alle (ex) vice-presidenten van de Raad van State benoemd tot minister van Staat; voorzitter van de Raad van State is de Koning. Verder zijn er veel ex minister-presidenten benoemd: Wim Kok (jaren negentig premier), Ruud Lubbers (jaren tachtig premier) en bijvoorbeeld – maar zij waren wat langer geleden premier – Willem Drees, Hendrikus Colijn en Abraham Kuyper, en Rudolf Thorbecke, maar met hem zijn we inmiddels diep in de negentiende eeuw aanbeland. Overigens, lang niet elke (ex) minister-president is tot minister van Staat benoemd.

MOMENTEEL zijn er zeven ministers van Staat. Geen enkele van hen was premier. Frits Korthals Altes, Winnie Sorgdrager en Piet Hein Donner waren o.a. minister van Justitie. Donner was ook vice-president van de Raad van State. Hans van den Broek en Jaap de Hoop Scheffer waren o.a. minister van Buitenlandse Zaken. Sybilla Dekker was o.a. minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Tjeenk Willink was o.a. voorzitter van de Eerste Kamer en ook vice-president van de Raad van State.

INFORMATEUR Sommige ministers van Staat zijn ook informateur geweest en op die wijze inhoudelijk in beeld gekomen. Tjeenk Willink was zeker niet de eerste. Zo waren ministers van Staat al informateur in de kabinetsformaties van bijvoorbeeld 1973 (kabinet Den Uyl), 1981 (kabinet Lubbers), 2003 (kabinet Balkenende II), 2006 (Balkenende III) en 2010 (Rutte I). Tjeenk Willink was trouwens ook informateur in 2017 (Rutte III, het huidige demissionaire kabinet).

VERANTWOORDING? Een minister van Staat is geen bewindspersoon, zoals gezegd is hij niet politiek verantwoordelijk voor wat hij doet. Hij hoeft aan de Tweede Kamer geen rekenschap af te leggen. Maar een minister van Staat die informateur is kan – net als elke andere informateur – door de Tweede Kamer worden uitgenodigd om inlichtingen te verschaffen over het verloop van de informatie. Tjeenk Willink heeft zijn eindverslag aan de Kamervoorzitter aangeboden. Ook heeft hij in het Kamerdebat dat daarover vorige week woensdag plaatsvond het woord gevoerd. Daarin hebben verschillende Kamerleden hem vragen gesteld. De Kamervoorzitter zei aan het begin van het debat dat de informateur er niet was ‘om verantwoording af te leggen, maar wel om inlichtingen te verschaffen’ en dat Kamerleden in de gelegenheid waren om hem ‘feitelijke vragen te stellen’. Diverse Kamerleden hebben hem vragen gesteld. Zo zijn er vragen gesteld (en beantwoord) over de redenen waarom hij met sommige organisaties wél heeft gesproken en met andere niet (hij wilde zich beperken tot het transitiebeleid en tot organisaties die veel gegevens hebben over het (gebrek in) vertrouwen tussen overheid en burger, omdat deze onderwerpen in zijn gesprekken met de fractieleiders prominent naar voren kwamen. Er is ook gevraagd of een scenario zonder Mark Rutte is onderzocht (nee, want er is geen enkel scenario onderzocht, omdat het vooralsnog niet ging over wie met wie). En er is gevraagd waarom hij geen mogelijke opvolger als informateur heeft genoemd (o.a. omdat niet elke fractieleider daarover een suggestie had gedaan).

ANDERE INFORMATEURS De meeste informateurs zijn trouwens geen minister van Staat. Zo waren in 2017 de andere twee informateurs voor Rutte III geen minister van Staat. Ook de opvolger van Tjeenk Willink in de lopende kabinetsformatie – Mariëtte Hamer – is geen minister van Staat.

(Mr. Leon)

Volgende blog: vrijdag 28 mei

De notulen van de ministerraad

DONDERDAG 13 MEI 2021 Enkele weken geleden heeft de ministerraad notulen van zijn vergaderingen gepubliceerd die over de kinderopvangtoeslagenaffaire gaan; normaliter zijn deze notulen geheim. Aan ministerraad vergaderingen nemen alle zestien ministers deel en soms ook een of meer staatssecretarissen; de staatssecretaris van Financiën (die over de Belastingdienst gaat) nam meestal deel aan de bewuste vergaderingen. Het gaat om veertien vergaderingen tussen tussen half mei en begin december 2019. In beginsel wordt er wekelijks vergaderd. Wat zijn notulen en hoe komen ze tot stand?

NOTULEN zijn het schriftelijk verslag van een vergadering. Elke zichzelf respecterende voetbalclub, fanfare of welke organisatie dan ook maakt van haar vergaderingen een schriftelijk verslag. Dat kan een verslag zijn waarin alles wordt vermeld dat in de vergadering is gezegd; dit wordt ook wel stenografisch verslag of woordelijk verslag genoemd. Maar meestal zal dat niet het geval zijn, en dan is er sprake van een samenvattend verslag. Een samenvattend verslag kan heel kort zijn, bijvoorbeeld alleen een besluitenlijstje bevatten, of uitgebreider.

HANDELINGEN Ook van politieke vergaderingen worden notulen gemaakt. Zoals van de vergaderingen van de Tweede Kamer. Van de plenaire vergaderingen van de Tweede Kamer wordt een woordelijk verslag gemaakt. Zo’n Kamerverslag wordt Handelingen genoemd. Ook van de vergaderingen van gemeenteraden en provinciale staten worden notulen gemaakt. Er zijn gemeenten en provincies die slechts een heel kort verslag maken, en overigens volstaan met een registratie van geluid en beeld van de vergadering (een webcast). Ook van de vergaderingen van de ministerraad worden notulen gemaakt.

WOORDELIJK VERSLAG? Anders dan de Handelingen van de Tweede Kamer zijn dat geen woordelijke verslagen, maar samenvattende verslagen. De minister-president schreef eind april in een (Kamer)brief aan de Tweede Kamer dat deze notulen slechts ‘een weergave bevatten van de standpuntbepalingen, de argumenten en de conclusie (het besluit)’. Het zijn dus samenvattende verslagen, maar wél heel uitgebreide samenvattingen: alleen al de gepubliceerde passages over de toeslagenaffaire beslaan zo’n vijfendertig pagina’s.

SECRETARIS De notulen van de ministerraad worden volgens het Reglement van orde voor de ministerraad verzorgd door de secretaris van de ministerraad. Dat is geen nevenfunctie van één van de aanwezige ministers of staatssecretarissen, maar een ambtenaar die daarvoor door de ministerraad is benoemd op voorstel van de minister-president.

VASTSTELLING NOTULEN Notulen kunnen worden vastgesteld, dat wil zeggen: aanvaard of goedgekeurd door het gremium dat vergaderde. Ook de notulen van de ministerraad worden vastgesteld. Dat gebeurt door de ministerraad zelve, en wel ‘zo spoedig mogelijk’ na de vergadering. Als het tot een stemming moet komen over de vaststelling, heeft elke minister één stem en wordt besloten bij meerderheid. Vaststelling van de Handelingen van de Tweede Kamer gebeurt heel anders. Dat wordt volgens het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal opgedragen aan de voorzitter en de griffier.

(Mr. Leon)

Volgend blog: vrijdag 21 mei

Het demissionaire kabinet Rutte III

DINSDAG 20 APRIL 2021Hoewel er sinds de Tweede Kamerverkiezingen van 17 maart dit jaar intensief overlegd is over de vorming van een nieuw kabinet, is dit nog niet in zicht. In de tussentijd is het evenmin zo dat Nederland zonder kabinet is. Het kabinet dat na de voorlaatste verkiezingen – in 2017 – is gevormd is er namelijk nog steeds. Dat is het kabinet Rutte III. Al is dat nu wel een demissionair kabinet geworden. Wat is een demissionair kabinet?

ONTSLAG Een demissionair kabinet is een kabinet dat collectief zijn ontslag heeft aangeboden aan de Koning. Zo’n aangeboden ontslag is nog geen aftreden. Een afgetreden kabinet is een kabinet dat er niet meer is, en dat dus niet meer vergadert, besluiten neemt of in het parlement spreekt. Een demissionair kabinet is (nog) niet afgetreden, en gaat zolang door met vergaderen, besluiten nemen en in het parlement spreken. Een demissionair kabinet treedt pas af als er een nieuw kabinet is gevormd.

CONTROVERSIËLE EN LOPENDE ZAKEN Wat is het verschil tussen een demissionair kabinet en een gewoon (missionair) kabinet? Een demissionair kabinet zou geen omstreden of controversiële zaken mogen behandelen. Het zou alleen lopende zaken mogen afhandelen. Maar wat is een controversiële zaak en wat is een lopende zaak?

LOPENDE ZAKEN Zelf verklaarde premier Rutte op 15 januari – de dag dat het kabinet demissionair werd – dat het kabinet ‘in elk geval doorgaat met de strijd tegen het coronavirus en met het opvangen van de economische en maatschappelijke gevolgen daarvan door middel van bestaande en aangekondigde steunpakketten. En ook dat het kabinet blijft werken aan snelle compensatie voor de getroffen ouders in de (kinderopvang)toeslagenaffaire.’ Dat zouden dan geen controversiële zaken betreffen maar slechts de afhandeling van lopende zaken.

CONTROVERSIËLE ZAKEN De Tweede Kamer en de Eerste Kamer hebben elk een lijst vastgesteld waarop o.a. wetsvoorstellen staan die zij controversieel hebben verklaard. De Kamer zal die wetsvoorstellen niet verder behandelen zolang het kabinet demissionair is. Pas na de officiële installatie van een nieuw kabinet wordt de parlementaire behandeling van die wetsvoorstellen weer opgepakt. De Kamers mogen zulke lijsten zelfstandig vaststellen, want (alleen) zijzelf gaan over hun agenda. Het is de meerderheid die beslist wat er op de lijst komt te staan. Het voornaamste criterium dat de Tweede Kamer voor het al dan niet controversieel verklaren tussen 1994 en 2012 blijkt te hanteren is behoud van keuzevrijheid voor het nieuwe kabinet. De Tweede Kamer heeft op 11 februari jl. een lange lijst van controversiële wetsvoorstellen vastgesteld. Dat was dus de oude Tweede Kamer, die van vóór de verkiezingen. Op die lijst staat bijvoorbeeld een wetsvoorstel om het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te wijzigen. In dit wetboek wordt o.a. de wijze van procederen in civiele zaken geregeld, dat zijn zaken waarin de ene burger de andere burger voor de rechter daagt. In het wetsvoorstel worden voorstellen gedaan om de bewijsregels te vereenvoudigen en te moderniseren. De Tweede Kamer heeft dat wetsvoorstel dus controversieel verklaard.

LOPENDE ZAAK? Is het dan niet merkwaardig dat het kabinet zo’n twee weken geleden een wetsvoorstel voor een geheel nieuw Wetboek van Strafvordering voor advies naar de Raad van State heeft gestuurd? Het nieuwe wetboek zal in de plaats komen van het huidige Wetboek van Strafvordering, dat bestaat uit meer dan elfhonderd wetsartikelen. Daarin worden onderwerpen geregeld als de bevoegdheden van politie en justitie en de rechten van verdachten, advocaten en slachtoffers. In het voorstel voor een nieuw wetboek worden o.a. de opsporingsbevoegdheden van de politie uitgebreid. Kan zo’n voorstel voor een nieuw wetboek nog worden gezien als het afdoen van een lopende zaak, zou het echt niet controversieel zijn? Het kabinet vindt het blijkbaar niet controversieel. Na het advies van de Raad van State gaat een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer. De lijst die de oude Tweede Kamer op 11 februari heeft vastgesteld kan natuurlijk worden aangepast. We zullen zien of de Kamer dit wetsvoorstel aan haar lijst zal toevoegen. De meerderheid van de (nieuwe) Tweede Kamer beslist hierover. Na de verkiezingen van maart zijn de politieke verhoudingen veranderd. Weliswaar heeft de oude coalitie haar meerderheid behouden, maar daarbinnen zijn de onderlinge krachtverhoudingen veranderd (zo heeft de VVD het CDA nu minder zetels en D66 veel meer) en bovendien is het nog maar zeer de vraag of de huidige coalitie überhaupt zal worden voortgezet (een andere coalitie impliceert een andere parlementaire meerderheid). Daardoor zal het nieuwe kabinet waarschijnlijk heel andere keuzes willen maken dan het huidige kabinet, bijvoorbeeld voor een nieuw Wetboek van Strafvordering. Daarom zouden we kunnen verwachten dat de Tweede Kamer ook dat wetsvoorstel controversieel verklaart.

DEMISSIONAIR OP VERZOEK Het kabinet Rutte III heeft op 15 januari zijn ontslag aangeboden aan de Koning, omdat ‘’op alle niveaus, door het hele politiek-bestuurlijk-juridische systeem, fouten zijn gemaakt die ertoe hebben geleid dat duizenden ouders groot onrecht is aangedaan’’. Het gaat hier uiteraard over de toeslagenaffaire.

DEMISSIONAIR OMDAT HET MOET In sommige gevallen moet een kabinet zijn ontslag aanbieden. Bijvoorbeeld op de dag vóór Tweede Kamerverkiezingen. Elk zittend kabinet wordt dus na de verkiezingen demissionair. Een kabinet kan ook al (ruim) vóór verkiezingen zijn ontslag moeten aanbieden, bijvoorbeeld als het niet langer het vertrouwen krijgt van een meerderheid in de Tweede Kamer. Zo’n vertrouwensbreuk is er o.a. als de Kamer een motie van wantrouwen aanneemt.

AFTREDEN Het demissionaire kabinet Rutte III treedt in beginsel pas af als er een nieuw kabinet is gevormd. Op eigen verzoek kunnen demissionaire ministers eerder aftreden. Eric Wiebes heeft dat op 15 januari gedaan in verband met de toeslagenaffaire. Op 1 april is in de Tweede Kamer een motie van wantrouwen ingediend tegen de premier. Die motie werd net niet aangenomen: ze kreeg steun van 73 van de 150 Kamerleden (de hele oppositie). Wat als de motie wél was aangenomen? Volgens de regels van het staatsrecht moet een minister zijn ontslag aanbieden aan de Koning als de Kamer zo’n motie tegen hem aanneemt. De premier had echter net als de andere ministers al op 15 januari zijn ontslag aangeboden. Wat de motie wilde bereiken, was dat de premier daadwerkelijk zou aftreden. Trouwens, op diezelfde dag is er met ruime meerderheid wél een motie van afkeuring aangenomen. Wat deze motie leek te willen bereiken, was dat de premier op eigen verzoek zou aftreden. Maar dat heeft hij dus niet gedaan.

(Mr. Leon)

Volgend blog: donderdag 29 april

De kabinetsformatie

DINSDAG 30 MAART 2021 Het is twee weken geleden dat er Tweede Kamerverkiezingen waren. Morgen worden de 150 nieuwe Tweede Kamerleden beëdigd. Dan is de nieuwe Kamer geïnstalleerd. Hoe verloopt daarna de vorming van het nieuwe kabinet?

INFORMATEUR De nieuwe Tweede Kamer vergadert over de verkiezingsuitslag en wijst vervolgens een informateur aan. Informateur kan een Kamerlid zijn, maar dat hoeft niet. Het kan één informateur zijn, maar het kunnen er ook meerdere zijn. De informateur moet in kaart brengen welke kabinetten allemaal mogelijk zijn. Hij of zij krijgt daarvoor een opdracht mee, die meer of minder precies is. De Kamer beslist bij (gewone) meerderheid over de inhoud van die opdracht en wie informateur wordt.

IN 2017? Hoe ging dat bij de voorlaatste verkiezingen, die van 2017? Toen heeft de Tweede Kamer één informateur aangewezen. Dat was Edith Schippers, destijds demissionair minister (van Volksgezondheid!). Haar opdracht was nogal precies omschreven, namelijk de mogelijkheden onderzoeken van een stabiel kabinet met VVD, CDA, D66 en GroenLinks. Na twee maanden concludeerde Schippers dat zo’n kabinet niet mogelijk was. De Kamer wees toen een nieuwe informateur aan: Herman Tjeenk Willink, minister van Staat. Zijn opdracht was minder specifiek, namelijk om de mogelijkheden te onderzoeken van een kabinet dat op voldoende steun kan rekenen in de Eerste en Tweede Kamer. Na een maand concludeerde Tjeenk Willink dat (alleen) VVD, CDA, D66 en ChristenUnie bereid waren om gezamenlijk de vorming van een kabinet te onderzoeken. De Kamer wees daarop Gerrit Zalm aan als informateur, oud minister. Hij moest onderzoeken of zo’n kabinet inderdaad mogelijk was. En dat bleek het geval! Zijn onderzoek duurde trouwens even lang als dat van zijn twee voorgangers tezamen.

FORMATEUR Als de informatie is gelukt, wijst de Tweede Kamer een formateur aan. De formateur moet de ministers uitzoeken. Informatie en formatie zijn trouwens geregeld in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer.

IN 2017? Hoe ging dat in 2017? Toen wees de Kamer Mark Rutte aan als formateur, toen net als nu ook (demissionair) minister-president. Hij moest een kabinet vormen van ministers van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie. Dat lukte binnen enkele weken. Rutte werd zelf de nieuwe minister-president: Rutte III was geboren. Het gaat sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw trouwens steeds zo dat de formateur minister-president wordt van het nieuwe kabinet. Zo was Mark Rutte ook de formateur van de kabinetten Rutte II en Rutte I. Hij zal het dus ook wel worden van Rutte IV.

MINISTERS Als de formatie is gelukt kunnen de ministers (en staatssecretarissen) worden benoemd. Wie benoemt hen? Een minister wordt volgens de Grondwet benoemd door een besluit dat zowel door de Koning als door de nieuwe minister-president wordt ondertekend.

NIEUWE MINISTER-PRESIDENT Maar wie ondertekent – naast de Koning – het besluit waarbij de nieuwe minister-president wordt benoemd? Dat is volgens de Grondwet de nieuwe minister-president zelf. Hij (of zij) wordt echter pas minister-president door het benoemingsbesluit, door de ondertekening dus. Feitelijk is hij dus ten tijde van die ondertekening nog niet de nieuwe minister-president! Hij is dan slechts de beoogde minister-president.

DEMISSIONAIRE MINISTER-PRESIDENT Als Mark Rutte straks voor de vierde keer minister-president zou worden, is hij feitelijk bij ondertekening van zijn (eigen) benoemingsbesluit wél demissionair minister-president. Dat was ook het geval toen hij minister-president werd van Rutte III en van Rutte II. Maar dat was het niet toen hij in 2010 voor de eerste keer minister-president werd. Toen was hij geen demissionair minister-president, zelfs geen demissionair minister (in het kabinet Balkenende IV).

TWEEDE KAMER Het besluit waarbij een minister wordt benoemd, is niet ondertekend door de Tweede Kamer. Heeft de Tweede Kamer dan geen invloed op wie er minister wordt? Alleszins wel! Een minister moet haar ontslag aanbieden aan de Koning, zodra blijkt dat ze niet langer het vertrouwen heeft van de (meerderheid van de) Tweede Kamer. Er zal daarom geen minister worden benoemd waarvan op voorhand duidelijk is dat zij (of hij) dat vertrouwen niet krijgt.

BORDESFOTO Nadat alle ministers zijn benoemd volgt de beëdiging van het nieuwe kabinet. Direct na de beëdiging is er gewoonlijk de bordesfoto: een officiële foto van de Koning met het volledige nieuwe kabinet op (de trappen van) het bordes naar het paleis. Laten we hopen dat tegen die tijd men daarop tegen niet meer anderhalve meter van elkaar hoeft te staan!

VERKENNER Zover is het echter nog niet, ook niet met de vorming van een nieuw kabinet. Vandaag vergadert de oude Tweede Kamer over de geloofsbrieven van de nieuwe Tweede Kamerleden (zie ook het vorige blog). Morgen wordt de nieuwe Tweede Kamer beëdigd. Die zal dan binnen een week de (eerste) informateur aanwijzen. Voorafgaand zal ze echter nog debatteren over het verslag van de verkenners. De eerste verkenners zijn al de dag na de verkiezingen aangewezen: Annemarie Jorritsma en Kajsa Ollongren, respectievelijk fractieleider van de VVD in de Eerste Kamer en demissionair minister voor D66. Verkenners verkennen de coalitiemogelijkheden door gesprekken te houden met o.a. alle fractieleiders. Jorritsma en Ollongren zijn aangewezen door de voorzitter van de Tweede Kamer, Khadija Arib, na overleg met de (voorlopig) gekozen lijsttrekkers. Zij hebben hun werkzaamheden beëindigd voordat ze alle fractieleiders hebben gesproken (‘’Positie Omtzigt. Functie elders’’). Arib heeft daarna Wouter Koolmees en Tamara van Ark aangewezen, beiden (demissionair) minister voor respectievelijk ook weer D66 en VVD. De verkenning is anders dan de informatie en de formatie niet geregeld in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer (en evenmin ergens anders).

(Mr. Leon)

Volgende blog: donderdag 8 april

Hoe wordt de verkiezingsuitslag voor de Tweede kamer vastgesteld?

DONDERDAG 18 MAART 2021 Gisterenavond zijn rond negen uur (!) de laatste stemmen uitgebracht voor de Tweede Kamerverkiezing. Over twee weken – op woensdag 31 maart – worden de (150) leden van de nieuwe Tweede Kamer beëdigd. Wat wordt er in de tussentijd gedaan met de uitgebrachte stemmen?

GISTERENAVOND is kort ná negen uur begonnen met het tellen van de stemmen. In elk stembureau worden de stemmen geteld die daar zijn uitgebracht. De stembureaus van de gemeente Schiermonnikoog hadden gisterenavond als eerste de telling afgerond. Vanwege coronamaatregelen kan het gebeuren dat in sommige gemeenten de stemmen elders worden geteld en/of pas vandaag worden geteld. Van het tellen wordt een verslag gemaakt in de vorm van een proces-verbaal. De stembiljetten worden daarna verpakt en verzegeld.

AANSTAANDE MAANDAG stellen hoofdstembureaus vast hoeveel stemmen elke kandidaat heeft gekregen; dat gebeurt op basis van de verslagen van de stembureaus. Alle stembureaus zijn ingedeeld bij een van de twintig hoofdstembureaus. De grote steden hebben elk een eigen hoofdstembureau. Die vaststelling van een hoofdstembureau gebeurt in een vergadering. Voorzitter is de burgemeester van de gemeente waar wordt vergaderd. De andere (vier) leden zijn benoemd door de minister van Binnenlandse Zaken. Van de vergadering wordt een verslag gemaakt.

VOLGENDE WEEK VRIJDAG stelt de Kiesraad in een vergadering de officiële verkiezingsuitslag vast. Dat wil zeggen: aan welke 150 van de (veel) meer dan 1000 kandidaten een Kamerzetel is toegewezen. Deze toewijzing gebeurt op basis van de verslagen van de hoofdstembureaus. Van de vergadering wordt een verslag gemaakt. De (zeven) leden van de Kiesraad zijn benoemd door de regering.

OPENBAAR Het tellen op de stembureaus, de vergaderingen van de hoofdstembureaus en de vergadering van de Kiesraad zijn ingevolge de Kieswet openbaar. Dat betekent dat kiezers daarbij aanwezig mogen zijn. Ook politici en actieve partijleden zijn kiezers.

BEZWAAR MAKEN Een aanwezige kiezer mag tijdens de vergadering bezwaren inbrengen, bijvoorbeeld als er volgens hem sprake is van onregelmatigheden. De vergaderingen van de hoofdstembureaus en van de Kiesraad mogen volgens de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 ook digitaal worden gehouden. In dat geval moet elke geïnteresseerde zo’n vergadering live via internet kunnen volgen en er mondeling bezwaren kunnen inbrengen.

VERKIEZINGSGESCHILLEN (1) Bezwaar maken is nog geen gelijk hebben of gelijk krijgen. Wel moeten alle bezwaren in het verslag van de betreffende vergadering worden opgenomen. Tijdens de vergadering van de Kiesraad kan de kiezer zijn bezwaar combineren met een verzoek om de stembiljetten van een of meer stembureaus opnieuw te laten tellen. De Kiesraad kan daartoe ook zonder zo’n verzoek besluiten. Bij de vorige Tweede Kamerverkiezingen in 2017 en 2012 heeft de Kiesraad geen hertelling laten uitvoeren. In 2017 had een kiezer daar wel om verzocht. Bezwaarmakers die geen gelijk krijgen, kunnen hun bezwaar echter niet aan een rechter voorleggen!

VOLGENDE WEEK ZATERDAG krijgt de kandidaat aan wie een Kamerzetel is toegewezen hiervan schriftelijk bericht. Zij moet dan laten weten of ze haar zetel al dan niet aanvaardt. Wie aanvaardt, is daarmee tot Kamerlid is benoemd.

TWEEDE KAMER Wie is benoemd tot Kamerlid heeft echter nog niet het recht gekregen om aan vergaderingen van de Tweede Kamer deel te nemen, bijvoorbeeld door daar over wetsvoorstellen het woord te voeren of te stemmen. Daarvoor moet hij eerst worden toegelaten tot de Kamer. Dat geldt voor alle 150 benoemde Kamerleden, niet alleen voor de nieuwe Kamerleden, maar ook voor de zittende Kamerleden die opnieuw zijn benoemd. Over toelating beslist de Tweede Kamer zelf. Dat is Tweede Kamer in oude samenstelling.

GELOOFSBRIEVEN Aan elke toelating gaat per Kamerlid een onderzoek vooraf: het onderzoek van de geloofsbrieven. Een speciale Tweede Kamercommissie voert dat onderzoek uit: de Commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven. Wat wordt dan onderzocht? Ten eerste of het nieuwe Kamerlid aan de (grondwettelijke) vereisten voor het Kamerlidmaatschap voldoet, zoals het hebben van de Nederlandse nationaliteit en dat ze minstens 18 jaar oud is. Ten tweede of ze geen betrekking vervult die met het Kamerlidmaatschap onverenigbaar is.

VERKIEZINGSGESCHILLEN (2) Ten derde onderzoekt deze Tweede Kamercommissie eventuele verkiezingsgeschillen, bijvoorbeeld naar aanleiding van door kiezers ingebrachte bezwaren bij (hoofd)stembureaus of Kiesraad. Dat onderzoek gebeurt op basis van de verslagen van de Kiesraad, de hoofdstembureaus en de stembureaus. In totaal meer dan 9000 verslagen! De Tweede Kamer is de instantie die deze geschillen beslecht, in plaats van de rechter. De Tweede Kamer mag opdracht geven om het tellen van de stemmen bij een of meer stembureaus over te doen (hertelling), net als de Kiesraad. Bovendien mag de Tweede Kamer opdracht geven om de stemming in een of meer stembureaus over te doen (herbestemming). Herbestemming betekent dat de kiezers in dat stembureau opnieuw kunnen gaan stemmen. Wat de Tweede Kamer uiteindelijk ook besluit, daarmee zijn de geschillen definitief beslecht: een gang naar de rechter is niet mogelijk.

WOENSDAG 31 MAART Een nieuw Kamerlid dat door de oude Tweede Kamer is toegelaten hoeft daarna alleen nog maar beëdigd te worden om met haar of zijn feitelijke werkzaamheden te kunnen beginnen, zoals het woord voeren en stemmen over wetsvoorstellen. Alle 150 Kamerleden worden op woensdag 31 maart beëdigd. Dat gebeurt in een speciale vergadering. De oude Tweede Kamerleden zijn dan inmiddels allemaal afgetreden.

(Mr. Leon)

Verkiezingsprogramma’s over democratie, rechtsstaat en overheid (2)

DINSDAG 9 MAART 2021 In november heb ik een blog geschreven over democratie, rechtsstaat en overheid in de verkiezingsprogramma’s van partijen die nu vertegenwoordigd zijn in de Tweede Kamer. Vandaag gaat het over de verkiezingsprogramma’s van partijen die (nog) niet in de Tweede Kamer zijn vertegenwoordigd. Alleen de partijen waarop overal in (Europees) Nederland kan worden gestemd komen aan bod.

WELKE PARTIJEN ZIJN DAT? Dat zijn BIJ1, JA21, Volt, NIDA, JONG, Splinter, Oprecht, Piratenpartij (PP), Libertaire Partij (LP), Boerburgerbeweging (BBB) en Lijst Henk Krol (LHK). In het programma van NLBeter heb ik over dit onderwerp niets kunnen vinden en van Code Oranje heb ik geen programma kunnen vinden.

GRONDWET In artikel 1 staan de discriminatieverboden, zoals ras en geslacht. Binnenkort waarschijnlijk ook handicap en seksuele gerichtheid. LHK wil hier leeftijd aan toevoegen. BIJ1 wil etniciteit, genderidentiteit, genderexpressie, afkomst en nationaliteit bij (artikel) 1.

Splinter wil de godsdienstvrijheid van artikel 6 schrappen.

Oprecht wil dat de verenigingsvrijheid van artikel 8 alleen door de rechter kan worden beperkt.

Bewindslieden en Kamerleden moeten volgens artikelen 49 en 60 een eed (of verklaring) afleggen aan de Koning en trouw zweren (of beloven) aan de Grondwet. JONG wil de eed (of verklaring) aan de Koning schrappen.

De Tweede Kamer bestaat door artikel 51 uit 150 leden. De PP wil dit aantal verdubbelen.

De krijgsmacht is er volgens artikel 97 voor de verdediging en bescherming van de belangen van het koninkrijk en voor de handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde. Oprecht wil hieraan opsporing van milieudelicten op zee toevoegen.

WETGEVENDE MACHT: KIESRECHT Nederlanders hebben volgens de Kieswet vanaf hun 18e stemrecht. BIJ1, PP, Splinter en – uiteraard – JONG willen dat vanaf 16 jaar.

In de Kieswet staat ook dat als een Kamerlid tussentijds opstapt, zijn zetel automatisch overgaat naar de kandidaat die op dezelfde kandidatenlijst de hoogste plaats inneemt. Splinter wil dat zijn zetel automatisch overgaat naar de kandidaat met de meeste voorkeurstemmen; dat kan ook een kandidaat zijn die op een andere kandidatenlijst staat (dus van een andere partij is).

WETGEVENDE MACHT: REFERENDA Een wetsvoorstel wordt wet, zodra het door het parlement is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd. PP, LP, BBB, LHK, JA21 en Splinter willen een (juridisch) bindend referendum, zodat de bevolking kan voorkomen dat een aangenomen wet gaat gelden. JONG wil geen bindend maar raadgevend referendum. Volt wil geen referendum, maar een burgerforum (op basis van loting).

WETGEVENDE MACHT: EERSTE KAMER Parlementariërs worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging. Oprecht wil een districtenstelsel.

De Eerste Kamerleden worden gekozen door de Provinciale Statenleden. BBB wil dat gemeenteraadsleden onze senatoren gaan kiezen.

UITVOERENDE MACHT: MINISTERS Een nieuwe minister-president wordt benoemd per koninklijk besluit. Als blijkt dat de nieuwe minister-president niet (meer) het vertrouwen heeft van de meerderheid van de Tweede Kamer, moet hij of zij ontslag aanbieden (aan de Koning). LP wil dat de minister-president wordt gekozen door de bevolking.

UITVOERENDE MACHT: AMBTENAREN Uit de Ambtenarenwet volgt dat rijksambtenaren trouw moeten zweren/beloven aan de Grondwet én aan de Koning. JONG wil dat dit alleen nog aan de Grondwet gebeurt.

RECHTERLIJKE MACHT: TOETSINGSRECHT Een wet mag nooit in strijd zijn met de Grondwet. Echter: alleen regering en parlement beoordelen of dat zo is. Daardoor is ieder wetsvoorstel dat zij aannemen (volgens hun) niet in strijd met de Grondwet. Rechters mogen een wet niet aan de Grondwet toetsen. Dat is hun grondwettelijk verboden. BBB wil dit grondwettelijk toetsingsverbod schrappen zodat rechters (bestaande) wetten wél mogen toetsen aan de Grondwet. Daarnaast moet er een Constitutioneel Hof komen. Dat is een rechtscollege dat speciaal in het leven wordt geroepen om (nieuwe) wetten aan de Grondwet te toetsen. Ook Volt, PP en BIJ1 willen zo’n Constitutioneel Hof.

RECHTERLIJKE MACHT: MINDERJARIGEN Een minderjarige kan niet zelfstandig naar de rechter stappen. In het Burgerlijk Wetboek staat dat hij daarvoor ouders, voogd of een curator nodig heeft. Splinter wil dat veranderen zodat kinderen wél zelfstandig naar de rechter kunnen stappen.

GEMEENTE De burgemeester wordt volgens de Gemeentewet door de regering benoemd, al heeft de gemeenteraad de nodige invloed op die beslissing. JA21, PP, LP, Volt, BBB, LHK en Oprecht willen een burgemeester die door de bevolking wordt gekozen. Zij willen dus een rechtstreekse verkiezing. (Geen partij gaat blijkbaar voor een burgemeester die door de gemeenteraad wordt gekozen.) Voor Volt is ook de rechtstreeks gekozen wethouder bespreekbaar. Nu worden wethouders door de gemeenteraad gekozen.

Volgens de Kieswet moeten gemeenteraadsverkiezingen in alle gemeenten op dezelfde dag worden gehouden. LHK wil dat veranderen.

Een partij zonder parlementariërs krijgt geen overheidssubsidie. Lokale partijen kunnen dus nooit overheidssubsidie krijgen. PP en BBB willen dat veranderen. PP zou ook (meer) overheidssubsidie willen voor lokale (en regionale) politieke verslaggeving.

WATERSCHAPPEN De dijkgraaf is de voorzitter van een waterschap; in sommige waterschappen heet zij watergraaf. Ze wordt nu net als de burgemeester door de regering benoemd. PP wil dat dit door de bevolking gebeurt.

RAAD VAN STATE geeft o.a. adviezen aan regering en parlement; zo geeft ze over elk wetsvoorstel advies. Bovendien houdt ze toezicht op de naleving van begrotingsregels die in Europa zijn afgesproken en toetst ze Klimaatplan en Klimaatnota aan de Klimaatwet. NIDA wil dat de Raad wordt uitgebreid met mensen uit wetenschap, levensbeschouwelijke organisaties en kunst- en cultuursector. Bovendien zou de Raad er een taak bij moeten krijgen: optreden tegen politici die onverantwoorde uitlatingen doen. Zodat er meer ethiek komt in politiek.

(Mr. Leon)

Toeslagaffaire en de wetgever

VRIJDAG 8 JANUARI 2021 Conform haar opdracht heeft de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag kort voor kerstmis haar eindrapport uitgebracht. Acht Kamerleden hebben deze (kortlopende) parlementaire enquête in opdracht van de Tweede Kamer uitgevoerd. Het rapport heeft (veel) kritiek op wat ministers en staatssecretarissen, rechters en ambtenaren (zoals de Belastingdienst) ten onrechte hebben gedaan of nagelaten. De titel van het rapport – Ongekend onrecht – laat over haar conclusies geen misverstand bestaan. In het rapport wordt ook veel kritiek geuit op de wetgever, en daarover gaat dit blog.

WETGEVER In Nederland wordt een wet gemaakt door regering en parlement samen. Parlement oftewel Staten-Generaal bestaat uit Tweede Kamer en Eerste Kamer.

KINDEROPVANGTOESLAG De kritiek gaat over de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Die toeslag is een financiële bijdrage van de overheid. Hoe groot die bijdrage is, hangt o.a. af van het inkomen en het aantal uren dat (werkende) ouders voor hun kind opvang hebben. Hoe lager het inkomen, hoe hoger de toeslag. Voor lage inkomens kan hij oplopen tot meer dan 8 euro per uur per kind. Op jaarbasis kan het dus om grote bedragen gaan, helemaal als het om meer dan één kind gaat. Terugvordering kan betrekking hebben op een heel jaar of zelfs op meerdere jaren. Dat heeft veel ouders in de afgelopen in grote problemen gebracht, en niet alleen in financiële zin.

BELASTEND BESLUIT Aan elke terugvordering ligt een apart besluit ten grondslag. Voor de ouders die toeslag moeten terugbetalen, is dat altijd een besluit waaraan voor hen alleen maar nadelen zijn verbonden. Terugvordering is dan ook zonder meer een zogenaamd belastend besluit. De instantie die tot terugvordering besluit is de Belastingdienst.

EVENREDIGHEIDSBEGINSEL In het algemeen geldt voor belastende besluiten dat de nadelen ervan in verhouding moeten staan tot de doelen die met het besluit worden gediend. Dat is het evenredigheidsbeginsel. Bij terugvordering kan dit betekenen dat niet het hele bedrag mag worden teruggevorderd, maar slechts een deel ervan. De schuld wordt dan met andere woorden gematigd. Bij elke terugvordering moet worden beoordeeld of er sprake is van evenredigheid of onevenredigheid.

ALGEMENE WET BESTUURSRECHT Het evenredigheidsbeginsel is een beginsel van behoorlijk bestuur. Het is ook opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht (in artikel 4 van hoofdstuk 3). Het geldt voor alle belastende besluiten, ongeacht op grond van welke wet zo’n besluit wordt genomen. Het geldt, tenzij de wet op grond waarvan dat besluit wordt genomen dit evenredigheidsbeginsel opzij zet.

AWIR Het besluit om kinderopvangtoeslag terug te vorderen, wordt genomen op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (afgekort tot AWIR). Kinderopvangtoeslag is een inkomensafhankelijke regeling. In artikel 26 van deze wet is de terugvordering geregeld. Daarin staat dat de schuldenaar het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd is. Met andere woorden: het evenredigheidsbeginsel wordt hierin opzij gezet.

GEBONDEN BESLUIT De wetgever heeft dat bewust gedaan: bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel in 2004 en 2005 is er bewust voor gekozen om matiging uit te sluiten. De Belastingdienst mocht de terug te vorderen schuld niet kunnen matigen, ook niet in onvoorziene en schrijnende gevallen. De Belastingdienst kreeg geen ruimte om een eigen afweging te maken in dit soort gevallen en de terugvordering te matigen. Altijd moest alles worden teruggevorderd. Waarom? Omdat de dienst vanwege de grote hoeveelheid uit te keren toeslagen als een machine moest kunnen werken en het kunnen maken van uitzonderingen dan alleen maar zou zorgen voor zand in de raderen. Terugvordering moest met andere woorden een zogenaamd gebonden besluit worden.

AWIR NIEUW Inmiddels – precies één week geleden! – is toch evenredigheid aan artikel 26 van de AWIR toegevoegd. In de officiële toelichting staat hierover dat o.a. van onevenredigheid sprake zal zijn als de kinderopvangorganisatie heeft gefraudeerd zonder medeweten en betrokkenheid van de ouders. Maar er staat ook dat in het algemeen geen sprake zal zijn van onevenredigheid als vanwege de financiële situatie of financiële problemen van de ouders terugbetaling wordt verhinderd. Volgens de officiële toelichting is dit een uitwerking van het evenredigheidsbeginsel uit de Algemene wet bestuursrecht.

(Mr. Leon)