Majesteitsschennis

Donderdag 5 april 2018. Tweede Kamerlid van D66 heeft initiatief wetsvoorstel ingediend om de belediging van de Koning (majesteitsschennis) in het Wetboek van Strafrecht anders te gaan regelen: de straf die daarop staat gaat omlaag en wordt gelijk aan de straf die staat op belediging van een ambtenaar in functie (bijvoorbeeld een politieagent). In het nu geldende Wetboek van Strafrecht is opzettelijke belediging van de Koning, de Koningin en de vermoedelijke opvolger van de Koning strafbaar gesteld met gevangenisstraffen en geldboetes. Bovendien kan de rechter de dader het kiesrecht ontnemen. Strafbaar kan ook zijn de verspreiding en openlijke tentoonstelling van een geschrift of afbeelding waarin zo’n belediging voorkomt. Ook daarvoor kunnen gevangenisstraffen en geldboetes worden opgelegd, maar die zijn wel veel lager. De rechter kan die dader evenmin het kiesrecht ontnemen.

Artikel 111 Wetboek van Strafrecht luidt: Opzettelijke belediging van de Koning wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 112 Wetboek van Strafrecht luidt: Opzettelijke belediging van de echtgenoot van de Koning, van de vermoedelijke opvolger van de Koning, van diens echtgenoot, of van de Regent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 113 Wetboek van Strafrecht luidt: Hij die een geschrift of afbeelding waarin een belediging voorkomt voor de Koning, de echtgenoot van de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning, diens echtgenoot of de Regent, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige belediging voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt. Indien de schuldige een van de misdrijven omschreven in dit artikel in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Artikel 23 Wetboek van Strafrecht luidt (gedeeltelijk): De geldboete die voor een strafbaar feit ten hoogste kan worden opgelegd, is gelijk aan het bedrag van de categorie die voor dat feit is bepaald. Er zijn zes categorieën:

de eerste categorie, € 415;

de tweede categorie, € 4.150;

de derde categorie, € 8.300;

de vierde categorie, € 20.750;

de vijfde categorie, € 83.000;

de zesde categorie, € 830.000.

Artikel 114 Wetboek van Strafrecht luidt (gedeeltelijk): Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 111 en 112 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°-3°, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 28 eerste lid, onder 1°-3° Wetboek van Strafrecht luidt (gedeeltelijk): De rechten waarvan de schuldige, in de bij de wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:

    • 1°. het bekleden van ambten of van bepaalde ambten;
    • 2°. het dienen bij de gewapende macht;
    • 3°. het recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen en tot lid van deze organen te worden verkozen.

Strafbare poging tot verkoop van stem

Donderdag 22 maart 2018. Gisteren stond in de krant dat sommige kiezers hun stempassen voor de gemeenteraadsverkiezingen en het referendum te koop hadden gezet op Marktplaats. Ik denk dat deze kiezers aanbieden om tegen geld op een bepaalde partij te stemmen. Welke partij dat is, beslist de koper. Op grond van het Wetboek van Strafrecht is het een strafbaar feit (een misdrijf) om zo’n afspraak te maken. Het te koop aanbieden op Marktplaats is een strafbare poging daartoe, als het tenminste niet tot een afspraak is gekomen. Uit het Wetboek van Strafrecht volgt dat de rechter voor een gemaakte afspraak een geldboete kan opleggen van maximaal 8.300 euro en voor een (mislukte) poging daartoe ongeveer 5.600 euro. Ik begrijp uit de krant dat de officier van justitie aan de rechter een veel lagere boete wil vragen, namelijk 250 euro.

Artikel 126 Wetboek van Strafrecht luidt (gedeeltelijk): Hij die bij gelegenheid van een krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing door gift of belofte iemand omkoopt om zijn of eens anders kiesrecht hetzij niet, hetzij op bepaalde wijze uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. Dezelfde straf wordt toegepast op de kiezer of de gemachtigde van een kiezer die zich door gift of belofte tot een of ander laat omkopen.

Artikel 45 Wetboek van Strafrecht luidt (gedeeltelijk): Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij poging met een derde verminderd.

Artikel 46b Wetboek van Strafrecht luidt: Voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.

Artikel 23 Wetboek van Strafrecht luidt (gedeeltelijk): Hij die tot een geldboete is veroordeeld is verplicht tot betaling van het vastgestelde bedrag aan de staat binnen de termijn door het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van de strafbeschikking of het vonnis of arrest is belast, te stellen. De geldboete die voor een strafbaar feit ten hoogste kan worden opgelegd, is gelijk aan het bedrag van de categorie die voor dat feit is bepaald. Er zijn zes categorieën: de eerste categorie 415 euro; de tweede categorie, 4.150 euro: de derde categorie 8.300 euro.

Is betalen met contant geld een wettelijk recht?

Maandag 12 maart 2018. Steeds meer ondernemingen eisen van hun klanten dat ze pinnen (in plaats van contant afrekenen): denk aan winkels, horeca en openbaar vervoer. Inmiddels zijn er ook steeds meer gemeenten die ”pin only” eisen. Mag ”pin only” eigenlijk wel worden geëist? Onze euromunten en eurobiljetten zijn toch wettig betaalmiddel op grond van een Verordening van de Raad van Ministers van de Europese Unie uit 1998. En ter voldoening van een verbintenis die een klant tegenover de onderneming (of gemeente) heeft, hoeft hij op grond van het Burgerlijk Wetboek slechts met gangbaar geld te betalen. Aannemelijk is toch dat een wettig betaalmiddel gangbaar is. Het antwoord op de vraag wat de betekenis is van wettig betaalmiddel in de zin van bovengenoemde verordening is, kan uiteindelijk alleen door het Hof van Justitie van de Europese Unie worden gegeven. Die heeft zich er nog niet over uitgesproken, aldus het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer. Dat is een overleg waaraan onder andere De Nederlandsche Bank, Koninklijke Horeca Nederland en MKB-Nederland deelnemen. Volgens dit MOB is pin only door gemeenten in principe (wel) onredelijk bezwarend voor het publiek. De woorden onredelijk bezwarend zijn dezelfde als in de wettelijke regeling van de algemene voorwaarden in het Burgerlijk Wetboek: onredelijk bezwarende bedingen zijn daarin vernietigbaar.

Artikel 10 van de Verordening van de Raad van Ministers van 3 mei 1998 over de invoering van de euro (974/98) luidt (gedeeltelijk): Vanaf 1 januari 2002 brengen de ECB en de centrale banken van de deelnemende lidstaten in euro luidende bankbiljetten in omloop. (Deze bankbiljetten) zijn bankbiljetten die in alle betrokken lidstaten de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben. Vanaf 1 januari 2002 geven de deelnemende lidstaten in euro of in cent luidende muntstukken uit. (Deze muntstukken hebben) in alle betrokken lidstaten de hoedanigheid van wettig betaalmiddel. Behalve de uitgevende autoriteit en personen die specifiek in de nationale wetgeving van de uitgevende lidstaat zijn aangewezen, is geen enkele partij verplicht voor betaling meer dan vijftig muntstukken te aanvaarden.

Artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek, boek 6 luidt: Het geld dat ter voldoening van de verbintenis wordt betaald, moet op het tijdstip van de betaling gangbaar zijn in het land in welks geld de betaling geschiedt.

Brief van het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) van 20 december 2017 aan VNG, Bijlage 2 uit 2015 luidt (gedeeltelijk): Het weigeren van contante betaling in situaties waarin men voor een soortgelijk(e) product/dienst praktisch gesproken niet bij een andere aanbieder terecht kan die wel contant geld accepteert, acht het MOB in principe onredelijk bezwarend voor het publiek. Verder gaat het MOB er vanuit dat toonbankinstellingen in juridische zin vrij zijn zelf te bepalen welke betalingswijzen zij accepteren (mits dit vooraf duidelijk is bekend gemaakt; tevens moet worden aangetekend dat rechtspraak schaars is en dat de uiteindelijke bevoegdheid uit te leggen wat het wil zeggen dat contant geld ‘wettig betaalmiddel’ is, bij het Europese Hof van Justitie berust).

Artikel 233 van het Burgerlijk Wetboek, boek 6 luidt (gedeeltelijk): Een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.

International Film Festival Rotterdam en wettelijke regels voor subsidie

Dinsdag 23 januari 2018. Het IFFR gaat morgen van start. Het International Film Festival Rotterdam gaat dan voor de 48e keer van start, als ik het goed zie. Het filmfestival vertoont onafhankelijke filmkunst uit de hele wereld. Daarvoor ontvangt het subsidie van onder andere het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Hier gaat het vooral om cultuur. De Grondwet eist dat de overheid voorwaarden schept voor culturele ontplooiing van de burgers; het scheppen van voorwaarden kan door middel van subsidies. De algemene regels die voor subsidie gelden, zijn opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht, zoals de regel dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op een wettelijk voorschrift. Dat is voor de subsidie van het ministerie van Cultuur de rijksbegroting. De rijksbegroting wordt ingevolge de Grondwet namelijk bij de wet vastgesteld: dat wil (hier) zeggen door regering en parlement gezamenlijk vastgesteld. In hoofdstuk 8 van de rijksbegrotingswet is de begroting van het ministerie van OCW opgenomen. De subsidieverstrekking aan IFFR is daarop gebaseerd.

Artikel 22 van de Grondwet luidt: De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding

Artikel 4:21 lid 1 Algemene wet bestuursrecht luidt: Onder subsidie wordt verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.

Artikel 4:23 lid 1 luidt: Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.

Artikel 105 lid 1 Grondwet luidt: De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

34 775 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2018. Nr. 1 VOORSTEL VAN WET. 19 september 2017

Stichting e-Court en de zorgverzekeraars

Maandag 22 januari 2018. De meeste zorgverzekeraars maken gebruik van de stichting e-Court om achterstallige vorderingen op hun verzekeringnemers te innen zonder naar de rechter te stappen, zo stond afgelopen zaterdag in de krant. Achterstallige vorderingen zijn bijvoorbeeld niet-betaalde premies voor de aanvullende zorgverzekering. Mogen zorgverzekeraars zomaar gebruik maken van e-Court? Ja en nee: in de Grondwet staat weliswaar dat niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent, maar zorgverzekeraar en verzekeringnemer kunnen overeenkomen dat niet de rechter maar arbiters oordelen. Dat is zo geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die overeenkomst kan in algemene voorwaarden staan (de kleine lettertjes). Dat laatste gebeurt bijvoorbeeld bij Zilveren Kruis Achmea. Betekent dit nu dat de rechter geen enkele rol meer heeft? Nee, dat betekent het niet omdat het arbitraal vonnis op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet kan worden ten uitvoer gelegd zonder een rechterlijk vonnis dat het arbitraal vonnis bevestigt. De arbiters moeten er echter een behoorlijke puinhoop van hebben gemaakt, wil zo’n bevestigend rechterlijk vonnis uitblijven. Op de inschakeling van (de stichting) e-Court is nu veel kritiek gekomen, bijvoorbeeld van de Raad voor de Rechtspraak. Die kritiek heeft er niet zozeer betrekking op dat e-Court arbitrage is, maar dat de oordeelsvorming bij e-Court grotendeels aan robots wordt overgelaten.

Artikel 17 Grondwet luidt: Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 1020 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering luidt: Partijen kunnen bij overeenkomst geschillen die tussen hen uit een bepaalde, al dan niet uit een overeenkomst voortvloeiende, rechtsbetrekking zijn ontstaan dan wel zouden kunnen ontstaan, aan arbitrage onderwerpen.

Artikel 1021 luidt (gedeeltelijk): De overeenkomst tot arbitrage wordt bewezen door een geschrift. Daarvoor is voldoende een geschrift dat in arbitrage voorziet of dat verwijst naar algemene voorwaarden welke in arbitrage voorzien en dat door of namens de wederpartij uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard.

Artikel 9.6 polisvoorwaarden 2018 Zilveren Kruis Achmea luidt (gedeeltelijk): Staat er een bedrag open aan premie of andere kosten? Dan kan er een procedure gestart worden bij de geschillencommissie Stichting e-Court.

Artikel 1062 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: De tenuitvoerlegging in Nederland van een arbitraal vonnis kan eerst plaatsvinden nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de plaats van arbitrage is gelegen daartoe op verzoek van een der partijen verlof heeft verleend.

Artikel 1063 lid 1 luidt (gedeeltelijk): De voorzieningenrechter van de rechtbank kan de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis slechts weigeren, indien hem na een summierlijk onderzoek is gebleken dat het aannemelijk is dat het vonnis zal worden vernietigd op een van de gronden genoemd in artikel 1065, eerste lid.

Artikel 1065 lid 1: Vernietiging kan slechts plaatsvinden op een of meer van de navolgende gronden: a. een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt; b. het scheidsgerecht is in strijd met de daarvoor geldende regelen samengesteld; c. het scheidsgerecht heeft zich niet aan zijn opdracht gehouden; d. het vonnis is niet overeenkomstig het in artikel 1057 bepaalde ondertekend of niet met redenen omkleed; e. het vonnis, of de wijze waarop dit tot stand kwam, is in strijd met de openbare orde.

Energiedrankjes en een wettelijk verbod voor jongeren

Dinsdag 16 januari 2018. De Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde wil dat de overheid de verkoop van energiedrankjes  zoals Red Bull aan minderjarigen gaat verbieden, omdat ze zo slecht voor hun gezondheid zouden zijn. De gezondheidseffecten hebben onder andere te maken met de cafeïne en de taurine die erin zitten. Hoewel de staatssecretaris vooralsnog niets voelt voor een wettelijk verbod, is het interessant na te gaan in welke wet zo’n verbod kan worden geregeld. Zo’n verbod zal lijken op het verkoopverbod van alcohol aan minderjarigen. Dat is geregeld in de Drank- en Horecawet. Toch kan een energiedrankverbod niet hierin worden geregeld, omdat deze wet alleen bedoeld is voor alcoholhoudende dranken. De Warenwet is wel van toepassing op energiedrankjes, maar drinkwaren zoals energiedrankjes zijn ook op Europees niveau geregeld, bijvoorbeeld in de EU-verordening tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving. Het Nederlands wettelijk verkoopverbod van energiedrankjes aan minderjarigen zal hierop moeten worden afgestemd.

De considerans van de Drank- en Horecawet luidt (gedeeltelijk): Wet van 7 oktober 1964, tot regeling van de uitoefening van de bedrijven en de werkzaamheid, waarin of in het kader waarvan alcoholhoudende drank wordt verstrekt

Artikel 20 lid 1 van die wet luidt: Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Onder verstrekken als bedoeld in de eerste volzin wordt eveneens begrepen het verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, welke drank echter kennelijk bestemd is voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

Artikel 1 Warenwet luidt (gedeeltelijk): In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder waren roerende zaken waaronder eetwaren (en onder) eet- en drinkwaren levensmiddelen, bedoeld in artikel 2 van verordening (EG) nr 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving (PbEG L 31).

VERORDENING (EG) Nr. 178/2002 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden

Nieuwjaarsdag en Kerstmis in het staatsrecht

Maandag 1 januari 2018. Vandaag is het maandag, maar ook Nieuwjaarsdag. Vorige week maandag en dinsdag was het Eerste en Tweede Kerstdag. Nieuwjaarsdag en Eerste en Tweede Kerstdag zijn algemeen erkende feestdagen. Welke dagen algemeen erkende feestdagen zijn, is in de wet aangewezen. De wet waarin dat is gebeurd is de Algemene termijnenwet. Andere algemeen erkende feestdagen zijn Goede Vrijdag, Tweede Paasdag en Tweede Pinksterdag, Hemelvaartsdag, Koningsdag en 5 mei. Een algemeen erkende feestdag is van invloed op wettelijke termijnen. Voor een algemeen erkende feestdag geldt hetzelfde als voor een zondag of zaterdag: de wettelijke termijn die volgens berekening op zo’n dag afloopt, loopt pas op de eerstvolgende werkdag af. Wie een woning koopt, krijgt drie dagen bedenktijd. Dat is zo geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Wie dus op dinsdag 19 december de koopakte voor zijn nieuwe woning tekende, mocht de koop tot en met vrijdag 22 december ongedaan maken. Wie dat echter een dag later deed, mocht de koop tot en met woensdag 27 december ongedaan maken. Voor een algemeen erkende feestdag geldt niet automatisch dat het een verplichte vrije dag is. Dat is afhankelijk van de arbeidsvoorwaarden en kan per werknemer verschillen.

Artikel 3 lid 1 en 2 van de Algemene termijnenwet luidt: Algemeen erkende feestdagen in de zin van deze wet zijn: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei. Voor de toepassing van deze wet wordt de Goede Vrijdag met de in het vorige lid genoemde dagen gelijkgesteld.

Artikel 1 lid 1 van deze wet luidt: Een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

Artikel 2 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (boek 7) luidt (gedeeltelijk): De koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak wordt, indien de koper een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, schriftelijk aangegaan. De tussen partijen opgemaakte akte of een afschrift daarvan moet aan de koper ter hand worden gesteld, desverlangd tegen afgifte aan de verkoper van een gedateerd ontvangstbewijs. Gedurende drie dagen na deze terhandstelling heeft de koper het recht de koop te ontbinden.

Ster reclame

Dinsdag 5 december 2017. Minister Slob heeft gezegd dat hij de Publieke Omroep met 62 miljoen euro zal korten. Dat is het bedrag waarmee de Ster-inkomsten zijn afgenomen. Een directeur van de Publieke Omroep stuurt een ingezonden brief  naar de krant: hij vindt deze korting onredelijk. Wat wordt bedoeld met de Ster-inkomsten? In de Mediawet staat dat daarmee wordt bedoeld inkomsten uit reclame van derden dat op een van de publieke zenders wordt uitgezonden. Publieke zenders voor televisie zijn NPO 1, 2 en 3. Alleen de Stichting Etherreclame (afgekort tot Ster) mag die reclame verzorgen. De minister benoemt het stichtingsbestuur van de Ster. Uiteraard zijn die derden (denk bijvoorbeeld aan een smartphone producent) bereid om daarvoor een prijs te betalen. Dat zijn de Ster-inkomsten, want de prijs wordt betaald aan de Ster. De Ster draagt deze inkomsten na aftrek van kosten af aan het ministerie van Cultuur. De minister stelt in zijn jaarlijkse begroting budget beschikbaar voor de publieke omroep. De minister heeft nu gezegd dat hij het budget verlaagt met de tegenvallende reclame-inkomsten. De publieke omroep heeft naast reclame-inkomsten ook inkomsten uit sponsoring.  Zie over publieke omroep ook blog van 28 november.

Artikel 2.91 lid 1 en 2 Mediawet luidt: In het media-aanbod van de publieke mediadiensten mogen reclame- en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden worden opgenomen. Reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting daarvan, in het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst worden uitsluitend verzorgd door de Ster.

Artikel 2.99 Mediawet luidt (gedeeltelijk): De Stichting Etherreclame heeft tot taak het verzorgen van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst dat bestaat uit reclame- en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden, inclusief omlijsting daarvan.

Artikel 2.100 lid 1 Mediawet luidt: Het bestuur van de Ster bestaat uit vijf leden die door Onze Minister worden benoemd, geschorst en ontslagen.

Artikel 2.105 lid 3 Mediawet luidt: De inkomsten die de Ster verwerft uit de verzorging van reclame- en telewinkelboodschappen voor de landelijke publieke mediadienst stelt zij na aftrek van de door Onze Minister goedgekeurde uitgaven ter beschikking van Onze Minister.

Artikel 2.106 lid 1 Mediawet luidt: Media-aanbod van de publieke mediadiensten wordt niet gesponsord.

Artikel 2.106 lid 2 Mediawet luidt: Het eerste lid is niet van toepassing op media-aanbod: a. van culturele aard; b. van educatieve aard; c. bestaande uit het verslag of de weergave van een of meer sportevenementen of sportwedstrijden; en d. bestaande uit het verslag of de weergave van evenementen ten behoeve van ideële doelen.

Matchfixing nieuw strafbaar feit?

Woensdag 29 november 2017. Het Openbaar Ministerie (OM) onderzoekt of matchfixing in de voetbalwereld expliciet strafbaar gesteld zou moeten worden. Het OM heeft altijd gezegd dat de huidige wetgeving voldoende handvatten biedt om matchfixing aan te pakken. Als ik het goed begrijp, gebeurt dat door matchfixing verdachten bedrog in de zin van omkoping/corruptie ten laste te leggen. Dat is een in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld feit. Gedrag is pas strafbaar als het op democratische wijze van te voren tot strafbaar feit is verklaard, zoals dat het in het Wetboek van Strafrecht is opgenomen als strafbaar feit. Dit vereiste van rechtsstaat is zo geregeld in wetboek én in Grondwet.

Artikel 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht luidt: Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift, belofte of dienst aanneemt dan wel vraagt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 1 lid 1 Wetboek van Strafrecht luidt: Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 16 Grondwet luidt: Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Autoriteit Financiële Markten (AFM)

Dinsdag 14 november 2017. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) waarschuwt consumenten tegen investeringen in ICO’s, Initial Public Offerings. ICO’s worden uitgegeven voor de financiering van een nieuwe onderneming. AFM geeft een waarschuwing af, omdat ICO’s een ideale voedingsbodem voor oplichters zijn. AFM is vaker in het nieuws. Wat is eigenlijk de Autoriteit Financiële Markten? Het is een stichting opgericht bij de notaris. Aan deze stichting is in de Wet op het financieel toezicht openbaar gezag verleend, namelijk het zijn van officiële toezichthouder op de financiële markten. AFM is niet ondergeschikt aan de regering, maar de regering heeft wel invloed op wie in het bestuur van de stichting zit. AFM is een zelfstandig bestuursorgaan.

Artikel 1.1 Statuten luidt: De stichting draagt de naam Stichting Autoriteit Financiële Markten. De stichting draagt als verkorte naam Autoriteit Financiële Markten of AFM.

Artikel 2.1 sub a (gedeeltelijk) Statuten luidt: De stichting heeft tot doel en als taak het gedragstoezicht op financiële markten uit te oefenen.

Artikel 1.25 lid 2 (gedeeltelijk) Wet op het financieel toezicht luidt: De Autoriteit Financiële Markten heeft, op de grondslag van deze wet, tot taak het gedragstoezicht op financiële markten uit te oefenen.

Artikel 1.26 lid 1 (gedeeltelijk) van dezelfde wet luidt: Het bestuur van de Autoriteit Financiële Markten bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. De voorzitter en de andere leden van het bestuur worden bij koninklijk besluit benoemd. 

Artikel 1.27 lid 3 (gedeeltelijk) van dezelfde wet luidt: De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht worden door Onze Minister benoemd.

Artikel 1.30 lid 1 sub a (gedeeltelijk) van dezelfde wet luidt: De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op de Autoriteit Financiële Markten, met uitzondering van de artikelen 21.

Artikel 1 sub a Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (gedeeltelijk) luidt: In deze wet wordt verstaan onder zelfstandig bestuursorgaan: (dat wat) bij de wet met openbaar gezag is bekleed, en dat niet hiërarchisch ondergeschikt is aan een minister.