Regering hoeft niet meer te gaan over benoeming burgemeesters

VRIJDAG 9 NOVEMBER 2018 De burgemeesters van onder andere Rotterdam, Den Bosch, Haarlem en Zoetermeer hebben de Eerste Kamer gevraagd om de burgemeestersbenoeming in de Grondwet te laten. De Eerste Kamer buigt zich volgende week over het wetsvoorstel om de benoeming van burgemeesters en commissarissen van de Koning uit de Grondwet te halen.

Deconstitutionaliseren Als een regeling uit de Grondwet wordt gehaald, spreekt men ook wel van deconstitutionaliseren. Een ander woord voor grondwet is constitutie.

Grondwet nu In de Grondwet staat nu (nog) dat de burgemeester wordt benoemd bij koninklijk besluit. Dat betekent dat de burgemeester wordt benoemd door de regering.

Gemeentewet In de Gemeentewet staat dat de gemeenteraad twee kandidaten aanbeveelt voor het burgemeesterschap waarbij de eerste kandidaat de voorkeur geniet. De minister draagt in beginsel die kandidaat voor om te worden benoemd. De regering hoeft deze voordracht evenwel niet over te nemen, ook niet in beginsel. Als de regering de door de minister voorgedragen persoon altijd wél zou moeten benoemen en de minister de aanbeveling van de gemeenteraad altijd wél zou moeten overnemen in zijn voordracht, dan was de Gemeentewet hier in strijd met de Grondwet. Daarin staat immers dat de regering de burgemeester benoemt. De regering mag van elke voordracht afwijken. Uit de krant begrijp ik dat de regering de voordracht van de minister meestal overneemt.

Grondwet straks Als de Eerste Kamer het wetsvoorstel aanneemt, dan komt er in de Grondwet te staan dat de burgemeester wordt aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze, en dat krachtens de wet nadere regels kunnen worden gesteld over de daarbij te volgen procedures. De voorgestelde Grondwetsbepaling maakt het dus mogelijk dat de regering geen enkele betrokkenheid meer heeft bij de burgemeestersbenoeming. Dan moet de Gemeentewet wel worden gewijzigd. Zolang dat niet gebeurt, verandert de benoeming ook na de deconstitutionalisering niet. Opvallend is trouwens dat de Grondwettelijke regeling van de burgemeestersbenoeming ná deconstitutionaliseren uit veel meer woorden bestaat!

Tweede Lezing Een wetsvoorstel waarin de Grondwet wordt gewijzigd moet niet één keer maar twee keer door het parlement worden aangenomen. Bovendien is de tweede keer een 2/3 meerderheid van de uitgebrachte stemmen nodig. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel inmiddels twee keer aangenomen. De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel de eerste keer in april 2015 aangenomen. Met 48 stemmen voor en 21 stemmen tegen. Dat is genoeg voor een gewone meerderheid. Dat is ook genoeg voor een 2/3 meerderheid. Bij die stemming was echter niet iedereen aanwezig: slechts 69 van de 75 Kamerleden. Bovendien waren er een maand later verkiezingen voor de Eerste Kamer waardoor de samenstelling is gewijzigd. In april 2015 stemden de fracties van CDA, ChristenUnie, SGP en een deel van de PvdA tegen.

BRONNEN:

Artikel 131 Grondwet: De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 47 Grondwet luidt: Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 42 Grondwet luidt: De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

Artikel 61 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De raad zendt Onze Minister binnen vier maanden nadat de gelegenheid tot sollicitatie voor de functie is gegeven een aanbeveling inzake de benoeming. Deze aanbeveling omvat twee personen. In een bijzonder, door de raad te motiveren geval, kan worden volstaan met een aanbeveling waarop één persoon vermeld staat. Onze Minister slaat geen acht op een enkelvoudige aanbeveling, indien naar zijn oordeel geen sprake is van een bijzonder geval. Onze Minister volgt in zijn voordracht in beginsel de aanbeveling, met inbegrip van de daarop gehanteerde volgorde, tenzij zwaarwegende gronden aanleiding tot afwijking geven. Een afwijking wordt gemotiveerd.

Wetsvoorstel waarover Eerste Kamer zich volgende week buigt: Artikel 131 van de Grondwet komt te luiden als volgt: De commissaris van de Koning en de burgemeester worden aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze. Krachtens de wet kunnen nadere regels worden gesteld over de daarbij te volgen procedures.

Artikel 137 Grondwet luidt (gedeeltelijk): Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

I Amsterdam

DONDERDAG 18 OKTOBER 2018 De I Amsterdam letters op het Museumplein in Amsterdam moeten daar blijven staan. Dat is de strekking van een internet actie die inmiddels bijna 9000 keer is ondertekend. Het is een reactie op een motie die GroenLinks vorige week in de Amsterdamse gemeenteraad heeft ingediend. De motie roept het college op om die letters daar weg te halen. De internet actie is een verzoek aan de gemeente Amsterdam om de I Amsterdam letters te laten staan op het Museumplein. Ik neem aan dat het verzoek uiteindelijk officieel wordt ingediend bij de gemeente.

Recht Indiening van schriftelijke verzoeken bij de overheid is een recht: het recht van petitie. Petities kunnen bijvoorbeeld worden ingediend bij de Tweede Kamer, bij een commissaris van de Koning (provincie) en bij een burgemeester.

Mensenrecht Het is zelfs een bijzonder recht, het is namelijk een mensenrecht. Dit mensenrecht is zelfs geregeld in de Nederlandse grondwet en is daardoor ook een grondrecht.

Een ieder Het recht van petitie komt een ieder toe. Het is bijvoorbeeld niet beperkt tot Nederlanders of tot meerderjarigen. Ook vreemdelingen en minderjarigen mogen een petitie indienen bij de overheid.

Grondwet Het staat al twee eeuwen in de Nederlandse grondwet. Het was al opgenomen in de eerste grondwet, die van 1815. Het is in de loop der tijd wel een beetje gewijzigd.

Geen recht op honoreren verzoek Het petitierecht houdt (uiteraard) niet in dat de overheid aan het verzoek tegemoet moet komen; de overheid moet het wel in ontvangst nemen.

BRONNEN

Grondwet luidt sinds 1983: Grondrechten. Artikel 5. Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Grondwet 1972-1983 luidt: Van het Rijk en zijn Inwoners. Artikel 8. Ieder heeft het recht om verzoeken, mits schriftelijk, aan de bevoegde macht in te dienen. Elk verzoek moet door de verzoeker ondertekend zijn. Ondertekening uit naam van anderen kan alleen geschieden krachtens schriftelijke bij het verzoek overgelegde volmacht. Wettig bestaande lichamen kunnen aan de bevoegde macht verzoekschriften indienen, doch alleen over onderwerpen tot hun bepaalde werkkring behorende.

Grondwet 1917-1972 luidt: Van het Rijk en zijne Inwoners. Artikel 8. Ieder heeft het recht om verzoeken, mits schriftelijk, aan de bevoegde macht in te dienen. Elk verzoek moet door den verzoeker onderteekend zijn. Onderteekening uit naam van anderen kan alleen geschieden krachtens schriftelijke bij het verzoek overgelegde volmacht. Wettig bestaande lichamen kunnen aan de bevoegde macht verzoekschriften indienen, doch alleen over onderwerpen tot hun bepaalden werkkring behoorende.

Grondwet 1848-1917 luidt: Van het Rijk en zijn Inwoners. Artikel 9. Ieder ingezeten heeft het regt om verzoeken aan de bevoegde magt schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uit naam van meer worden onderteekend, welk laatste alleen kan geschieden door of van wege ligchamen, wettelijk zamengesteld of als zoodanig erkend, en in dat geval niet anders dan over onderwerpen tot hunne bepaalde werkzaamheden behoorende.

Grondwet 1840 – 1848 luidt: Van de Plaatselijke Besturen. Artikel 159. Ieder ingezeten heeft het regt om verzoeken aan de bevoegde magt schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uit naam van meerderen worden onderteekend, welk laatste alleen zal kunnen geschieden door of van wege ligchamen, wettiglijk zamengesteld en als zoodanig erkend, en, in dat geval, niet anders dan over onderwerpen tot derzelver bepaalde werkzaamheden behoorende.

Grondwet 1815-1840 luidt: Van de Plaatselijke Besturen. Artikel 161. Ieder ingezeten heeft het regt om verzoeken aan de bevoegde magt schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uit naam van meerderen worden onderteekend, welk laatste alleen zal kunnen geschieden door of van wege ligchamen, wettiglijk zamengesteld en als zoodanig erkend, en, in dat geval, niet anders dan over onderwerpen tot derzelver bepaalde werkzaamheden behoorende.

Groningen wel verplicht tot handhaven bij overtreding rookverbod

MAANDAG 1 OKTOBER 2018 Vorige week stond een artikel in de krant over de gemeente Groningen. De gemeenteraad heeft geregeld dat het college van burgemeester en wethouders roken kan gaan verbieden op openbare plaatsen, zoals straten en pleinen. Dat kan gebeuren op verzoek van instellingen zoals scholen en ziekenhuizen. Het gemeentebestuur is echter niet van plan om het verbod op die plaatsen te gaan handhaven door tegen overtredingen van het verbod op te treden. Het wordt aan de scholen, ziekenhuizen en dergelijke overgelaten om het verbod zelf uit te voeren. Kan de gemeente zich wel aan handhaving onttrekken?

APV Het rookverbod is geregeld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Elke gemeente heeft zo’n verordening. Daarin zijn zeer uiteenlopende onderwerpen geregeld, gerangschikt in hoofdstukken. Er zijn in Groningen hoofdstukken over bijvoorbeeld openbare orde, regulering prostitutie en natuur- en milieubescherming.

Artikel 2:47a Het rookverbod is geregeld in artikel 2:47a; dat is in het hoofdstuk over openbare orde. Het staat tussen een verbod op openbare plaatsen voor drankgebruik en een verbod voor hinderlijk gedrag. In de toelichting op het rookverbod wordt vooral de stank- en rookoverlast van het roken benadrukt. Het rookverbod had volgens mij daarom ook opgenomen kunnen worden in het hoofdstuk over milieubescherming, als een van de maatregelen tegen stankoverlast.

Handhaven APV Politie en gemeentelijke boa’s houden toezicht op naleving van de APV. Er staat onder andere een boete op overtreding van een verbod maar handhaving kan ook met andere bestuurlijke sancties gebeuren.

Geen plicht tot handhaven? Kan de gemeente zich onttrekken aan handhaving doordat politie en boa’s geen toezicht houden op het rookverbod en er geen boetes of andere bestuurlijke sancties worden opgelegd bij overtreding van dit verbod? Met andere woorden: heeft de gemeente geen handhavingsplicht? Groningen gaat er van uit dat ze geen handhavingsplicht heeft. Ik wil bij dat uitgangspunt een kritische opmerking maken.

Wel plicht tot handhaven! Weliswaar mag en moet de gemeente volgens de wet (ook) bij handhavend optreden steeds een belangenafweging maken, maar de hoogste bestuursrechter heeft in 2004 overwogen dat overheden in beginsel verplicht zijn om handhavend op te treden bij overtreding van een wettelijk voorschrift. Ook APV-verboden zijn wettelijke voorschriften. Dit wordt de beginselplicht tot handhaving genoemd. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden is die plicht er niet. Daarvan lijkt mij in de Groningse situatie geen sprake. Als het college van burgemeester en wethouders bij een school een verbod heeft ingesteld, en de school (of een andere belanghebbende) vraagt de gemeente vervolgens om handhavend op te treden tegen overtredingen, dan zou de rechter de gemeente daartoe best wel eens kunnen dwingen.

BRONNEN

Artikel 2:47A van de Algemene Plaatselijke Veordening Groningen 2009 luidt als volgt: Verbod verspreiding hinderlijke rookgassen. Het is verboden om op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, hinderlijke rookgassen te verspreiden. Een rechthebbende van een gebouw met een publieke/openbare functie kan een verzoek indienen bij het college tot het opnemen van een bepaald gebied in een aanwijzingsbesluit. Bij toewijzing van het verzoek, als bedoeld in lid 2, draagt de rechthebbende zorg voor een juiste uitvoering daarvan.

HOOFDSTUK 2 van deze APV luidt: OPENBARE ORDE

HOOFDSTUK 3 van deze APV luidt: REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN

HOOFDSTUK 4 van deze APV luidt: BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Afdeling 4 daarvan luidt: Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 6:1 van deze APV luidt (gedeeltelijk): Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, en van de voorschriften en beperkingen die zijn verbonden aan de op grond van deze verordening verleende vergunningen of ontheffing

Artikel 6:3 van deze APV luidt (gedeeltelijk): Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht luidt: Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Uitspraak 200306199/1. Datum uitspraak: 7 juli 2004. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK (Raad van State) 2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Voor de hele uitspraak: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2004:AP8242

WW-uitkering voor wethouders

MAANDAG 24 SEPTEMBER 2018 Ex-wethouders kunnen recht hebben op een WW-uitkering, wachtgeld geheten. Vorige week stond er een artikel in de krant over een wethouder die sinds zijn aftreden in 2006 recht wachtgeld geniet ter aanvulling op een onderwijsfunctie die hij sinds zijn ontslag uitoefent; hij was 50 jaar oud toen zijn wethouderschap na meer dan tien jaar eindigde. Hoe lang kan een ex-wethouder recht hebben op wachtgeld?

APPA Dat is een afkorting die staat voor Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Op grond van deze wet kan een ex-wethouder recht hebben op ongeveer drie jaar wachtgeld. Wethouders die minder dan vijf jaar van hun pensioen zijn verwijderd, kunnen recht hebben op wachtgeld tot aan hun pensioen. Pensioen kan hier nimmer ingaan vóór de 65e verjaardag.

Overgangsregeling Dit is de wettelijke regeling zoals die nu geldt. De wet is in de loop der tijd echter veranderd. In het verleden was de wettelijke regeling gunstiger. Wethouders die zijn gestopt toen de oude wettelijke regeling nog gold, kunnen onder een wettelijke overgangsregeling vallen. De oude gunstigere regeling blijft voor hen dan (grotendeels) gelden.

Gemeente Een aantal gemeenteraden hebben de wettelijke wachtgeld regeling verruimd. Dat is in elk geval in enkele tientallen gemeenten gebeurd. Zij hebben een Uitkerings- en pensioenverordening wethouders gemaakt. Onder andere de gemeenteraad van Den Haag heeft zo’n verordening gemaakt. En daarin is bijvoorbeeld geregeld dat als een wethouder na zijn 50e verjaardag na meer dan tien jaar wethouderschap stopt, hij recht kan hebben op wachtgeld tot aan zijn pensioen. Zo’n verordening lijkt veel op de oude wettelijke regeling. De wethouder uit de krant was trouwens geen wethouder in Den Haag.

Mag het? Mag een gemeenteraad een verordening maken waarin ex-wethouders langer wachtgeld krijgen dan zij op grond van de Wet Appa krijgen? Ja, tenzij die ruimere gemeentelijke wachtregeling in strijd is met de Wet Appa. Is er die strijd? Ik heb in de Wet Appa geen uitdrukkelijk verbod gevonden voor zo’n ruimere wachtgeldregeling. Echter, strijd tussen een gemeentelijke verordening en een wet kan er ook zijn zonder zo’n uitdrukkelijk wettelijk verbod. Ik laat het bij deze laatste opmerking.

BRONNEN

Hoofdstuk 20. Artikel 130 Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers luidt (gedeeltelijk): (Wat hieronder staat over lid van gedeputeerde staten) is van overeenkomstige toepassing op burgemeesters en wethouders, met dien verstande dat wordt gelezen voor lid van gedeputeerde staten: burgemeester of wethouder.

Hoofdstuk 21. Artikel 131 luidt (gedeeltelijk): Aan een lid van gedeputeerde staten wordt met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, recht op uitkering verleend ten laste van de provincie waarin hij als zodanig optrad, op de voet van de volgende artikelen.

Hoofdstuk 21. Artikel 132 luidt (gedeeltelijk): De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest, maar tenminste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Als de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode van twaalf jaren ten minste tien jaren lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.

Artikel 134 luidt (gedeeltelijk): De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden met de uitkering verrekend.

Artikel 163e (behoort bij hoofdstuk 21) luidt: Ten aanzien van de uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag of aftreden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing uitkeringsduur Appa, blijft de uitkeringsduur van kracht zoals deze gold op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.

Artikel 132 Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers luidde op 1 januari 2007: De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest, maar tenminste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van zes jaren. Indien de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden als lid van gedeputeerde staten de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en hij in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien jaren lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Artikel 2 Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van de gemeente Den Haag: luidt (gedeeltelijk): De uitkering wordt toegekend voor ten hoogste voor de duur van zes jaren.

Artikel 3 van de Haagse verordening luidt (gedeeltelijk): Indien de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden als wethouder de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en hij in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien jaren wethouder is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Artikel 121 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten of door algemene maatregelen van bestuur is (!) voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten niet in strijd zijn.

Ongeplande raadsvergadering

DINSDAG 21 AUGUSTUS 2018 De gemeenteraad van de Zuid-Hollandse gemeente Westland is tijdens het reces bijeengeroepen voor een spoedvergadering. Voor de gemeenteraadsleden kwam die vergadering als een verrassing. In de krant staat dat het tot veel gemopper leidde onder de raadsleden omdat ze hun vakantie in allerijl moesten afbreken. De ingelaste raadsvergadering bleek nodig om een tweede grote huisvestingslocatie voor arbeidsmigranten in Maasdijk te voorkomen, ook wel ”Polenhotel” genoemd. Maasdijk is een van de kernen van de gemeente Westland.

Wie gaat eigenlijk over de bijeenroeping van een ongeplande raadsvergadering?

Burgemeester De burgemeester mag de gemeenteraad bijeenroepen voor een ongeplande vergadering als zo’n vergadering volgens haar nodig is.

Voorzitter gemeenteraad De burgemeester is dan ook de voorzitter van de gemeenteraad.

Schriftelijk Oproeping tot de vergadering moet schriftelijk gebeuren.

Acht raadsleden Een ongeplande raadsvergadering wordt ook bijeengeroepen als een vijfde van de raadsleden daarom vraagt en bij hun verzoek aangeeft wat daarvoor hun redenen zijn. De gemeenteraad van Westland telt 39 leden. Voldoende is dus als 8 raadsleden een verzoek doen. De Westlandse spoedvergadering is door de burgemeester bijeengeroepen.

Artikel 9 Gemeentewet luidt: De burgemeester is voorzitter van de raad.

Artikel 17 luidt (gedeeltelijk): Voorts vergadert de raad indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit de raad bestaat schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt.

Artikel 19 luidt (gedeeltelijk): De burgemeester roept de leden schriftelijk tot de vergadering op. Tegelijkertijd met de oproeping brengt de burgemeester dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis.

Gemeentelijk verbod om op straat te roken verboden?

DINSDAG 7 AUGUSTUS 2018. Afgelopen zaterdag stond in de krant dat de gemeente Rotterdam plannen heeft voor de invoering van (enkele) rookvrije straten: op straat mag daar dan niet meer gerookt worden, op straffe van een boete. Mag een gemeente zo’n rookverbod invoeren?

APV De gemeente wil dat rookverbod gaan regelen in de Algemene Plaatselijke Verordening, afgekort APV. Elke gemeente heeft een APV. Daarin is de huishouding van de gemeente geregeld.

Vrijheid Welke onderwerpen tot de gemeentelijke huishouding behoren, bepaalt de gemeenteraad. Per gemeente kunnen de onderwerpen die in de APV zijn geregeld dus verschillen. Uiteraard kan per gemeente ook nog verschillen hoe het (zelfde) onderwerp is geregeld.

Grenzen De gemeenteraad heeft dus de vrijheid om een onderwerp al dan niet te regelen. Die vrijheid is echter niet onbeperkt. Er zijn grenzen. Men onderscheidt hier een bovengrens en een ondergrens.

Bovengrens De bovengrens is dat de APV niet in strijd mag zijn met een hogere regeling, zoals een parlementaire wet. De wet waarmee een rookverbod op straat in strijd zou kunnen zijn, is volgens een jurist die in het krantenartikel wordt geciteerd de Tabaks- en rookwarenwet.

Ondergrens Er is ook nog een ondergrens: de APV mag alleen onderwerpen regelen die in het belang van de gemeente kunnen zijn. Het is moeilijk precies aan te geven of een onderwerp (en hoe het is geregeld) al dan niet in het belang van de gemeente kan zijn. Afgelopen maandag schreef Aleid Truijens in haar krantencolumn dat roken op straat weliswaar ongezond is voor de roker maar anderen geen schade berokkent. Zij vraagt zich daarom af of een gemeentelijk rookverbod wel op zijn plaats is. In juridische termen vertaald, vraag zij zich af: leveren de Rotterdamse plannen niet een schending op van de ondergrens?

Artikel 108 lid 1 Gemeentewet: De bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente wordt aan het gemeentebestuur overgelaten.

Artikel 121 Gemeentewet: De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.

Artikel 149 Gemeentewet: De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.

De boa of handhaver openbare ruimte

MAANDAG 6 AUGUSTUS 2018. Vorige week stond er een artikel in de krant over de boa’s die in de Amsterdamse binnenstad in de openbare ruimte actief zijn; boa is de afkorting voor buitengewoon opsporingsambtenaar. De boa openbare ruimte wordt ook wel handhaver openbare ruimte genoemd. Amsterdam is niet de enige gemeente met boa’s. De boa draagt in elke gemeente hetzelfde uniform.

Dwangmiddelen Hij is geen politieagent maar heeft wel allerlei opsporingsbevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering die politieagenten ook hebben bij verdachte personen. De politieagent heeft meer dwangmiddelen. Staande houden De boa kan een verdachte bijvoorbeeld staande houden om hem naar zijn identiteit te vragen. Hij kan daarbij zaken van hem in beslag nemen. Arresteren Hij kan hem soms zelfs aanhouden (arresteren).

Niet elk strafbaar feit De boa openbare ruimte mag deze opsporingsbevoegdheden alleen gebruiken voor sommige strafbare feiten. De politieagent mag zijn opsporingsbevoegdheden voor alle strafbare feiten gebruiken. Soorten boa’s De boa openbare ruimte is niet de enige boa of handhaver. Zo is er bijvoorbeeld ook de sociaal rechercheur die bijstandsfraude opspoort en de boa die in tram, bus en metro actief is.

Artikel 142 Wetboek van Strafvordering luidt: Lid 1 Met de opsporing van strafbare feiten zijn als buitengewoon opsporingsambtenaar belast: a. de personen aan wie door Onze Minister van Veiligheid en Justitie, onderscheidenlijk het College van procureurs-generaal een akte van opsporingsbevoegdheid is verleend; b. de meerderjarige personen, behorend tot door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen categorieën of eenheden; c. de personen die bij of krachtens bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten worden belast, met uitzondering van de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, of die bij of krachtens verordeningen zijn belast met het toezicht op de naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten betreft en de personen zijn beëdigd. Lid 2 De opsporingsbevoegdheid strekt zich uit tot de in de akte of aanwijzing aangeduide strafbare feiten; de akte of aanwijzing kan bepalen dat de opsporingsbevoegdheid alle strafbare feiten omvat. Lid 3 Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan bepalen dat voor door hem aan te wijzen categorieën of eenheden van de in het eerste lid, onder c, genoemde buitengewone opsporingsambtenaren, de opsporingsbevoegdheid zich mede uitstrekt over andere strafbare feiten; het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Lid 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent de verlening van de akte en het doen van de aanwijzing, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, de beëdiging en de instructie van de buitengewoon opsporingsambtenaren, het toezicht waaraan zij zijn onderworpen en de wijze waarop Onze Minister van Veiligheid en Justitie de opsporingsbevoegdheid van afzonderlijke personen kan beëindigen. Voorts kunnen regels worden gegeven over de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid waaraan zij moeten voldoen. Lid 5 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder b, of derde lid, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 52 Wetboek van Strafvordering: Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en hem daartoe staande te houden.

Artikel 27a, eerste lid, eerste volzin: De verdachte wordt ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit gevraagd naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats.

Artikel 95 lid 1 Wetboek van Strafvordering: De opsporingsambtenaar die de verdachte staande houdt of aanhoudt, kan de voor inbeslagneming vatbare voorwerpen die de verdachte met zich voert, in beslag nemen.

Artikel 54 lid 4 Wetboek van Strafvordering: Indien het bevel van de officier van justitie of de hulpofficier van justitie niet kan worden afgewacht, is de opsporingsambtenaar bevoegd de verdachte aan te houden teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden aan de hulpofficier van justitie of de officier van justitie.

Openbare ruimte, architecten en de gemeente

WOENSDAG 4 JULI 2018. Gemeenten die hun gebouwen en/of openbare ruimte willen vernieuwen, nemen daarvoor een architect of andere deskundige in de arm die een bouwkundig ontwerp maakt. Dit ontwerp is een werk in de zin van de Auteurswet; de architect (of andere deskundige) is een maker in de zin van deze wet. Hij heeft op grond van deze wet auteursrecht op zijn ontwerp. Dit is onder andere het recht om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van zijn werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan zijn eer of naam of aan zijn waarde in deze hoedanigheid. Hij kan dit recht niet hebben overgedragen, bijvoorbeeld aan zijn opdrachtgever de gemeente. Hij kan dus altijd een beroep blijven doen op dit recht. Reikt dit recht nu zover dat hij zich ook kan verzetten tegen bouwsels en voorwerpen die in de buurt staan van plekken die met zijn ontwerp opnieuw zijn ingericht? Ik krijg signalen dat dan inderdaad een beroep wordt gedaan op dit recht.

Artikel 10 lid 1 van de Auteurswet luidt (gedeeltelijk): Onder werken van letterkunde, wetenschap of kunst verstaat deze wet: 8°. ontwerpen, schetsen en plastische werken, betrekkelijk tot de bouwkunde, de aardrijkskunde, de plaatsbeschrijving of andere wetenschappen; en in het algemeen ieder voortbrengsel op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst, op welke wijze of in welken vorm het ook tot uitdrukking zij gebracht.

Artikel 25 luidt (gedeeltelijk): Lid 1. De maker van een werk heeft, zelfs nadat hij zijn auteursrecht heeft overgedragen, de volgende rechten: d. het recht zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid. Lid 3 Van het recht, in het eerste lid, onder a genoemd kan afstand worden gedaan. Van de rechten onder b en c genoemd kan afstand worden gedaan voor zover het wijzigingen in het werk of in de benaming daarvan betreft.

Sociaal rechercheurs in de Participatiewet

MAANDAG 18 JUNI 2018. In de krant van afgelopen zaterdag staat een lang artikel over de opsporing van (vermoede) bijstandsfraude, zoals een bijstandsgerechtigde die samenwoont maar daarover de gemeente niet heeft ingelicht. Gemeentelijke sociale diensten zetten daarbij tal van middelen in, zoals huiszoekingen, buurtonderzoeken en verhoren, maar ook bijvoorbeeld auto-achtervolgingen, gluuroperaties en verborgen camera’s. Bij de inzet van die middelen spelen sociaal rechercheurs een belangrijke rol. De rechten en plichten van mensen met een bijstandsuitkering zijn geregeld in de Participatiewet en de daarop gebaseerde regelingen. Wat is er in de Participatiewet geregeld over deze sociaal rechercheurs? Daarin (of in een daarop gebaseerde regeling) is alleen geregeld dat het college van burgemeester en wethouders de ambtenaren aanwijst die zijn belast met het toezicht op de naleving van deze wet. Sociaal rechercheurs zijn dus gemeentelijke ambtenaren.

Artikel 76a van de Participatiewet luidt: Met het toezicht op de naleving van deze wet zijn belast de bij besluit van het college aangewezen ambtenaren.

Hoeveel wethouders zijn geoorloofd?

VRIJDAG 8 JUNI 2018. In de gemeente Rotterdam onderhandelen 6 raadsfracties over een nieuw college van (burgemeester en) wethouders. Zoals het er nu naar uitziet, gaan VVD, D66, GroenLinks en PvdA elk twee wethouders leveren terwijl CDA en CU-SGP elk een wethouder gaan leveren. In totaal dus tien wethouders. Staat er iets in de wet over het maximum- en minimumaantal wethouders? Op grond van de Gemeentewet is het minimumaantal 2 wethouders en is het maximumaantal afhankelijk van het aantal inwoners van de gemeente maar niet meer dan 9 wethouders. De gemeente Rotterdam heeft meer dan 600.000 inwoners en dus zou haar maximumaantal 9 wethouders zijn. Toch is een tiende wethouder in Rotterdam mogelijk: dat wordt namelijk een deeltijd wethouder, en dan is op grond van de Gemeentewet voor Rotterdam een tiende wethouder mogelijk. Zelfs een elfde wethouder is dan mogelijk, zolang het aantal officiële arbeidsuren voor de deeltijdwethouders niet te hoog zal zijn. Wat is het maximumaantal fulltime wethouders bij enkele andere gemeenten? Voor Dordrecht (118.000 inwoners) zijn dat er 8. Voor Tilburg (215.000 inwoners) 9. Voor Zutphen (47.000 inwoners) zijn dat er 6. Voor Harlingen (15.800 inwoners) zijn dat er 3. Voor Heerlen (86.000 inwoners) zijn dat er 7.

Artikel 36 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): Lid 1. Het aantal wethouders bedraagt ten hoogste twintig procent van het aantal raadsleden, met dien verstande dat er niet minder dan twee wethouders zullen zijn. Lid 2 De raad kan besluiten dat het wethouderschap in deeltijd wordt uitgeoefend. Lid 3 Indien het tweede lid toepassing vindt bedraagt, in afwijking van het eerste lid, het aantal wethouders ten hoogste vijfentwintig procent van het aantal raadsleden, met dien verstande dat de tijdsbestedingsnorm van de wethouders gezamenlijk ten hoogste tien procent meer bedraagt dan de tijdsbestedingsnorm van de wethouders gezamenlijk zou hebben bedragen indien het tweede lid geen toepassing had gevonden. Lid 5. Bij de berekening van het maximale aantal wethouders, bedoeld in het eerste en het derde lid, wordt afgerond tot het dichtstbijgelegen gehele getal.

Artikel 8 Gemeentewet luidt (gedeeltelijk): De raad bestaat uit:

9 leden in een gemeente beneden de 3 001 inwoners;

11 leden in een gemeente van 3 001- 6 000 inwoners;

13 leden in een gemeente van 6 001- 10 000 inwoners;

15 leden in een gemeente van 10 001- 15 000 inwoners;

17 leden in een gemeente van 15 001- 20 000 inwoners;

19 leden in een gemeente van 20 001- 25 000 inwoners;

21 leden in een gemeente van 25 001- 30 000 inwoners;

23 leden in een gemeente van 30 001- 35 000 inwoners;

25 leden in een gemeente van 35 001- 40 000 inwoners;

27 leden in een gemeente van 40 001- 45 000 inwoners;

29 leden in een gemeente van 45 001- 50 000 inwoners;

31 leden in een gemeente van 50 001- 60 000 inwoners;

33 leden in een gemeente van 60 001- 70 000 inwoners;

35 leden in een gemeente van 70 001- 80 000 inwoners;

37 leden in een gemeente van 80 001-100 000 inwoners;

39 leden in een gemeente van 100 001-200 000 inwoners;

45 leden in een gemeente boven de 200 000 inwoners.