Stichting e-Court en de zorgverzekeraars

Maandag 22 januari 2018. De meeste zorgverzekeraars maken gebruik van de stichting e-Court om achterstallige vorderingen op hun verzekeringnemers te innen zonder naar de rechter te stappen, zo stond afgelopen zaterdag in de krant. Achterstallige vorderingen zijn bijvoorbeeld niet-betaalde premies voor de aanvullende zorgverzekering. Mogen zorgverzekeraars zomaar gebruik maken van e-Court? Ja en nee: in de Grondwet staat weliswaar dat niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent, maar zorgverzekeraar en verzekeringnemer kunnen overeenkomen dat niet de rechter maar arbiters oordelen. Dat is zo geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die overeenkomst kan in algemene voorwaarden staan (de kleine lettertjes). Dat laatste gebeurt bijvoorbeeld bij Zilveren Kruis Achmea. Betekent dit nu dat de rechter geen enkele rol meer heeft? Nee, dat betekent het niet omdat het arbitraal vonnis op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet kan worden ten uitvoer gelegd zonder een rechterlijk vonnis dat het arbitraal vonnis bevestigt. De arbiters moeten er echter een behoorlijke puinhoop van hebben gemaakt, wil zo’n bevestigend rechterlijk vonnis uitblijven. Op de inschakeling van (de stichting) e-Court is nu veel kritiek gekomen, bijvoorbeeld van de Raad voor de Rechtspraak. Die kritiek heeft er niet zozeer betrekking op dat e-Court arbitrage is, maar dat de oordeelsvorming bij e-Court grotendeels aan robots wordt overgelaten.

Artikel 17 Grondwet luidt: Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 1020 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering luidt: Partijen kunnen bij overeenkomst geschillen die tussen hen uit een bepaalde, al dan niet uit een overeenkomst voortvloeiende, rechtsbetrekking zijn ontstaan dan wel zouden kunnen ontstaan, aan arbitrage onderwerpen.

Artikel 1021 luidt (gedeeltelijk): De overeenkomst tot arbitrage wordt bewezen door een geschrift. Daarvoor is voldoende een geschrift dat in arbitrage voorziet of dat verwijst naar algemene voorwaarden welke in arbitrage voorzien en dat door of namens de wederpartij uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard.

Artikel 9.6 polisvoorwaarden 2018 Zilveren Kruis Achmea luidt (gedeeltelijk): Staat er een bedrag open aan premie of andere kosten? Dan kan er een procedure gestart worden bij de geschillencommissie Stichting e-Court.

Artikel 1062 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: De tenuitvoerlegging in Nederland van een arbitraal vonnis kan eerst plaatsvinden nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de plaats van arbitrage is gelegen daartoe op verzoek van een der partijen verlof heeft verleend.

Artikel 1063 lid 1 luidt (gedeeltelijk): De voorzieningenrechter van de rechtbank kan de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis slechts weigeren, indien hem na een summierlijk onderzoek is gebleken dat het aannemelijk is dat het vonnis zal worden vernietigd op een van de gronden genoemd in artikel 1065, eerste lid.

Artikel 1065 lid 1: Vernietiging kan slechts plaatsvinden op een of meer van de navolgende gronden: a. een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt; b. het scheidsgerecht is in strijd met de daarvoor geldende regelen samengesteld; c. het scheidsgerecht heeft zich niet aan zijn opdracht gehouden; d. het vonnis is niet overeenkomstig het in artikel 1057 bepaalde ondertekend of niet met redenen omkleed; e. het vonnis, of de wijze waarop dit tot stand kwam, is in strijd met de openbare orde.

Energiedrankjes en een wettelijk verbod voor jongeren

Dinsdag 16 januari 2018. De Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde wil dat de overheid de verkoop van energiedrankjes  zoals Red Bull aan minderjarigen gaat verbieden, omdat ze zo slecht voor hun gezondheid zouden zijn. De gezondheidseffecten hebben onder andere te maken met de cafeïne en de taurine die erin zitten. Hoewel de staatssecretaris vooralsnog niets voelt voor een wettelijk verbod, is het interessant na te gaan in welke wet zo’n verbod kan worden geregeld. Zo’n verbod zal lijken op het verkoopverbod van alcohol aan minderjarigen. Dat is geregeld in de Drank- en Horecawet. Toch kan een energiedrankverbod niet hierin worden geregeld, omdat deze wet alleen bedoeld is voor alcoholhoudende dranken. De Warenwet is wel van toepassing op energiedrankjes, maar drinkwaren zoals energiedrankjes zijn ook op Europees niveau geregeld, bijvoorbeeld in de EU-verordening tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving. Het Nederlands wettelijk verkoopverbod van energiedrankjes aan minderjarigen zal hierop moeten worden afgestemd.

De considerans van de Drank- en Horecawet luidt (gedeeltelijk): Wet van 7 oktober 1964, tot regeling van de uitoefening van de bedrijven en de werkzaamheid, waarin of in het kader waarvan alcoholhoudende drank wordt verstrekt

Artikel 20 lid 1 van die wet luidt: Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Onder verstrekken als bedoeld in de eerste volzin wordt eveneens begrepen het verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, welke drank echter kennelijk bestemd is voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

Artikel 1 Warenwet luidt (gedeeltelijk): In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder waren roerende zaken waaronder eetwaren (en onder) eet- en drinkwaren levensmiddelen, bedoeld in artikel 2 van verordening (EG) nr 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving (PbEG L 31).

VERORDENING (EG) Nr. 178/2002 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden

Nieuwjaarsdag en Kerstmis in het staatsrecht

Maandag 1 januari 2018. Vandaag is het maandag, maar ook Nieuwjaarsdag. Vorige week maandag en dinsdag was het Eerste en Tweede Kerstdag. Nieuwjaarsdag en Eerste en Tweede Kerstdag zijn algemeen erkende feestdagen. Welke dagen algemeen erkende feestdagen zijn, is in de wet aangewezen. De wet waarin dat is gebeurd is de Algemene termijnenwet. Andere algemeen erkende feestdagen zijn Goede Vrijdag, Tweede Paasdag en Tweede Pinksterdag, Hemelvaartsdag, Koningsdag en 5 mei. Een algemeen erkende feestdag is van invloed op wettelijke termijnen. Voor een algemeen erkende feestdag geldt hetzelfde als voor een zondag of zaterdag: de wettelijke termijn die volgens berekening op zo’n dag afloopt, loopt pas op de eerstvolgende werkdag af. Wie een woning koopt, krijgt drie dagen bedenktijd. Dat is zo geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Wie dus op dinsdag 19 december de koopakte voor zijn nieuwe woning tekende, mocht de koop tot en met vrijdag 22 december ongedaan maken. Wie dat echter een dag later deed, mocht de koop tot en met woensdag 27 december ongedaan maken. Voor een algemeen erkende feestdag geldt niet automatisch dat het een verplichte vrije dag is. Dat is afhankelijk van de arbeidsvoorwaarden en kan per werknemer verschillen.

Artikel 3 lid 1 en 2 van de Algemene termijnenwet luidt: Algemeen erkende feestdagen in de zin van deze wet zijn: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei. Voor de toepassing van deze wet wordt de Goede Vrijdag met de in het vorige lid genoemde dagen gelijkgesteld.

Artikel 1 lid 1 van deze wet luidt: Een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

Artikel 2 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (boek 7) luidt (gedeeltelijk): De koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak wordt, indien de koper een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, schriftelijk aangegaan. De tussen partijen opgemaakte akte of een afschrift daarvan moet aan de koper ter hand worden gesteld, desverlangd tegen afgifte aan de verkoper van een gedateerd ontvangstbewijs. Gedurende drie dagen na deze terhandstelling heeft de koper het recht de koop te ontbinden.

Ster reclame

Dinsdag 5 december 2017. Minister Slob heeft gezegd dat hij de Publieke Omroep met 62 miljoen euro zal korten. Dat is het bedrag waarmee de Ster-inkomsten zijn afgenomen. Een directeur van de Publieke Omroep stuurt een ingezonden brief  naar de krant: hij vindt deze korting onredelijk. Wat wordt bedoeld met de Ster-inkomsten? In de Mediawet staat dat daarmee wordt bedoeld inkomsten uit reclame van derden dat op een van de publieke zenders wordt uitgezonden. Publieke zenders voor televisie zijn NPO 1, 2 en 3. Alleen de Stichting Etherreclame (afgekort tot Ster) mag die reclame verzorgen. De minister benoemt het stichtingsbestuur van de Ster. Uiteraard zijn die derden (denk bijvoorbeeld aan een smartphone producent) bereid om daarvoor een prijs te betalen. Dat zijn de Ster-inkomsten, want de prijs wordt betaald aan de Ster. De Ster draagt deze inkomsten na aftrek van kosten af aan het ministerie van Cultuur. De minister stelt in zijn jaarlijkse begroting budget beschikbaar voor de publieke omroep. De minister heeft nu gezegd dat hij het budget verlaagt met de tegenvallende reclame-inkomsten. De publieke omroep heeft naast reclame-inkomsten ook inkomsten uit sponsoring.  Zie over publieke omroep ook blog van 28 november.

Artikel 2.91 lid 1 en 2 Mediawet luidt: In het media-aanbod van de publieke mediadiensten mogen reclame- en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden worden opgenomen. Reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting daarvan, in het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst worden uitsluitend verzorgd door de Ster.

Artikel 2.99 Mediawet luidt (gedeeltelijk): De Stichting Etherreclame heeft tot taak het verzorgen van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst dat bestaat uit reclame- en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden, inclusief omlijsting daarvan.

Artikel 2.100 lid 1 Mediawet luidt: Het bestuur van de Ster bestaat uit vijf leden die door Onze Minister worden benoemd, geschorst en ontslagen.

Artikel 2.105 lid 3 Mediawet luidt: De inkomsten die de Ster verwerft uit de verzorging van reclame- en telewinkelboodschappen voor de landelijke publieke mediadienst stelt zij na aftrek van de door Onze Minister goedgekeurde uitgaven ter beschikking van Onze Minister.

Artikel 2.106 lid 1 Mediawet luidt: Media-aanbod van de publieke mediadiensten wordt niet gesponsord.

Artikel 2.106 lid 2 Mediawet luidt: Het eerste lid is niet van toepassing op media-aanbod: a. van culturele aard; b. van educatieve aard; c. bestaande uit het verslag of de weergave van een of meer sportevenementen of sportwedstrijden; en d. bestaande uit het verslag of de weergave van evenementen ten behoeve van ideële doelen.

Matchfixing nieuw strafbaar feit?

Woensdag 29 november 2017. Het Openbaar Ministerie (OM) onderzoekt of matchfixing in de voetbalwereld expliciet strafbaar gesteld zou moeten worden. Het OM heeft altijd gezegd dat de huidige wetgeving voldoende handvatten biedt om matchfixing aan te pakken. Als ik het goed begrijp, gebeurt dat door matchfixing verdachten bedrog in de zin van omkoping/corruptie ten laste te leggen. Dat is een in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld feit. Gedrag is pas strafbaar als het op democratische wijze van te voren tot strafbaar feit is verklaard, zoals dat het in het Wetboek van Strafrecht is opgenomen als strafbaar feit. Dit vereiste van rechtsstaat is zo geregeld in wetboek én in Grondwet.

Artikel 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht luidt: Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift, belofte of dienst aanneemt dan wel vraagt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 1 lid 1 Wetboek van Strafrecht luidt: Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 16 Grondwet luidt: Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Autoriteit Financiële Markten (AFM)

Dinsdag 14 november 2017. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) waarschuwt consumenten tegen investeringen in ICO’s, Initial Public Offerings. ICO’s worden uitgegeven voor de financiering van een nieuwe onderneming. AFM geeft een waarschuwing af, omdat ICO’s een ideale voedingsbodem voor oplichters zijn. AFM is vaker in het nieuws. Wat is eigenlijk de Autoriteit Financiële Markten? Het is een stichting opgericht bij de notaris. Aan deze stichting is in de Wet op het financieel toezicht openbaar gezag verleend, namelijk het zijn van officiële toezichthouder op de financiële markten. AFM is niet ondergeschikt aan de regering, maar de regering heeft wel invloed op wie in het bestuur van de stichting zit. AFM is een zelfstandig bestuursorgaan.

Artikel 1.1 Statuten luidt: De stichting draagt de naam Stichting Autoriteit Financiële Markten. De stichting draagt als verkorte naam Autoriteit Financiële Markten of AFM.

Artikel 2.1 sub a (gedeeltelijk) Statuten luidt: De stichting heeft tot doel en als taak het gedragstoezicht op financiële markten uit te oefenen.

Artikel 1.25 lid 2 (gedeeltelijk) Wet op het financieel toezicht luidt: De Autoriteit Financiële Markten heeft, op de grondslag van deze wet, tot taak het gedragstoezicht op financiële markten uit te oefenen.

Artikel 1.26 lid 1 (gedeeltelijk) van dezelfde wet luidt: Het bestuur van de Autoriteit Financiële Markten bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. De voorzitter en de andere leden van het bestuur worden bij koninklijk besluit benoemd. 

Artikel 1.27 lid 3 (gedeeltelijk) van dezelfde wet luidt: De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht worden door Onze Minister benoemd.

Artikel 1.30 lid 1 sub a (gedeeltelijk) van dezelfde wet luidt: De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op de Autoriteit Financiële Markten, met uitzondering van de artikelen 21.

Artikel 1 sub a Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (gedeeltelijk) luidt: In deze wet wordt verstaan onder zelfstandig bestuursorgaan: (dat wat) bij de wet met openbaar gezag is bekleed, en dat niet hiërarchisch ondergeschikt is aan een minister.

Rulings en belastinginspecteurs

Maandag 13 november 2017. Belastinginspecteurs kunnen rulings afgegeven aan belastingplichtigen, zowel particulieren als bedrijven. Op de site van de belastingdienst staat over rulings het volgende (ik heb het enigszins aangepast). ‘Het is een overleg tussen de inspecteur en de belastingplichtige en het  leidt tot een standpunt van de inspecteur over de manier waarop het recht in een specifiek geval zal worden toegepast. Belastingplichtige kan daardoor vooraf weten waar hij aan toe is bij de latere belastingheffing.’ Wie de krant leest, weet dat een belastinginspecteur pas een ruling mag afgeven na het volgen van een interne procedure bij de belastingdienst. In 800 van de 4000 rulings zou dat niet zijn gebeurd. Maar wie is volgens de wet belastinginspecteur?

Artikel 2 derde lid onder b Algemene wet inzake rijksbelastingen (gedeeltelijk) luidt: De belastingwet verstaat onder inspecteur: de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen.

Artikel 2 eerste lid onder i Invorderingswet 1990 (gedeeltelijk) luidt: Deze wet verstaat onder inspecteur de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen.

Artikel 1 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (gedeeltelijk) luidt: Deze regeling berust op de artikelen 2 derde lid onder b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 2 eerste lid onder i van de Invorderingswet 1990. Dit is de ministeriële regeling die in bovenstaande wetten wordt bedoeld.

Artikel 5 lid 1 van die ministeriële regeling (gedeeltelijk) luidt: De landelijk directeuren, de directeuren van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3 eerste lid onderdelen a2 en c1 zijn inspecteur als bedoeld in artikel 2 derde lid onderdeel b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 2 eerste lid onderdeel i van de Invorderingswet 1990.

Artikel 3 eerste lid onderdelen a2 en c1 van die regeling (gedeeltelijk) luidt: De organisatie van de Belastingdienst bestaat uit de volgende onderdelen: Belastingdienst/Belastingen, bestaande uit Belastingdienst/Caribisch Nederland; Belastingdienst/Centrale administratie (B/CA).

Artikel 4 lid 2 van die regeling (gedeeltelijk) luidt: De organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen a2 en c1 staan elk onder leiding van een directeur.

Inspecteur zijn dus de directeuren van sommige organisatieonderdelen van de Belastingdienst.